Eugenetica in de polder

Gaan we onze kinderen straks op maat maken via genetische manipulatie? Die vraag leidde tot heftig debat op de website van de Volkskrant....

DE TERM eugenetica (de leer der 'goede' genen) is bedacht door Francis Galton. In 1883 beschreef deze Britse geleerde in Inquiries into human faculty welke eigenschappen 'toekomstige geslachten verbeteren of doen achteruitgaan - zowel op lichamelijk als op geestelijk gebied'. Galton onderzocht stambomen en kwam tot de conclusie dat intelligentie, ijver en karakter erfelijk waren.

Galton behoorde tot de sociaal-darwinisten, een gemêleerd gezelschap wetenschappers dat Darwins theorie van the survival of the fittest (1859) probeerde toe te passen op sociale vraagstukken. Zo zocht Galton een biologische verklaring voor de maatschappelijk ongelijkheid in het Victoriaanse Engeland.

Die verklaring vond hij niet bij Darwin, maar bij August Weismann. Deze Duitse geleerde onderzocht welke eigenschappen erfelijk waren en welke niet. Daartoe knipte hij van 22 generaties muizen de staart af. Toch kwam ook de 23ste generatie weer met staart ter wereld.

Weismann concludeerde dat er in de cellen een onveranderbaar 'kiemplasma' aanwezig moest zijn dat van ouder op kind werd doorgegeven. Galton zag daarin de bevestiging van zijn stamboomonderzoek. Het kiemplasma bepaalde in zijn ogen ook het karakter van het kind. Samen met andere eugenetici wilde hij die kennis gebruiken voor het verbeteren van de maatschappij. Het geloof dat de exacte wetenschap grote maatschappelijke veranderingen teweeg kon brengen, was in de 19de eeuw wijdverbreid.

De eugenetici beschikten over twee instrumenten. De positieve eugenetiek probeerde de genetische 'plusvarianten' ertoe te bewegen elkaar op te zoeken om zo de goede genen te behouden. De negatieve eugenetiek moest de verspreiding van 'giftig kiemplasma' tegengaan, bijvoorbeeld door 'minusvarianten' een huwelijksverbod op te leggen of hen onder dwang onvruchtbaar te maken. Je zou haast vergeten dat het hier over mensen gaat.

Eind 19de eeuw sijpelde het eugenetisch gedachtegoed door in Nederland. In 1897 hield de bioloog C.J. Wijnaendts Francken een vurig betoog voor een huwelijksverbod voor 'paupers'. Medische vooruitgang was mooi, maar had wel tot gevolg dat 'het gemiddeld peil van rasgezondheid' daalde en 'de physieke degeneratie van ons geslacht' toenam. Later voegde hij 'syfilislijders, krankzinnigen, zelfmoordenaars, idioten, doofstommen, dronkaards en criminelen' aan zijn lijstje minusvarianten toe.

Ook de etnoloog S.R. Steinmetz, bekend geworden als grondlegger van de academische sociologie in Nederland, maakte zich zorgen over de verspreiding van de genen van kranzinnigen en teringlijders. Niet alleen de volksgezondheid was in het geding. Hij vreesde ook de teloorgang van vooruitgang en beschaving. Steinmetz trad niet in detail over het inperken van de voorplanting van 'misdadigers, armen, invalieden en krankzinningen'. Maar zijn beroep op 'medelijden' met de minusvarianten klonk onheilspellend: 'Onze deernis met de zwakken moet de toepassing voor hen zo weinig pijnlijk mogelijk maken.'

Begin 20ste eeuw groeide de belangstelling voor het eugenetisch gedachtegoed. Anders dan vaak gedacht wordt, was eugenetica vooral populair in progressieve kringen. Onder de aanhangers bevonden zich veel sociaal-liberalen, socialisten en feministen. Hoe gangbaar eugenetische denkbeelden toen waren, blijkt ook uit het werk van Jan Rutgers. De man naar wie de Rutgers Stichting is vernoemd, propageerde het gebruik van voorbehoedmiddelen om overbevolking te voorkomen. In Rasverbetering en bewuste aantalsbeperking (1923) legde hij uit dat het gebruik van condooms ook het erfelijkheidsvraagstuk kon oplossen.

Maar in Rutgers' milde variant van de eugenetica was geen plaats voor dwang. De zwakkeren in de samenleving zouden zelf het nut van voorbehoedsmiddelen wel inzien: 'Want wie is er die ziekelijke of gebrekkige kinderen verlangt?'

Naast erfelijke factoren benadrukte hij ook de invloed van opvoeding en scholing. Rutgers onderschreef Weismanns theorie van het kiemplasma. 'Maar gaat men temperament, genialiteit, humeur, verstand, kunstvaardigheid, enz. enz. ook als overgeërfd voorstellen, dan waagt men zich wel wat ver.'

De jaren twintig brachten een hausse aan eugenetische clubjes. Onder invloed van de Eerste Wereldoorlog en de economische crisis werd de toon onheilspellender. Eugenetica en cultuurpessimisme gingen hand in hand. Steeds meer eugenetici zagen het ingrijpen in de menselijke voortplanting als enig middel om maatschappelijke degeneratie te keren.

