Essay: Geef het dier rechten

De wereld is er de afgelopen eeuwen voor dieren alleen maar slechter op geworden. Maar de strijd tegen de wantoestanden wordt gedomineerd door een klein groepje radicalen, die steeds gewelddadiger worden in hun acties.

Dieren zijn het beste te vergelijken met automaten, schrijft de Franse filosoof René Descartes in het begin van de 17de eeuw. Ze hebben geen rationaliteit en handelen zonder na te denken. Soms kermen ze, maar dat geluid heeft niet veel te betekenen. Het is een bijgeluid; een schuren van de raderen. Descartes weet dat dieren zenuwen hebben. Hij heeft talloze honden opengesneden om hun spieren en hart te bestuderen. Maar de aanwezigheid van zenuwen zegt hem niet zoveel. Als dieren al pijn kunnen voelen, dan betekent dat nog niet dat ze er gewicht aan toekennen. Dieren zijn niet in staat hun ellende te vergelijken met een beter bestaan. Ze missen ieder begrip van vooruit- of achteruitgang. Als dieren pijn hebben, weten ze niet beter.

Voltaire maakt een eeuw later gehakt van Descartes’ redenering door hem postuum het vuur na aan de schenen te leggen: ‘Geef eens antwoord, jij machinebediener, heeft de natuur alle middelen om gevoel op te wekken in het dier aangebracht met de bedoeling dat het niets zou voelen? Heeft het dier soms zenuwen om niet te voelen? Geloof maar niet dat de natuur op zo’n absurde wijze met zichzelf in tegenspraak is. () Het dier heeft gevoel, een geheugen, en een aantal ideeën meegekregen.’

Voltaires visie op het dier spreekt de filosoof Jean-Jacques Rousseau aan. Hij trekt een conclusie: ‘Omdat dieren gevoel hebben en tot op zekere hoogte op ons lijken, horen dieren deelgenoot te worden van het natuurrecht. Dat betekent dat de mens jegens hen bepaalde verplichtingen heeft na te komen.’ Zelf geeft Rousseau het goede voorbeeld: hij stopt met het commanderen van zijn hond. Dat gecommandeer van dieren door ‘superieure mensen’ past niet meer bij de stand van de wetenschap. Net als Voltaire vermoedt Rousseau dat de mens uit dieren is geëvolueerd en dat denken en gevoel niet alleen aan mensen zijn voorbehouden. Rousseau betwijfelt of de evolutie van de mens een grote stap vooruit genoemd kan worden. Misschien waren die dieren waaruit wij zijn ontstaan wel beter af. Wat heeft die typisch menselijk cultuur ons eigenlijk gebracht? Steden vol opgedofte heertjes en juffers die in de ketenen van de cultuur liggen. Mensen die hun natuurlijke spontaniteit hebben verloren, slaven van gewoontes, conventies, afspraken en goede manieren.

Wie tot zichzelf wil komen, moet de natuur in. Rousseau wandelt graag door de bossen. Daar is de cultuur afwezig en bestaat de vrijheid om zelf te denken en te voelen. Rousseau weet er zo mooi over te schrijven dat zijn volgelingen massaal de natuur in trekken. Ze gaan zonnebaden, strandwandelen, bergbeklimmen en ontwikkelen een badcultuur. Alles om het lichaam tot zijn recht te laten komen. Alles om de mens weer met zijn dierlijkheid in contact te brengen.

Kwetsbare medeschepselen
Rond 1850 breekt het besef door dat het niet consequent is om het dierlijke lichaam te koesteren en tegelijkertijd de andere dieren aan hun lot over te laten. Het dier, dat pure, zuivere, spontane wezen, behoort bescherming. In heel Europa komen organisaties die dieren opvangen en verzorgen. Een goed mens is genadig tegenover kwetsbare medeschepselen, vinden de dierenbeschermers. Wie dieren beschermt getuigt ervan de dierlijkheid te beschermen tegen de oprukkende cultuur. Wie voor dieren zorgt, redt daarom niet alleen de dieren, maar vooral ook de eigen ziel.

Omdat de dierenbeschermers zich vooral om het eigen zielenheil bekommeren, vinden ze het ook niet nodig dieren een betere plek in het recht te geven. De roep om dierenrechten is op dat moment niet meer dan een voetnoot in de geschiedenis. De eerste organisaties die het recht willen hervormen, ontstaan pas rond 1930. In ons land wordt in 1934 de Stichting tot Wettelijke Regeling van Dierenrecht (inmiddels bekend als Stichting Dier en Recht) opgericht. De stichting pleit voor ‘erkenning voor het dier als levend wezen, als meer dan object of eigendom’.

De activisten die voor dierenrechten pleiten, vinden steun bij een relatief jonge wetenschap: de ethologie (gedragsbiologie). Vanaf de 19de eeuw ontdekken ethologen als Konrad Lorenz en Niko Tinbergen dat dieren niet alleen qua lichaam op ons lijken, maar ook qua gedrag. Ze ontdekken dat sommige raven gereedschap maken om wormen uit holletjes te pikken, dat papagaaien goed kunnen rekenen en dat de gorilla in staat is de menselijke gebarentaal te leren. Etholoog Frans de Waal, de bekendste etholoog van dit moment, betoogt dat er bij dieren ook altruïsme, complexe overlegstructuren (politiek) en cultuur voorkomen.

De herwaardering van het dier en de steeds luider wordende roep om dierenrechten leidden niet tot een hervorming van het dierenrecht. Integendeel. In de jaren vijftig besluit de Europese Unie de veehouderij te mechaniseren. Met subsidiegelden worden boerderijen omgevormd tot fabrieken, waarbij dieren in de mal van de cultuur worden gedrukt. Het leidt ertoe dat veel dieren geen daglicht meer zien, dat de hokken steeds kleiner worden, dat snavels van kuikens preventief worden afgesneden, dat varkensstaarten worden afgebrand, dat tanden worden afgevijld, en ballen worden afgesneden. Efficiency wordt steeds belangrijker in de vee-industrie. Uitgedokterde fokprogramma¿s moeten ervoor zorgen dat dieren snel groeien, snel vruchtbaar worden, en snel beter worden. Het leidt tot vleeskuikens die na zes weken onder hun eigen gewicht bezwijken, tot kalkoenen die volgegoten worden met antibiotica en tot varkens die in overvolle vrachtwagens door heel Europa worden vervoerd.

Terwijl steeds meer mensen zich zorgen maken om de dieren in de vee-industrie, dringt ook het besef door dat veel dieren lijden bij dierproeven. Het gaat om ruwweg een half miljoen dieren per jaar in Nederland alleen. Ook wordt duidelijk dat de wilde dieren het steeds slechter hebben. Hun leefgebieden krimpen en sommige diersoorten sterven uit. Dit alles motiveert miljoenen Nederlanders om lid te worden van organisaties als Greenpeace, Varkens in Nood, Wakker Dier en Bont voor Dieren.

Al die organisaties vinden in Den Haag nauwelijks een gewillig oor. Het ministerie van Landbouw is sinds mensenheugenis in handen van het CDA, een partij die traditioneel veel achterban heeft bij de boeren.

Hoe zeer de boeren het voor het zeggen hebben, blijkt uit een vorig jaar via de Stichting Dier en Recht uitgelekt intern rapport van de Voedsel en Waren Autoriteit. De controlediensten bezoeken boerderijen slechts eens in de dertig jaar. Meestal gebeurt dit nog op verzoek van de boeren zelf. Boetes worden vrijwel nooit uitgedeeld. Het ministerie weet al jaren dat de controleurs doorgaans dezelfde veeartsen zijn die ook commerciële banden hebben met de boeren. Onafhankelijk zijn de controles dus niet. In de slachthuizen is de situatie nog erger. Daar blijkt sprake van ernstige belangenverstrengeling: zo laten de Voedsel en Waren Autoriteit het keuren van vlees regelmatig over aan commerciële keurmeesters die het vlees ook verzekeren. Ieder stuk vlees dat deze keurmeesters afwijzen, kost hen dus geld. Uiteraard wordt er zelden iets afgekeurd. In eenrapport over de Voedsel en Waren Autoriteit van Ernst & Young blijkt dat regelmatig zieke dieren in de voedselketen belanden.

Mishandelingen op veemarkten
Omdat de vee-industrie onder het nauwelijks wakende oog van verschillende ministers van Landbouw ontspoort, besluiten de dierenorganisaties om aangiften te doen van misstanden. Het Openbaar Ministerie legt de aangiften stelselmatig onder op de stapel. Zelfs op film vastgelegde mishandelingen op veemarkten in Utrecht en Leeuwarden leidden niet tot vervolging. Stichting Dier en Recht probeert met een artikel-12-procedure een officier van justitie te dwingen alsnog tot vervolging over te gaan. De procedure loopt al meer dan een jaar.

De onwil om dierenwelzijn te behartigen en aangiften in behandeling te nemen, heeft een klein groepje radicalen ertoe aangezet de wet maar helemaal te negeren. Sinds de jaren tachtig roeren zij zich door slachterijen in brand te steken en nertsen te ‘bevrijden’.

Uit het vorige week verschenen rapport van de AIVD blijkt dat het aantal extremistische acties het afgelopen jaar is gedaald. Waren er in 2005 nog 178 incidenten, in 2008 zijn het er maar een stuk of vijftig. Wel worden de acties steeds gewelddadiger. Vooral mensen die dierproeven doen, zijn het slachtoffer. Zij treffen kreten als ‘We will kill your wife’ op hun huis aan. Brandstichtingen komen ook nog altijd voor.

De AIVD meldt de extremisten in beeld te hebben. Ze zitten bij Respect voor Dieren, de Anti Dierproeven Coalitie, SHAC, Met de dieren tegen de beesten, Een Dier Een Vriend, en natuurlijk bij het obscure Dierenbevrijdingsfront. Slechts enkele tientallen mensen trekken in deze clubs aan de touwtjes. Ondanks ‘voldoende opsporingsmiddelen’ weet de dienst de extremisten niet achter slot en grendel te krijgen. Ook de KLPD is op de zaak gezet. Maar wie, zoals ik, met een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur vraagt om een lijstje van aanslagen van dierextremisten, krijgt te horen dat zo’n lijstje niet bestaat. Hoe serieus zijn onze agenten bezig met dit onderwerp?

Al met al is duidelijk dat de situatie flink uit de hand is gelopen. Extremisten worden gekweekt en niet aangepakt. De overheid zou er goed aan doen de wantoestanden in de stallen, in de slachthuizen en in de veetransporten niet langer te toleren, en tegelijkertijd de extremisten aan te pakken. De tijd van ‘zelfregulering’ in de veesector en laksheid bij opsporingsdiensten is voorbij. Feitelijk is een herstel van de democratie nodig: de extremisten moeten voor de rechter komen, de overheid moet haar eigen dierenwetten weer gaan handhaven, en het volk dat dieren een beter leven gunt, moet gehoord worden.

De tijd dat we dieren kunnen achterstellen, omdat het ‘maar dieren’ zijn, ligt achter ons. We zouden er verstandig aan doen een paar basisbeginselen van onze democratie in ere te herstellen: in een democratie horen alle belangen te worden gewogen. De belangen van dieren horen daarbij. Gelijke gevallen worden gelijk beoordeeld, zegt onze Grondwet. Dat principe kan ook op dieren van toepassing worden verklaard. Op die punten waarop dieren gelijk zijn aan mensen, moeten ze ook gelijke bescherming krijgen. En waar ze ongelijk zijn aan mensen, mogen de rechten ook verschillen.

Dat dieren niet in staat zijn hun rechten op te eisen doet er weinig toe. Dat kunnen kinderen en dementen immers ook niet. En toch geven wij ook hen rechten. Omdat wij allemaal vinden dat de wet er is om de zwakken te beschermen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.