Analyse Etnisch registreren

Etnisch registreren: de voors en tegens ontleed

Moeten we etniciteit nou wel of niet registreren? Zonder data geen onderzoek, zeggen voorstanders. Tegenstanders vrezen voor politiek misbruik. ‘Het is natuurlijk koren op de molen van de ‘minder minder Marokkanen-types’, zegt criminoloog Jan Dirk de Jong. En wat heeft de aanpak van risicogroepen in het verleden opgeleverd?

Een bestuurder wordt gefouilleerd tijdens een controle naar ondermijnende criminaliteit door de politie in samenwerking met het OM en de douane. Beeld ANP

Etnisch registreren, waarom wel?

Als het aan onderzoeker Albert Boon (Lucertis/De Jutters en de afdeling kinder- en jeugdpsychiatrie van de Universiteit Leiden) ligt, weten we voortaan van elke verdachte, aangehoudene of veroordeelde wat zijn of haar geboorteland is, dat van de ouders en liefst ook dat van de grootouders. ‘Net als in de VS.’

Een voorbeeld: het CBS koppelt anoniem de BSN-gegevens van jongeren die na een klein vergrijp bij Bureau Halt belanden aan herkomst. Wat blijkt: jongens van Marokkaanse komaf zien ze bij Bureau Halt zelden, zo schrijven Boon en zijn medeonderzoekers in hun studie die donderdag in het Tijdschrift voor Criminologie verschijnt.

‘Een afhandeling via Halt is bedoeld ter voorkoming van een strafblad’, zegt Boon. ‘De voorwaarde is dat je schuld bekent en spijt betuigt. Vermoedelijk doen Marokkaanse jongens dat niet vanwege de schaamtecultuur. Zij zwijgen liever en ondergaan de straf liever dan dat ze spreken. Zoiets laat toch zien dat je voor verschillende groepen een andere aanpak nodig hebt? En dat weet je dus alleen als je die informatie hebt.’

Taboeloze wetenschap

Toen het CBS in de jaren negentig besloot om de gegevens van geboorteland en dat van de ouders te koppelen aan politiestatistieken, kwam daar veel kritiek op. Ook van academici, zegt Marion van San (Risbo, Erasmus Universiteit Rotterdam). Onterecht, vindt ze. ‘Ik geloof erg in taboeloze wetenschap. Als een groep een probleem is, dan moet je dat toch haarfijn uitzoeken.’

Van San is ook vóór registratie van herkomst. ‘Liefst tot in de derde generatie. Want dan kun je ook de ontwikkelingen bestuderen. Dat is lastig, maar niet onmogelijk.’ Ze deed in de jaren negentig onderzoek naar criminaliteit onder Antilliaanse jongeren. ‘Ik geloof niet dat je crimineel gedrag alleen kunt verklaren aan de hand van wijk, opleidingsniveau en arbeidsmarktkansen. Het geboorteland en daarmee de groep waarin jongeren hun vrienden en gelijken vinden, speelt absoluut een rol.’

In de Antilliaanse gemeenschap werd geweld en het dragen van messen genormaliseerd en goedgepraat door moeders, zegt Van San. ‘De gezinsomstandigheden waren heel specifiek: afwezige vaders, zonen die geld voor het gezin wilden verdienen en dan de drugshandel vanuit Curaçao die als een serieuze route voor economische verbetering werd gezien, ook door de moeders. Hele families leefden daarvan. Als je daarin opgroeit, is het heel lastig om je eraan te onttrekken.’

Volledige etnische registratie heeft nooit bestaan in ons land. Dat is emeritus-hoogleraar criminologie en antropologie Frank Bovenkerk (Universiteit Utrecht) – oudgediende in het onderzoeksveld – altijd een doorn in het oog geweest. ‘Je kunt alleen iets aan ongelijkheid doen als je die eerst in kaart kan brengen’, zegt Bovenkerk. ‘Eerst was het te rechts om dat te zeggen en nu hebben we een minister-president die zegt dat ‘ze’ maar normaal moeten doen. Die heeft de stekker uit elke vorm van doelgroepenbeleid getrokken.’

Bovenkerk: ‘Ik pleitte al in 1988 voor etnische registratie, maar er gebeurt niks. Of ik daar cynisch van ben geworden? Nee, dat niet. Mismoedig wel.’

Etnisch registreren, waarom niet?

Pas op voor schijninformatie! Het is niet het Marokkaans-zijn dat die jongens crimineler maakt, zeggen statistici als Casper Albers (RUG) of Daniel Lakens (TU Eindhoven). Dit soort data wijst op samenhang (correlatie, in jargon), niet op een causaal verband. Het is ook voor de Leidse hoogleraar criminologie Arjan Blokland het belangrijkste bezwaar tegen het registreren van etniciteit. Blokland: ‘Zo lijkt het alsof etniciteit de verklarende factor is, maar dat is het niet. Tal van risicofactoren komen veel meer bij bepaalde etnische groepen voor, dat betekent niet dat ze crimineel gedrag vertonen omdát ze die etnische herkomst hebben.’

Vergelijk je de groep criminele jongens van Marokkaanse of Caribische herkomst met andere Nederlandse jongens, dan zie je dezelfde risicofactoren terugkeren, volgens Blokland. ‘Een lage sociaal-economische status, opgroeien in een probleemwijk, psychische problematiek, een lastige gezinssituatie, weinig toezicht, problemen op school en bij het vinden van werk.’

Blokland ziet meer heil in het registreren van zaken als gezinssituatie, leefomgeving, scholing en andere ‘wel causale’ oorzaken. Door te veel op etnische herkomst te focussen, blijven mensen hangen in de verkeerde conclusie, vreest Blokland. ‘Dat we dan straks zeggen: die Marokkanen zijn gewoon crimineler omdat ze anders zijn dan wij.’

Huiverig

Ook Jan Dirk de Jong, lector aanpak jeugdcriminaliteit Hogeschool Leiden, staat huiverig tegenover het bijhouden van etnische herkomst. ‘Voor de wetenschap is het wezenlijke informatie, in dat opzicht ben ik een voorstander. Maar we leven in lastige tijden waarin weinig ruimte is voor nuance en wetenschap als ‘ook maar een mening’ aan de kant wordt gezet. Niemand is erbij gebaat als dit onderzoek voer is voor types die ‘minder, minder Marokkanen’ gaan roepen.’

De Jong merkt het aan zijn eigen studenten. ‘Jeugdcriminaliteit wordt al snel gelijkgesteld aan een Marokkanenprobleem. Ze zijn toch gewoon crimineler, denken mensen. Dat beeld zit zo ontzettend ingebakken. Niemand denkt meer dat het vooral de gezinsomstandigheden en slechte buurten zijn.’

Want dat is natuurlijk de echte hamvraag: hoe komt het eigenlijk dat jongeren van bijvoorbeeld Marokkaanse herkomst zo disproportioneel vaak met politie en justitie in aanraking komen? Diepgewortelde sociale achterstelling, luidt het antwoord van Frank Bovenkerk, die daar al sinds de jaren zeventig onderzoek naar doet.

‘Wonen in een mindere buurt, scholen van mindere kwaliteit, een lager schooladvies, geen mondige opgeleide ouders die daar vervolgens iets aan kunnen doen, lagere kansen op de arbeidsmarkt en dan ook nog eens een leefgemeenschapscultuur buiten het gezin op straat. Alles bij elkaar opgestapeld is dat nogal veel’, zegt Bovenkerk, die overigens wel overtuigd voorstander van registratie is.

Hulpverlening

Boon en zijn collega-onderzoekers noemen nog etnisch profileren door de politie, al is ook dat – door ontbrekende cijfers of cijfers op basis van zelfrapportage – lastig te bewijzen. Ook wijst Boon op eerder onderzoek, waarin hij met collega’s aantoonde dat kinderen met een migratieachtergrond ongeveer half zo vaak behandeld worden voor hun psychiatrische problemen. ‘Onbehandelde problemen maken de kans op een criminele carrière groter. Daarom is het belangrijk dat de hulpverlening kinderen met een migratieachtergrond beter bereikt.’

En dan is er nog zoiets als de rol van de vader, volgens Bovenkerk. Een jaar of vijf geleden deed hij onderzoek naar Marokkaanse migranten en hun kinderen in Duitsland en Nederland. In beide landen kampte de eerste generatie in de crisisjaren tachtig met massaal baanverlies. In Nederland kwamen de mannen vervolgens levenslang afgekeurd thuis te zitten, in Duitsland kregen ze na een aantal jaar weer banen. En dat verschil merk je volgens Bovenkerk in de situatie van hun zonen, die het in Duitsland relatief beter doen (meer schooldiploma’s, vaker een baan, minder in criminele circuit) dan in Nederland.

‘Die Nederlandse jongens hadden geen respect voor hun werkloze vaders, ze waren daardoor veel stuurlozer en vatbaarder voor een straatcultuur. Een geslaagde toekomst is niet een baan op de reguliere arbeidsmarkt, maar succes als drugshandelaar. Dat speelt tot op de dag van vandaag door.’

Bovenkerk verbaast zich tot slot over de matige diversiteit in de rechtszaal. ‘Ga maar eens in een rechtszaal zitten: dan zie je allemaal zwarte en bruine jongens die door witte vrouwen worden veroordeeld.’

Drie a’s

Criminoloog Jan Dirk de Jong noemt ‘de sociaal-psychologische effecten van uitsluiting’ doorslaggevend. Hij legde het afgelopen weekend in deze krant al uit. Aan de hand van ‘drie a’s’. De eerste is van ‘arm en achtergesteld’, de tweede is van ‘allochtoon’. ‘De Jong: ‘Nog veel nadrukkelijker dan toen ik tien jaar geleden promoveerde, voelen deze jongens ‘ik ben en blijf een Marokkaan’. Dat geldt trouwens ook voor een groot aantal succesvolle of hogeropgeleide Nederlanders van Marokkaanse komaf die ik ken. De derde ‘a’ is van ‘anders’, zegt De Jong. ‘Deze jongeren komen naar verhouding uit gezinnen met problemen, hebben zelf gedragsproblemen of een lichte cognitieve beperking – dat krijgen ze overal te horen, thuis en op school. Dat zorgt voor een extra gevoel van uitsluiting.’

Behalve op straat. En zo ontstaat een riskante cocktail, zegt De Jong. ‘Hulpverleners komen en gaan, er is eigenlijk maar een constante in hun leven: de groep op straat. Daar voelen ze zich thuis en gezien. En is dat niet wat we allemaal willen, ergens bij horen?’

Wat heeft een etnische aanpak’ in het verleden opgeleverd?

Clubjes die zich speciaal richten op Marokkaanse of Antilliaanse Nederlanders: helpt dat om de criminaliteit te verminderen onder deze doelgroepen? Nee, die gaan het verschil niet maken, daarover zijn de experts het wel eens.

Doelgroepgerichte begeleiding kent een grillig verloop in Nederland. ‘Fragmentarisch en weinig structureel’, noemt criminoloog Marion van San de Nederlandse ‘doelgroepenbenadering’, die haar wortels in de jaren tachtig van de vorige eeuw kent en de laatste jaren steeds verder is ontmanteld.

‘Omdat het niet zou werken’, zegt Van San. ‘Maar niemand kan mij ooit een voorbeeld geven van breed ingevoerde maatregelen die niet gewerkt hebben. Ook niet van maatregelen die wel gewerkt hebben trouwens.’ Doelgroepgerichte begeleiding is volgens de experts, op tal van projecten door gesubsidieerde clubjes, nooit via een groot overheidsprogramma van de grond gekomen vanuit justitie of hulpverlening.

Cultuursensitief

Wat werkt wel? ‘We moeten in alle lagen van hulpverlening, school, politie en justitie cultuursensitief zijn, zegt criminoloog De Jong. ‘En dan niet op de ‘ik vind couscous ook lekker hoor’-manier, maar subtiel.’

En daar zijn bar weinig goede voorbeelden van te vinden, ook internationaal gezien. Wat onderzoekers als De Jong en Van San opvalt is de rol van bepaalde individuen die een interventie laten slagen. Van San noemt het voorbeeld van de boksschool van ‘ome Jan’ (Schildkamp) in het Rotterdamse Hoogvliet. ‘Hij was landelijk bekend in de jaren negentig met zijn aanpak van lastige jongens van allerlei komaf. Het succes van die formule hing sterk samen met de figuur ‘ome Jan’. Zijn betrokkenheid en persoonlijkheid maakten dat jongens met hem wegliepen. Dan werkt zoiets. Maar dat betekent niet dat boksscholen dé oplossing zijn’, zegt Van San.

Een ander voorbeeld is het tienerteam van de Amsterdamse politieagent Rob Raat. ‘Die haalde in de jaren negentig straatjochies uit hun bed met een megafoon om samen te patrouilleren op het Osdorpplein’, zegt Van San. ‘Een enorm succes, maar op het moment dat ze dat concept elders probeerden uit te rollen bleek het niet zomaar te kopiëren. Ook dat succes hing weer samen met de persoon. Raat was een ideale vaderfiguur voor die jongens, streng maar lief.’

De straat op

Jongerenwerker Redouan (30, vanwege het werk met risicojongeren niet met achternaam) herkent dit. ‘Je moet dit werk met heel je hart doen en je moet het aankunnen. Ik was vroeger zelf ook een opgefokt mannetje dat geregeld op de vuist ging. Ik snap de straat en het gevoel dat de rest van de wereld niet op je zit te wachten.’

Hoe Redouan het aanpakt? De jongens laten zien dat hij ze ziet staan en eerlijk zijn. Daar kunnen máánden overheen gaan, waarin hij een beetje met ze kletst. Hij wandelt ’s avonds rond, zoekt de groepjes op. Ze kunnen hem bellen. Iedereen in de wijk kent hem. En eerlijk zijn, zegt de jongerenwerker. ‘Ze weten dat ik met de politie samenwerk. Ik leg uit dat het belangrijk is dat iemand hen vertegenwoordigt, iemand die hen kent.’

Uiteindelijk is zijn doel om in te zoomen op de leider van de groep. En die ‘om te turnen’. ‘Dan volgt de rest van de roedel vanzelf. Die jongens hebben nodig dat iemand zegt, hey je bent gewoon slim, je zou naar het hbo kunnen, je moet je talenten op een andere manier gebruiken, je wilt toch ook niet je hele leven over je schouder blijven kijken?’

Ook Redouan, die in verschillende steden in Zuid-Holland werkt, is een voorstander van het registeren van herkomst. ‘Maar dan wel om de goede redenen. Voor instanties, om gericht werk te kunnen uitvoeren, en niet om te kunnen roepen: zie je wel, het zijn de Marokkanen. Ten eerste zijn die jongens gewoon hier geboren en ten tweede is precies dat soort buitensluiting door de maatschappij een deel van de oorzaak van het probleem.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.