Exemplarisch is het boek Erfelijkheid bij den mensch en eugenetiek uit 1926. Daarin openbaarde eugenetica Marianne van Herwerden 'ontstellende cijfers' over 'de menschelijke verwording'. Vooral de erfelijke zwakzinnigheid moest het ontgelden. 'Ze woekert voort onder een normalen verschijningsvorm, ze schept een minderwaardige, dikwijls mensch-onwaardige omgeving. Zwakzinnigheid leidt tot depravatie, tot prostitutie, tot misdadigheid.'

Kolonies voor minusvarianten waren volgens Van Herwerden een goede manier om 'de uitzaaiing van het defecte kiemplasma' tegen te gaan. Een 'voortreffelijk' voorbeeld was het Deense eiland Sprongö, waar 'erotisch imbeciele meisjes' in afzondering van het andere geslacht hun leven moesten slijten. In 1934 ging G.P. Frets een stap verder. Hij zag in bijzondere gevallen geen andere uitweg dan gedwongen sterilisatie.

Ondanks deze retoriek had de eugenetica in Nederland weinig invloed op de politiek. Dat concludeert ook historicus Jan Noordman die in 1989 promoveerde op het proefschrift Om de kwaliteit van het nageslacht. Als voornaamste reden noemt hij de burgerlijke cultuur van predikanten en schoolmeesters. 'Dat bolwerk liet zich niet door een handvol eugenetici slechten.'

Ook de machtspositie van de katholieken in de Tweede Kamer was van belang. De kerk verbood immers iedere vorm van geboortebeperking. Voorts speelde de verzuiling de eugenetici parten. Gezinsaangelegenheden waren een zaak van levensbeschouwing. Volgens het principe 'soevereiniteit in eigen kring' had de staat daarover geen zeggenschap.

Anders dan in Amerika en Scandinavië werd in Nederland nooit een sterilisatiewet of huwelijksverbod afgekondigd. Zelfs op het hoogtepunt van de economische crisis hield de politiek zich verre van negatieve eugenetische maatregelen.

Positieve eugenetica werd wel toegepast. In 1934 was de Wieringermeer rijp voor kolonisatie. De overheid wilde een invasie van werklozen in het nieuwe land voorkomen. Door 'preventieve zifting' moest een 'modelbevolking' worden geschapen. Potentiële polderbewoners moesten vragenlijsten invullen over erfelijke aandoeningen in de familie. Inspecteurs controleerden of de huisvrouw wel zuinig en netjes genoeg was. Eugenetica in de polder, Hollandser kon bijna niet.

De kolonisatie werd nauwlettend gevolgd door een groep wetenschappers, onder wie prominente eugenetici als Frets. Zij zagen in de Wieringermeer een ideale proeftuin voor het bestuderen van erfelijkheid. Zo wilde antropoloog Tjeerd Piebenga van iedere kolonist de schedel meten. Veel polderbewoners weigerden deelname en het onderzoek liep op niets uit.

Niet toevallig werd Piebenga later lid van de NSB. De eugenetica had zich stevig genesteld in de nationaal-socialistische rassenleer. De verschrikkelijke gevolgen zijn bekend. Gedwongen sterilisatie was in het Derde Rijk dagelijkse praktijk. Daarnaast voerden de nazi's de negatieve eugenetica tot haar uiterste consequentie door. Geestelijk gehandicapten werden op grote schaal vermoord.

Na de Tweede Wereldoorlog was de term eugenetica besmet. Maar eugenetische ideeën waren niet geheel verdwenen. Nog in 1953 wilde PvdA-Kamerlid J. Zeelenberg een geneeskundig onderzoek voor het huwelijk verplicht stellen. Een meerderheid van de Tweede Kamer wees het voorstel af.

In de jaren zestig en zeventig werd weinig meer vernomen van de eugenetica. Het denken over de maakbare samenleving werd het alleenrecht van de sociale wetenschappen. Wie toch onderzoek poogde te doen naar biologische verklaringen, kreeg de wind van voren, zoals de criminoloog Wouter Buikhuisen ondervond.

Maar ook het geloof in de maakbare samenleving was geen lang leven beschoren. Ondanks de sociaal-wetenschappelijke bemoeienis namen maatschappelijke problemen eerder toe dan af.

Ondertussen was in 1953 de structuur van de genen ontrafeld. Het kiemplasma van Weismann heette voortaan DNA. Een halve eeuw later is het menselijk genoom in kaart gebracht en wordt er gediscussieerd over de baby-op-bestelling.

Een opleving van de eugenetica dus? Op het eerste gezicht lijkt dat vergezocht. De discussie gaat meer over individuele beslissingen van aanstaande ouders dan over 'rasverbetering'. Maar wie iets verder kijkt, ziet wel overeenkomsten tussen het huidige vertrouwen in de exacte wetenschap en het vooruitgangsgeloof van de 19de eeuw. Net als toen worden biologische argumenten losjes gebruikt in het maatschappelijk debat. Ook nu worden allerlei eigenschappen zonder wetenschappelijk bewijs als erfelijk bestempeld. Agressie-, prestatie-, intelligentie- en homo-gen passeerden reeds de revue.

En de wetenschappers? Die kwamen zojuist tot de conclusie dat de mens veel minder genen heeft dan werd aangenomen. Ook vooraanstaande genetici geven toe dat niet alles terug is te voeren op de genen. Omgevingsfactoren zijn minstens zo belangrijk. Jan Rutgers krijgt alsnog gelijk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden