Es Lebe Pablo, Vive Picasso

Een expositie in Noord-Frankrijk toont de kunst uit het leven van een van Frankrijks beroemdste kunsthandelaren, Daniel-Henry Kahnweiler. Apostel van het kubisme en mecenas van Picasso.

Hoe belangrijk was Rinus Michels voor Johan Cruijff, Brian Epstein voor de Beatles, Daniel-Henry Kahnweiler voor Picasso? Heeft een genie een manager nodig? Wat is de invloed van een handelaar op een kunstenaar?


Deze laatste, lastige vraag wordt tamelijk summier beantwoord op de tentoonstelling Daniel-Henry Kahnweiler et ses peintres, Picasso, Léger, Masson in het LaM, museum voor moderne kunst in Villeneuve d'Ascq, een voorstad van Lille.


Daniel-Henry Kahnweiler is een van de beroemdste handelaren uit de kunstgeschiedenis, de zakenman achter het kubisme, de manager van Pablo Picasso, Georges Braque en Fernand Léger. 'Picasso en Kahnweiler waren behoorlijk close', zegt conservator Jeanne-Bathilde Lacourt. 'Maar Picasso was geen man die zich liet sturen. Je kunt wel zeggen dat de samenwerking met Kahnweiler Picasso veel vrijheid gaf. Hij kon vrijuit experimenteren omdat Kahnweiler al zijn schilderijen kocht, waardoor hij van een inkomen was verzekerd.'


De expositie vertelt de turbulente, licht tragische levensgeschiedenis van Daniel-Henry Kahnweiler (1884-1979), een jongen uit de Duitse bourgeoisie die was voorbestemd voor een zakelijke carrière, maar op stage in Parijs werd gegrepen door de kunst. In februari 1907 opent hij een piepkleine galerie, 4 bij 4 meter in de buurt van de Madeleine. Als het avontuur mislukt, zal hij de familiezaken in Zuid-Afrika gaan behartigen, zo belooft hij.


In de zomer van 1907 krijgt hij een tip. In Montmartre werkt een jonge Spaanse kunstenaar aan een schilderij met een 'assyrische uitstraling'. Kahnweiler bezoekt Pablo Picasso in zijn atelier, waar hij aan het klassieke Les Demoiselles d'Avignon werkt. 'Ik voelde meteen de ongelooflijke heroïek van een man als Picasso, wiens morele eenzaamheid iets afschuwelijks had, want geen enkele van zijn schildersvrienden was hem gevolgd. Het doek dat hij had geschilderd, leek iedereen iets geks of monsterlijks', zei Kahnweiler naderhand. Braque vergeleek het schilderij met het drinken van petroleum om vuur te spuwen, André Derain vreesde dat Picasso zich op een dag zou ophangen, zo wanhopig scheen zijn onderneming.


Kahnweiler geloofde in Picasso en bood hem een exclusief contract aan. Kort daarna voegde hij Braque, Fernand Léger en Juan Gris aan zijn stal toe. Toch kon Kahnweiler het hoofd maar net boven water houden. De meeste klanten hadden geen interesse in de vreemde knip- en plaktechnieken van de kubisten. De handelaar maakte zich echter geen zorgen. Hij was ervan overtuigd dat het kubisme de taal van de 20ste eeuw zou worden.


De tentoonstelling vertelt het verhaal aan de hand van veel kubistische werken. Topstukken ontbreken echter en van Braque is niets te zien, omdat het Grand Palais in Parijs een tentoonstelling aan hem wijdt.


De Eerste Wereldoorlog doorkruist de plannen van Kahnweiler. Zijn galerie en zijn bezittingen worden in beslag genomen als 'Duitse goederen'. Hij wil echter ook niet terug naar Duitsland om tegen de Fransen, zijn nieuwe landgenoten, te vechten. Daarom brengt hij de oorlog in Zwitserland door, onderhouden door een vriend.


Als hij in 1920 in Parijs terugkeert, moet hij weer bij nul beginnen. Kubistische doeken worden meer waard, maar Kahnweiler is ze allemaal kwijtgeraakt. Zijn kunstenaars hebben tijdens de oorlog een andere galerie gevonden, die van Paul Rosenberg. Het verhaal van Kahnweiler krijgt hier iets tragisch. Hij wil niets weten van nieuwe stromingen als het surrealisme, omdat hij er nog steeds van overtuigd is dat het kubisme de enige ware kunststroming is. Abstracte kunst veroordeelt hij als 'versiering' en 'hedonisme', zelfexpressie zonder discipline. In Eugène de Kermadec en André Masson vindt hij schilders die de kubistische traditie voortzetten.


Dit is misschien niet het beste, maar wel het boeiendste deel van de expositie. De Kermadec zoekt de grenzen van de abstractie op, Masson experimenteert met een dromerige vorm van kubisme, minder hoekig dan het werk van Picasso en Braque. Maar artistiek en commercieel kunnen zij niet in de schaduw van hun voorgangers staan.


Kahnweiler overleeft de Tweede Wereldoorlog door zijn galerie over te dragen aan zijn 'arische' schoonzus, Louise Leiris. Na de Tweede Wereldoorlog krijgt zijn geschiedenis alsnog een happy end. In 1948 keert Pablo Picasso bij hem terug. De galerie floreert als nooit tevoren. Kahnweiler wordt in die jaren geportretteerd door de fotograaf Brassaï: een geslaagde, stijlvolle oudere man, die het zich kan permitteren een Picasso boven zijn bed te hangen. Van nieuwe stromingen als het abstract expressionisme en pop art moet hij echter niets hebben, zeker niet als zij uit de Verenigde Staten komen.


Zijn verbintenis met Picasso garandeert hem rijkdom en prestige. 'Maar hij is geen pionier meer, hij grijpt terug op het verleden', zegt conservator Jeanne-Bathilde Lacourt. Daarmee symboliseert hij ook het verval van Frankrijk, dat na de oorlog zijn leidende positie in de kunstwereld kwijtraakt. Zo rijst aan het einde van expositie de vraag naar de smaak van Daniel-Henry Kahnweiler. Werd hij in 1907 in het atelier van Picasso getroffen door een vlaag van geniaal inzicht of verwierf hij zijn plaats in de kunstgeschiedenis door dom geluk?


Picasso, Léger, Masson, Daniel-Henry Kahnweiler et ses peintres. LaM, Villeneuve d'Ascq, t/m 12/1. musee-lam.fr


LaM?


Het LaM is het museum voor moderne kunst van de ambitieuze Noord-Franse stad Lille, gevestigd in de voorstad Villeneuve d'Ascq. In Frankrijk heeft het LaM een zeer goede reputatie. Naast de tentoonstelling over Picasso en de andere schilders van kunsthandelaar Kahnweiler is er een fraaie expositie over de donkere, knoestige schilderkunst van Noord-Frankrijk. Ook heeft het LaM een indrukwekkende permanente opstelling van Art Brut, kunst gemaakt door autodidacten, psychiatrische patiënten en andere outsiders. Te zien is onder andere werk van het duo ACM, dat hele steden maakt van transistors en andere elektronica-onderdelen, en van de Nederlander Willem van Genk met zijn autobussen van Colablikjes, melkpakken en ander huishoudelijk afval.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden