Europa: al in de Steentijd multiculti

Steeds vaker vinden archeologen aanwijzingen dat in het prehistorische Europa de volkeren over en door elkaar heen buitelden.

MAARTEN KEULEMANS

Het was, natuurlijk, altijd al een beetje gek. We mogen onszelf dan Europeaan noemen, een oud volk uit een oud continent - wie ons dna doorvlooit, ziet al snel dat het anders zit.

Een vuilnisbakkenras, die Europeanen. Haast de helft draagt dna dat duidt op een afstamming uit het Midden-Oosten. Een op de tien heeft een prehistorische genetische mutatie die afkomstig is uit de Kaukasus. Weer anderen hebben dna dat duidt op voorvaderen in Mesopotamië, Iran of West-Azië. Een samengesteld allegaartje: van alle autochtone Europeanen is slechts 10 tot 20 procent nakomeling van de oorspronkelijke volksstammen die hier na de laatste ijstijd binnentrokken.

Hoe dat zo is gekomen? Het lijkt erop dat de grote vermenging in de Nieuwe Steentijd plaatsvond (in noordwest-Europa: ongeveer 6000-2200 v. Chr.), zo schrijft deze week een onderzoeksteam rondom de flamboyante Duitse steentijdarcheoloog Harald Meller in Science. Sterker nog: de nieuwkomers hebben niet alleen onze genen, maar ook onze culturen vormgegeven.

Het team van Meller lichtte de afgelopen jaren de genetische profielen door van 562 prehistorische skeletten, en zet die deze week uit op een opmerkelijke tijdlijn: telkens als er een nieuw volk opdook, hing dat samen met de opkomst van een nieuwe cultuur, met nieuwe voorwerpen en leefwijzen of anders gevormd aardewerk. Alsof ieder volk zijn eigen slimmigheidjes meenam.

Het was lang taboe om zulks te beweren, legt de Leidse hoogleraar Europese prehistorie Harry Fokkens uit. 'Vroeger was alles migratie', schetst hij. 'Bij iedere nieuwe cultuur die archeologen vonden, dachten ze meteen dat er een nieuw volk in het spel was.' Totdat nieuwe dateringstechnieken gehakt maakten van die 'migratietheorie'. Cultuur is immers iets wat mensen ook gewoon op elkaar overdragen, zo werd in de liefdevolle jaren zestig en zeventig het leidende paradigma. 'Maar ik ben bang dat we er niet aan ontkomen dat er toch meer aan de hand was', zegt Fokkens nu.

Het nieuwe Duitse onderzoek, het meest omvangrijke in zijn soort tot dusver, zet die kijk stevig aan. Op een filmpje waarin Meller en zijn consortium hun bevindingen samenvatten, spoelen de bevolkingsgroepen als kleurige inktvlekken over Europa, golf na golf, een mengsel van culturen en invloeden uit alle windrichtingen. 5500 jaar v. Chr.: een toestroom van stammen uit vermoedelijk Anatolië en het Midden-Oosten, tijdens de opkomst van de bandlineaire cultuur en de eerste landbouw. Rond 4000 v. Chr.: een volksverhuizing vanuit Duitsland naar Scandinavië, tien eeuwen later gevolgd door een beweging de andere kant op. 2800 v. Chr.: een plotse invasie vanuit het oosten, die gepaard ging met de opkomst van de zogeheten touwbekercultuur.

Centraal station

Zo kwam er om de haverklap een nieuw volk aanwaaien, met een nieuwe culturele invloed, nieuwe technieken, en een nieuwe 'haplogroep' - zoals bevolkingsgroepen in de genetica heten. West-Europa leek het centraal station wel. 'We zijn geen simpel mengsel', zegt Mellers eerste auteur, promovendus Guido Brandt, aan de telefoon. 'Onze studie laat zien dat het beeld veel complexer is dan: de landbouw kwam uit het Nabije Oosten, en toen werden we allemaal boeren.'

Het is een stelligheid die overigens niet iedereen kan bekoren. 'De populatie werd geleidelijk diverser', beaamt Leendert Louwe Kooijmans, emeritus hoogleraar prehistorische archeologie in Leiden. 'Maar om dat nou op te hangen aan afzonderlijke gebeurtenissen en migratiegolven, dat vind ik een beetje ouderwetse Duitse archeologie.' Fokkens heeft soortgelijke bedenkingen - zo wijst hij erop dat de Duitsers wel erg gemakkelijk beweren dat de zogeheten klokbekercultuur uit Spanje kwam - maar is toch ook gefascineerd. 'Je vraagt je af hoe zoiets gaat. Komt er soms een migrant aanlopen die zegt: je kunt je aardewerk beter zó maken?'

Waarschijnlijk ging het geleidelijker, weet Fokkens natuurlijk ook wel. In de vroege dagen van de landbouw ontstonden er bijvoorbeeld mengvormen: 'Hazendonk en de Vlaardingencultuur waren waarschijnlijk boeren met een sterke jachtcomponent. En de Swifterbantcultuur (in onder meer het noordoosten van Nederland, ongeveer 5000-3400 v. Chr.) waren in feite jagers-vissers-verzamelaars met een koetje en een beetje graan.'

In andere gevallen hield men er soms gewoon twee gescheiden werelden op na. Zo bedreef de bandkeramische cultuur in Zuid-Nederland dik 5.000 jaar geleden al landbouw, terwijl de Vlaardingencultuur een paar duizend jaar later nog overwegend stoelde op visvangst, jacht en verzamelen. Ook in Frankrijk en België leefden oud en nieuw lange tijd naast elkaar.

Collega's van Meller en Brandt kwamen gisteren per snelpublicatie op de website van Science met een ander intrigerend voorbeeld. Soms haalden de oude Europeanen hun schouders op over die malle nieuwkomers - en hielden ze stug vast aan hun eigen gebruiken, pal onder de neus van de immigranten.

Dat is althans het beeld dat volgens archeologe Ruth Bollongino van de Johannes Gutenberg Universiteit in Mainz opdoemt uit een grot genaamd Blätterhöhle. Die grot - in feite niet meer dan een nauwe spleet in een rotswand nabij Essen - lag bij ontdekking mudvol botten van herten, dassen, zwijnen. En van de steentijdmensen die er een goede vier- a vijfduizend jaar geleden woonden. 'Graven hebben we er nooit gevonden', vertelt Bollongino. 'Alles lag door elkaar, de grot was eeuwenlang omgewoeld door wilde dieren. We weten niet eens of de mensen hier wel werden begraven, of gewoon op de grond gelegd. Het enige dat we redelijk zeker weten, is dat men de doden hier heeft binnengebracht.'

U en H

Het vervolgonderzoek leek een routineklus. Samen met collega's van onder meer het Max Planck Instituut voor Evolutionaire Antropologie slaagde Bollongino erin minieme beetjes dna van 29 individuen uit de botten te isoleren. Genoeg om het haplotype te bepalen, de 'familiecode' van de doden. De oudste geraamten droegen het haplotype 'U' dat hoort bij jagerverzamelaars; bij de meer recente doden zaten behalve U-mensen ook leden van bevolkingsstam 'H', een importgroep die in verband staat met de eerste boeren. Helemaal volgens het boekje: zo'n 5.500 jaar geleden introduceerden nieuwkomers uit waarschijnlijk Anatolië de landbouw, en ging men boeren.

Alleen: dat was niet wat Bollongino zag toen ze de tanden van de doden bestudeerde, om te achterhalen wat ze zoal aten. De 'H-mensen' aten typisch boerenkost, bleek daaruit, zoals granen en vlees van boerderijdieren. Maar de 'U-mensen' aten vooral vis. Zelfs toen de landbouwrevolutie al tweeduizend jaar gaande was, vertikten de oorspronkelijke 'U'-bewoners het kennelijk om ook een akker te beginnen, constateert Bollongino. Ze werden visser-jager-verzamelaars.

'Heel vreemd', zegt ze desgevraagd. 'Deze mensen deelden duizenden jaren lang hetzelfde gebied met de boeren, dezelfde dodengrot zelfs, en toch hielden ze vast aan een heel andere leefstijl. Alsof je vandaag midden in het moderne Europa mensen ontdekt met dezelfde leefstijl als aan het begin van de jaartelling.'

Fokkens en Louwe Kooijmans hebben twijfels - zo valt op het voedingsonderzoek veel af te dingen - maar Fokkens beaamt wel dat het beeld past bij wat archeologen al dachten. 'Ze zullen ruilhandel hebben bedreven', oppert Bollongino, verwijzend naar moderne etnografische studies in Afrika en op de Filippijnen van jagers en boeren die in elkaars buurt leven. 'Wij een mand met graan van de akker, jullie vanavond verse vis of pas gevangen hert op tafel.'

Zo begint de Nieuwe Steentijd, ooit een amorfe prehistorische mist die zich uitstrekte over enorme gebieden en tijdvakken, warempel steeds meer op gewone geschiedenis te lijken, met afzonderlijke volkeren, leefstijlen en vooral heel veel plaatselijke verschillen. 'Allerlei dingen die we veronderstelden, beginnen handen en voeten te krijgen,' zegt Louwe Kooijmans.

TERUGPUZZELEN

Zoals een achternaam of een woord met de tijd soms iets van schrijfwijze kan veranderen, zo verspringt ook ons dna af en toe een letter. Soms gebeurt dat op stukken dna die een functie hebben, maar vaak ook vinden de mutaties plaats op plekken zonder betekenis. Dat is interessant voor het afstammingsonderzoek. Omdat zulke 'loze plekken' niet onder selectiedruk staan, kun je er de geschiedenis van het dna uit afleiden - ongeveer zoals je kunt terugpuzzelen dat de achternaam Janssen zich ooit misschien heeft afgesplitst van de familie Jansen.

Populair is het 'mitochondriale dna', erfelijk materiaal dat niet in de celkern zit maar in celonderdelen genaamd mitochondriën, en dat iets gemakkelijker uit oude botten en tanden is te halen. Dit 'mtdna' zit niet in zaadcellen, en gaat daarom alleen over van moeder op dochter: het markeert dus de vrouwelijke afstammingslijn, van moeder op dochter op kleindochter.

Groepen die dezelfde genetische mutatie dragen en dus in dezelfde bloedlijn vallen, vormen een 'haplogroep', in de regel aangeduid met een letter. In Europa is bijvoorbeeld 10 procent drager van een mutatie waardoor ze in haplogroep 'K' vallen: de mutatie moet zo'n 16 duizend jaar geleden zijn ontstaan, vermoedelijk in het Nabije Oosten.

undefined

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden