Ethisch vacuum na Eichmann

Toen Hannah Arendt in 1963 haar Eichmann in Jerusalem publiceerde, was het voor menigeen een schok te lezen dat de man op wie de Israëlische geheime dienst jarenlang jacht had gemaakt, geen bloeddorstige massamoordenaar was geweest, maar 'gewoon' een (over)ijverige ambtenaar, die na gedane arbeid 's avonds gezellig aanschoof bij...

Eichmann, de Schreibtischmörder, zoals Arendt hem noemde, was een jaar daarvoor, na een opzienbarende rechtszitting, op 31 mei 1962 in Jeruzalem opgehangen. Harry Mulisch, die bij dit proces aanwezig was, schreef er een van zijn beste boeken over: De Zaak 40/61.

De visie van Arendt sprak niet iedereen aan. In Duitsland was het vooral de dit jaar overleden historicus Golo Mann, de zoon van Thomas Mann, die zich ertegen verzette. Hij schreef, meldt Jeroen Koch in Hollands Maandblad, een vernietigende kritiek op het boek van Hannah Arendt, maar liet haar voornaamste stelling - die van de 'banaliteit van het kwaad' - voor wat zij was. Pas twintig jaar later kwam hij daarop terug.

Een reden daarvoor was dat behalve de zaak zelf ook iets anders Arendt en Mann verbond: ze waren allebei favoriete leerlingen geweest van de filosoof Karl Jaspers, die in het begin van de jaren zestig partij had gekozen voor Arendt en dat zat Mann, ook na jaren, nog steeds niet lekker. Uit de bittere controverse die zich tussen deze drie denkers ontspon, vallen tenminste twee houdingen ten opzichte van de moraal af te leiden. Arendt zag zich, schrijft Koch, 'na haar uiteenzetting over Eichmann geplaatst tegenover een ethisch vacuüm'. Mann verdedigde een traditioneel, negentiende-eeuws standpunt over normen en waarden, het geweten en de menselijke autonomie.

Wie van de twee had gelijk? Jeroen Koch doet daar geen uitspraak over. 'De vraag wie er nu gelijk had', schrijft hij, 'is niet te beantwoorden. Misschien is de vraag ook niet goed te stellen. Te veel was het een botsing van verschillende, op zichzelf allemaal goed te verdedigen overtuigingen geweest.' Maar hoe genuanceerd dat ook klinkt, enigszins teleurstellend is het wel, want het belang van dit debat voor een dieper inzicht in de morele verwarring van onze tijd is onmiskenbaar en zou een minder relativerende slotsom de moeite waard gemaakt hebben.

Hoe dat ook zij, Hollands Maandblad toont met deze 'opening' van het jongste nummer, dat het de redactie, nu in handen van de jonge geleerden Bastiaan Bommeljé en Maarten Doorman, ernst is met haar opvatting dat 'cultuur geboren wordt uit misverstanden'. In de andere bijdragen is daar minder van terug te vinden. Deze aflevering als geheel is (nog) niet erg overtuigend. Buitengewoon slap vond ik de rubriek 'Toets der kritiek', waarin wat zinnetjes uit de recensies over Ave verum corpus van Désanne van Brederode worden aangehaald.

Ook Tirade brengt geen erg sterk september/oktober-nummer uit, hoewel een aardige reeks gedichten van Anton Gerits, 'Apologie der beschadigden', mij trof. De ster van dit blad, Willem Jan Otten, publiceert twee lezingen over het tragische, aan de hand van Oidipoes en Hamlet, en hoewel zijn beschouwingen meestentijds zeer aan mij besteed zijn, kreeg ik er ditmaal weinig vat op, afgeleid als ik was door slordigheden als Epido Re (waar Edipo Re van Pasolini bedoeld lijkt).

Tirade wemelt van de fouten. Ook in de verhaaltjes, die J. Bernlef bijdraagt - op zichzelf intrigerende pogingen om de dingen te laten spreken, maar stilistisch niet altijd even geslaagd - tref je zinnen aan als 'In het midden van het met parelmoer ingelegde biouteriedoosje zat een ovalen uitsparing', waarin twee fouten zitten.

Zulke dingen mogen bij kranten langzamerhand normaal gevonden worden, literaire tijdschriften zouden zich hiertegen moeten wapenen, en dat kùnnen ze ook, meer dan kranten. In de verwarde, en mij iets te particuliere weergave van de reis die Charlotte Mutsaers met haar man naar het dennenwoud van Francis Ponge in Frankrijk maakte, trof ik een basketbal-pet aan. Een basketbalpet? Hoe stelt Mutsaers, die zo goed kan schrijven, zich die springende boomlange kerels voor met een pet op hun kop? Bedoelt ze misschien baseball-pet (honkbal-pet)? En bedoelt ze revolte in plaats van révolte, serieus in plaats van seriues, Frans in plaats van frans? Kun je een blad dat zo slordig gedrukt wordt, nog wel ernstig (seriues) nemen?

Het Nieuw Wereldtijdschrift wordt gelukkig nog steeds met een liefdevol oog voor details gemaakt en dat komt de kwaliteit ten goede. Bovendien heeft Herman de Coninck, de dichter en hoofdredacteur, altijd zoveel te bieden dat de lezer zelden teleurgesteld is, al zal hij het niet altijd eens zijn met de (uiteraard positieve) 'recensie' die De Coninck zelf in zijn voorwoord steevast van iedere aflevering geeft.

Ook dit keer kan hij met een aantal mooie bijdragen voor de dag komen, zoals een stuk van Kamiel Vanhole over de bijzondere Franse auteur Georges Perec. Van Perec verschijnt binnenkort Het leven, een gebruiksaanwijzing in vertaling. Van gelijke allure zijn een voorpublikatie uit het boek van de gedreven verslaggever Ryszard Kapuscinski over Afrika; een knap verhaal van Marianne Wolfert (over een man en een vrouw, die liefdevol hun lichamen, de techniek en Andersens sprookjesachtige zwanen met elkaar delen) en een van The New York Review of Books overgenomen portret van Boris Jeltsin door Tatyana Tolstaya.

Wat minder gecharmeerd was ik van de levensherinneringen van Jacques Kruithof - die ik nauwelijks ken, dat zal wel meespelen - en van de manier waarop Kristien Hemmerechts stilstaat bij de dood van haar kinderen naar aanleiding van een Engels krantebericht over een ontvoerd meisje. Zoiets is me, in deze vorm, te privé, maar daar kun je uiteraard anders over denken. Met de vaste rubrieken erbij is dit WNT weer een compleet, gevarieerd en verzorgd blad, waarin veel te lezen valt, omdat er goed geschreven wordt.

Of De zingende zaag ooit dit niveau bereikt, is de vraag. Tot nog toe muntte het blad van George Moorman(n), het blad geeft beide spellingen, vooral uit in zijn vormgeving. En die is ook dit keer, het vijfentwintigste nummer vol manifesten voor de feestelijke gelegenheid, dank zij Thomas Widdershoven weer onvolprezen, een lust voor het oog, iets om te hèbben.

Willem Kuipers

Hollands Maanblad, 1994, nr. 2, ¿ 9,25; Tirade, 1994, nr. 354, ¿ 17,50; Nieuw Wereldtijdschrift, 1994, nr. 6, ¿ 13,25; De Zingende Zaag, nr. 24/25, ¿ 35,-.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden