EUROMANIA Engeland valt van zijn voetbalgeloof af

Dertig jaar geleden organiseerde Engeland voor het laatst een groot voetbalevenement. Onder leiding van bondscoach Alf Ramsey werden de Engelsen in 1966 wereldkampioen....

De ultieme revanche van Glenn Hoddle, na dit Europees kampioenschap de nieuwe Engelse bondscoach: bij de eerstvolgende friendly van de nationale ploeg plaatst hij zichzelf, heel geniepig, als speler/manager op het wedstrijdformulier.

Gewoon, alsof de tijd stilstaat, dat gevoelen waar de Engelsen toch al weinig moeite mee hebben. Hoddle wordt weer speler/manager; dezelfde functie die hij tot vorig jaar bij Chelsea had en die straks op Stamford Bridge door Ruud Gullit wordt vervuld.

Ha, daar besluit de bondscoach zichzelf te laten warmlopen. De blazer gaat uit, het tailor-made overhemd, de stropdas. Plots is het witte voetbalshirt van de nationale trots zichtbaar. Wembley explodeert van vreugde als Hoddle in de 76ste minuut de wisselbordjes ophoudt en zichzelf een kwartiertje speeltijd gunt. Toch nog een cap!

Nooit mocht Glenn Hoddle met de nationale ploeg meedoen. Nooit. De werkelijkheid gebiedt te zeggen dat de man met de slungelige tred en de gevoelvolle trap in het linkerbeen nog altijd 53 keer het nationale shirt mocht aantrekken ' het shirt dat hij vervolgens nonchalant over de broekband liet wapperen ' maar die 53 caps heb ik verdrongen.

De liefhebber van mystificaties heeft weinig op met feiten.

Nee, voor ons, voetballiefhebbers aan de andere kant van de Noordzee, heette het dat Hoddle altijd door de Engelse bondscoach werd gepasseerd. Hoddle was namelijk te goed, liet zelden een bal van zijn voet springen, kon het spel vertragen wanneer dat wenselijk was en had regelmatig last van creatieve oprispingen.

Op een genie kun je niet bouwen, bromde de Engelse bondscoach. Bij de Bank of England werken geen speculanten, gromde diens opvolger.

Steeds maar weer werd Hoddle niet geselecteerd en bij al die absenties werd hij voor ons alleen maar beter en beter. De man die nooit speelde werd de beste speler aller tijden. De belichaming van die universele buurjongen, dat onbeschrijflijk grote talent, die Johan Cruijff tot een prutsertje deed verbleken. Maar ja, door de trainers over het hoofd gezien, he.

En elke avond als de nationale ploeg van Engeland weer heerlijk aan het knoeien was in een morrend Wembley, waar onophoudelijk het f-word van de tribunes op het veld neerdaalde, streelde elders in Londen een goddelijk talent de bal. Op een hobbelig oefenveldje van de Spurs, liefst in de motregen en onder haperend kunstlicht. De onbegrepen Glenn Hoddle.

In 1987 nam hij de wijk naar Monaco om dat tot dan toe onbeduidende ploegje uiteraard onmiddellijk kampioen van Frankrijk te maken.

Nimmer reisde de Engelse bondscoach naar Frankrijk. En wij, voetbalkenners op het continent, aldoor foeteren op het gebrek aan inzicht bij de verantwoordelijken, op dat hemeltergende tekort aan gevoel voor her- en erkenning van Åchte klasse.

Maar nooit werd het een oprechte klaagzang. Want van binnen juichte ik. O, heerlijk koppige Engelse bondscoaches.

Nu dreigt er een ramp. De Engelsen willen 'Europees' gaan voetballen. God bewaar me. Alles wat uit Brussel of Straatsburg komt, alles wat maar een klein beetje ruikt naar Europese uniformering doet ze gruwen en brengt onmiddellijk die welbekende melange van verregaande arrogantie en eilandelijke bekrompenheid in ze naar boven ' benevens uitstekende grappen natuurlijk ' maar als het om voetballen gaat staat 'Europees' ineens voor het sleutelwoord tot succes.

We moeten wel he, meneer, want anders missen we de boot. Gruwelijke zin.

Je kunt geen Engelse manager meer aanspreken of hij begint ook al over knijpende backs, inschuivende voorstoppers, verdedigende schaduwspitsen, driehoekjes, meevoetballende doelmannen. Nergens een spoortje van Euro-scepsis te bekennen.

Zou Ajax, in een uiterste poging om alsnog als 'nationaal-gedragen' te worden beschouwd, MVV tot satellietclub maken, dan is er althans één Engelse beroepsgroep die de naam 'Maastricht' liefdevol uitspreekt als betreft het een bedevaartsoord; voetballers, hun managers en alles wat daarmee samenhangt.

Gary Lineker, de voormalige spits van het Engelse elftal, maakte niet zo lang geleden voor de BBC-televisie een reportage over de 'Ajax-school' en berichtte vanuit Amsterdam de hemel te hebben ontdekt.

Bij Aston Villa menen ze recentelijk te hebben begrepen waarom Engelse clubs in de Europese krachtmetingen zo vaak de verliezers zijn. Engelse voetballers gooien de avond tevoren nog rustig een paar liter bier naar binnen, waar de tegenstanders zich aan een sportmaaltijd zetten. Dat moesten we ook maar eens doen, opperde de clubleiding van Villa.

Nee toch? Hoe moet het nou met Paul McGrath, het boegbeeld van Villa, de man met de zwaar gebutste benen en het door drank getekende hoofd?

In de schitterende sportboekhandel Sports Pages, gevestigd in een zijstraatje van het Londense Charing Cross, staan tegenwoordig hele schappen vol met wetenschappelijke verhandelingen over het dreigende failliet van het Engelse voetbal en de zegeningen van de continentale speelwijze. Alles wat er op de velden van het vasteland gebeurt wordt in die 'studies' gemakshalve op één hoop gegooid: ach, ach, wat zijn de uitvinders van het voetbal toch enorme brekebenen in vergelijking met de kunstenaars op het vasteland.

Terzijde: het is niet eens waar dat de Engelsen het voetbalspel hebben uitgevonden. Dat waren uiteraard de Chinezen ' Tsu Chu heette de oervorm van drie eeuwen voor Christus ' zoals dat volk, als je maar lang genoeg doorgraaft, alle sporten heeft uitgevonden. Maar Engelsen doen nu eenmaal per definitie alsof zij alles hebben uitgevonden.

Wie de prentkaartenserie van het komende EK tot zich neemt, vergeeft ze deze zonde tegen de historie. Op een van die kaarten zien we een groepje jongens van pakweg tien, twaalf jaar, gefotografeerd tegen een treurig stemmende achtergrond die onmiddellijk naar Coronation Street doet verlangen. Verenigd in snottebellen, afgetrapte schoenen en een lederen bal.

Football comes home, adverteert de Football Association. Vals sentiment, wat u zegt, maar o zo lekker.

En nu moet dus plotseling alle heil van elders komen, waar de Engelsen gewoon zijn zich nimmer aan te passen!

Het zal toch niet waar zijn? Dat de target man, type bonkige spits van rond de één meter negentig, op het nippertje een rugbyloopbaan misgelopen en toen maar voetballer geworden, verdwijnt?

Dat de head on a stick, het koosnaampje voor het archetype van de Engelse centrumverdediger, doorgaans ook geen kleine jongen, eveneens bijna-rugbyer, verdwijnt?

Fulham FC, van 1879, heeft in zijn achterste linie nog zo'n klassieke uitgave van de head on a stick. Terry Angus heet hij, deze rots in de branding van de tweede divisie-club. Wonderlijk eigenlijk, dat Fulham nog over zo'n centrumverdediger-oude-stijl beschikt; de Londense club wordt geleid door voorzitter Jimmy Hill, de BBC-analyticus met de grote kin die in zijn tv-optredens geen gelegenheid onbenut laat om de Engelse speelstijl als hopeloos achterhaald af te doen. Om vervolgens iedere buitenlander in het Engelse voetbal Maradona-achtige capaciteiten toe te dichten.

Gullit geeft een risicoloos balletje breed: Oooh, the touch of a genius!

Ginola sukkelt voorbij zijn aan de grond genagelde tegenstander: Look at the pace! Marvelous!

Asprilla legt een boogballetje dood op de borst: Such a terrific skill!

Terry Angus zal deze zaterdagmiddag in Fulhams stadion Craven Cottage een onuitwisbare indruk maken. De hoger geklasseerde gasten uit Plymouth hebben de lepe spits Adrian Littlejohn in de gelederen, een getructe doelpuntenmaker met ervaring in de Premier League, en Angus is overduidelijk geònstrueerd dit gevaar in de kiem te smoren.

Terry Angus, een imposant gebouwde neger die zo in de verte wel wat wegheeft van bokser Frank Bruno, blijkt van het soort centrumverdedigers waarop een coach kan bouwen. Als de tegenstander ook maar even gevaarlijk dreigt te worden stort Angus zich in het gewoel, met gevaar voor eigen en vooral vijandelijke ledematen. Zijn de stofwolken eenmaal verdwenen, dan blijkt Angus verrassend vaak de situatie meester.

En hupsakee, daar wordt de dreiging weer afgewend met een enorme lel richting de nabijgelegen Thames.

En hupsakee, daar rolt vanaf de tribunes een zoveelste blijk van waardering voor Angus' doortastendheid.

Fulham-fans houden van Angus, zoveel wordt wel duidelijk. Bij al dat applaus is het moeilijk jezelf niet als een bescheiden uitgave van Milans Baresi te gedragen. Angus bezwijkt voor de verleiding. In de loop van de wedstrijd wordt de borst tot een pantser, en als een veldheer wijst Angus zijn manschappen op gaatjes in de afweer.

Littlejohn wordt gewisseld, Fulham wint met 4-0. Plymouth druipt af en bij het verlaten van het veld heeft de borstkas van Angus onmetelijke proporties aangenomen. Misschien heeft hij geluk en waren er deze middag vertegenwoordigers van grote clubs uit de Premier Division op de tribune.

Steve Coppell, de voormalige aanvaller van Manchester United, verzuchtte onlangs dat het dan wellicht waar moge zijn dat het Engelse voetbal, in kwalitatief opzicht, geen bloeiperiode doormaakt, maar dat het vanuit commercieel oogpunt bezien wel degelijk een succesvol produkt is. En zo is het.

De stadions stromen vol, de sponsors staan in de rij, de merchandising van clubartikelen heeft een enorme vlucht genomen, de tv-stations zijn bereid astronomische bedragen neer te tellen voor de uitzendrechten. Engels voetbal is 'hot' en uit alle delen van Europa trekken voetballers naar het eiland.

Die buitenlandse invloed dreigt ieder vertrouwen in eigen kunnen zo langzamerhand te doden; volgens traditie vormen de Engelsen zelf de grootste bedreiging voor hun eigen 'produkten', dus ook voor het voetbal, het aloude 'kick-and-rush'.

Engelsen zijn kampioenen in zelfbevlekking. Nu het nationale zelfaanzien zo ernstig op de proef wordt gesteld door het verval van samenbindende elementen ' aan oorlogen doet de westerse wereld nog maar mondjesmaat, in cricket en rugby wordt Engeland ook al verslagen en bij de Windsors is het evenmin een vrolijke bedoening ' kan BBC's Jimmy Hill uitgroeien tot de voorzanger van een onmetelijk koor van klagers.

Maar gaat het dan zo vreselijk slecht met het Engelse voetbal?

Het is ontegenzeggelijk waar dat Engelse ploegen met name in tactisch opzicht zijn achtergebleven bij ploegen van het vasteland. De kwetsbaarheid schuilt vooral in de verdediging. Altijd wordt er op één lijn gespeeld en altijd zijn de backs onhandige stuntelaars in de opbouw. Als een vleugelverdediger er al aan zou denken langs subtiele weg een oplossing te vinden, wordt hij vanaf de zijlijn en de tribunes wel gecorrigeerd: kick it out, kick it out, give it deep!

En dus speelt de back de bal 'in the channel': met een enorme ros gaat de bal rechtdoor, naar voren. Terreinwinst! Het heeft iets aandoenlijks, dit rugby-element in het Engelse voetbal.

Zeker, in de Europa Cup-toernooien doen de Engelse ploegen het niet best. De vijf jaar durende uitsluiting ' als gevolg van het Heizel-drama ' laat nog altijd haar sporen na. En Engelse ploegen hechten zoveel belang aan hun nationale competitie (en bekertoernooien) dat die Europese wedstrijden slechts bijzaak zijn.

In Nederland wordt nogal eens geschamperd over de kwaliteit van het Engelse voetbal. Wie de meest recente ontmoetingen tussen beide nationale teams nog eens voor de geest haalt moet tot de conclusie komen dat enige prudentie op zijn plaats zou zijn.

Tijdens het EK van 1988 won Nederland met 3-1, dank zij enkele bevliegingen van Van Basten, maar Engeland domineerde. Tijdens het WK van 1990 werd het een schaakspelletje (0-0) met de beste kansen voor Engeland. Tijdens beide kwalificatiewedstrijden voor het WK van 1994 zwijnde Nederland. Op Wembley (2-2) had Engeland dik moeten winnen, in Rotterdam (2-0) werd Nederland door de scheidsrechter gered.

Zo bezien wordt het hoog tijd dat de schlemielen van het Europese voetbal eens een bofje hebben.

Laat de geschiedenis zich maar herhalen: dertig jaar geleden was Engeland voor het laatst de gastheer van een groot voetbalevenement en dertig jaar geleden won Engeland voor het laatst een grote prijs. Dat moest maar weer eens gebeuren. Liefst met dat zogenaamd inferieure kick-and-rush. Liefst met het grote talent Steve McManaman als bankzitter.

Marcel van Lieshout

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden