Erwin van Lambaart

‘Zoon van Joop’ en ‘kloon van Joop’ is Erwin van Lambaart (45) lang genoemd. Hoe een hotelman met een passie voor musical de opvolger van Joop van den Ende werd: ‘Ik denk elke ochtend als ik wakker word: vandaag wil ik beter zijn dan gisteren.’..

Elke keer dat de datum van een première nadert, zweert Erwin van Lambaart: ik doe het niet meer, ik koop geen nieuwe zwarte strik, ik heb er al ik-weet-niet-hoeveel en ze zijn allemaal hetzelfde. Maar ja, de paniek. Die overvalt hem ook deze keer weer, op de dag van de première van Sunset Boulevard, eind oktober 2008. En dus maakt hij zijn rituele gang naar de winkel, in de hoop met een frisse strik te kunnen afdwingen wat alle voorgaande keren is gelukt: dat de voorstelling goed gaat. Die avond, in de loge van Koninklijk Theater Carré. Op de vier erestoelen zitten niet, zoals altijd, Joop en Janine van den Ende en Erwin en Pien van Lambaart, maar Joop en Janine, Erwin en Pieter van Vollenhoven. Op de tweede rij: Erwins vrouw. Heeft hij wel zijn strik, maar niemand om in de hand te knijpen als de zenuwen toeslaan. ‘Hahaha’, lacht de directeur van Stage Entertainment Nederland, ‘dat had ik bij Pieter best kunnen doen, want het is een ontzettend leuke man.’

Uw vrouw vertelde: ‘Erwin wil mij naast zich tijdens een première.’ Dus toen Pieter van Vollenhoven zich meldde... ‘Was het logisch dat hij de beste plek kreeg. Niet alleen vanwege het protocol, maar gewoon: goed gastheerschap.’

U schijnt hemel en aarde bewogen te hebben om een vijfde stoel op de rij te laten plaatsen. ‘Als dat dan niet lukt, is het jammer voor mij en jammer voor Pien. Maar uiteindelijk heb ik toch af en toe mijn linkerhand naar achteren kunnen steken.’

Het is eind december op het hoofdkantoor van Stage Entertainment aan het Museumplein in Amsterdam. Op de derde verdieping, in de voormalige directiekamer van oprichter Joop van den Ende, zetelt sinds 2006 zijn opvolger Van Lambaart – bij het grote publiek vooral bekend als jurylid van het televisieprogramma Op zoek naar Joseph. De tweede Joop, de nieuwe Joop, de zoon van Joop, de kloon van Joop. Zo werd Van Lambaart in de pers genoemd toen Van den Ende wereldkundig maakte dat hij, door ziekte gedwongen, de sleutel van de Nederlandse tak van het bedrijf aan hem overdroeg. Van Lambaart was toen al acht jaar directeur van Joop van den Ende Theaterproducties. Op de opmerking dat hij, die door vrienden ‘van zichzelf overtuigd’ wordt genoemd, deze kwalificaties wel zat zal zijn, volgt een minzaam lachje.

Ik kan me voorstellen dat u na twee jaar de behoefte heeft om uzelf meer te profileren, om uit Van den Endes schaduw te stappen. ‘Dat is geen bewuste keuze van mij, wel van het bedrijf. Stage Entertainment Nederland heeft een gezicht, en dat gezicht is heel lang Joop geweest. Daar heb ik geen moeite mee, en hij ook niet. Maar als baas van het bedrijf kan ik alleen functioneren als ik ook profiel krijg. Daarover hebben we gezegd: dat doen we stap voor stap. Eerst intern, dan in 2006 dat statement van Joop, daarna, via interviews, de buitenwereld.’

Welk beeld wilt u van uzelf naar buiten brengen? ‘Dat is grappig, dat vroeg mijn woordvoerder vanochtend ook. Ik laat de vragen maar een beetje op me afkomen. Tot voor kort heb ik alleen de publiciteit gezocht als het een functie had voor onze voorstellingen. Maar onlangs zat ik bij Pauw & Witteman, en daar werd het gesprek persoonlijker. Dat gaf anderen ineens het beeld: wat een interessante man is dat eigenlijk.’

Rotterdam, eind jaren zestig. Erwin van Lambaart is een jaar of 5 als zijn moeder op 4 mei tegen hem zegt: je moet de kamer uit. ‘Mijn vader stortte emotioneel in en ik mocht dat niet zien.’ Toen hij 6 was gebeurde het weer. En toen hij 7 was, 8, 9, 10 – en alle jaren erna, tot hij op zijn 18de uit huis ging. Elke keer op 4 mei, tussen 7 en 9 uur ’s avonds.

Wist u wat er aan de hand was? ‘Toen ik klein was niet. Werd er gezegd: papa was heel verdrietig, maar nu is het weer goed. Later kreeg ik door dat het met de oorlog te maken had, maar wist ik nog steeds niet wat er met hem was gebeurd. Daar sprak hij niet over.’

Mocht uw moeder wel bij uw vader in de kamer blijven? ‘Ja, maar ze moest hem in zijn cocon laten. Ze moest hem laten huilen in een hoekje van de bank, met de televisie aan. Tot, tussen half 9 en 9 uur *’ pfff *, blaast Van Lambaart zijn longen leeg, ‘het snikken ophield, mijn vader naar de koelkast liep, zijn Johnnie Walker Black Label pakte, met een ijsklontje, en dan was het voor dat jaar weer voorbij en gingen we verder waar we gebleven waren.’

Vroeg u ernaar?‘Ik kreeg nooit een echt antwoord. Maar als je zoon 13, 14 is, moet je wel iets vertellen.’

Wat was de vraag die altijd op uw lippen lag? ‘Wat is er met je gebeurd dat je op 4 mei zo kapot gaat, twee uur lang? Veel later pas hoorde ik dat het met name zijn schuldgevoel is geweest. Hij is met honderdvijftig man op transport gezet, en ze zijn met z’n tweeën teruggekomen. Mijn vader heeft nooit begrepen: waarom ik wel, en die anderen niet? Dat vrat aan hem.’ Vader Van Lambaart had een drukkerij in Rotterdam, waar hij in de oorlog de illegale kranten Vrij Nederland en Oranjewacht drukte. In de winter van ’41-’42 werd hij verraden. De doodstraf werd op het laatste moment omgezet in levenslang. Dat verhaal hoorde Van Lambaart pas twee maanden na zijn 18de verjaardag, op vakantie in Spanje bij zijn ouders. Vier avonden achter elkaar heeft zijn vader toen, op het balkon met uitzicht over de zee, uitgetrokken om zijn zoon te vertellen wat er met hem is gebeurd. Het transport, het kamp. ‘Toen kwam het in een stortvloed. De gruwelverhalen.’

Welke zijn u het meest bijgebleven? ‘Mijn vader moest dwangarbeid doen, greppels graven. Op een dag zijn er twee kerels naast hem gefusilleerd omdat ze de schep niet goed vasthielden. Eentje links, en eentje rechts. Dat heeft waanzinnige indruk op me gemaakt, omdat je denkt: dit is zo absurd, dit kan niet. Vermoord worden omdat je een schep verkeerd vasthoudt.’

Het tweede verhaal staat in de vorm van een loden konijntje bij Van Lambaart thuis. ‘Dat heeft hij met een Poolse vriend die het niet heeft overleefd gemaakt. Het is het enige dat mijn vader uit het kamp heeft meegenomen.’

Wat doen zulke verhalen met een jongen van 18? ‘Ik heb er geen slecht mensbeeld door gekregen. Ik wil heel graag geloven dat wie goed doet, goed ontmoet, en ik kan me niet neerleggen bij het feit dat dat niet zo is.’

Veranderde uw relatie met uw vader, na die avonden? ‘Ik had het gevoel dat we eindelijk een band hadden. Dat we eindelijk echt praatten.’

Ze waren een harmonieus gezin, ‘ik kan niet anders zeggen’, zijn vader – voor de tweede keer getrouwd, 53 al toen Van Lambaart werd geboren – zijn moeder en hij. Vader werkte veel, dus op zaterdag ging Erwin mee naar de drukkerij. ‘Dan zat ik te kleuren en te tekenen en op de typemachine te klungelen.’ Aan het einde van de dag reden ze langs banketbakker Vroon in Rotterdam en dan kon het weekend beginnen. ‘Zaterdagavond was liflafjesavond, met hapjes op tafel een beetje praten.’

Waarover? ‘O, dat was allemaal niet zo diepgaand hoor.’

Wat gaven uw ouders u aan normen en waarden mee? In één adem: ‘Hard werken is goed voor je, eerst geld verdienen, dan pas uitgeven, wel genieten als je op vakantie bent, en het is nooit goed genoeg. Het kon op de zaak altijd beter, de kwaliteit van je werk kon beter, je moest altijd beter voor je mensen zorgen, je cijfers op school moesten beter... Als ik thuis kwam met een 8,5 voor een dictee zei mijn vader: ‘Waarom is het geen 9, of nee, waarom is het eigenlijk geen 10?’ Ik heb nooit van mijn vader gehoord dat hij trots op me was.’ Het heeft zijn ambitie gevoed, zegt Van Lambaart. Altijd bezig, als kind al. Waterpoloën, tennissen, schoolvoorstellingen, leerlingenraad, lid van het bestuur van de studentenvereniging. ‘Ik ben snel gaan compenseren. Als de waardering die je van je vader wilt, niet komt, ga je hem ergens anders zoeken.’ Wat hij niet van huis uit meekreeg: zijn liefde voor het theater. Als jonge jongen ging hij al alleen naar voorstellingen. Het liefst was hij naar de toneelschool gegaan, maar zijn vader was onverbiddelijk: ‘Ik wil het niet.’ ‘Als ik nu mensen hoor zeggen: dat wil ik niet voor mijn kind, denk ik: zou je het ze niet eerst zelf vragen?’

Wat zocht u in het theater dat u thuis niet kreeg? ‘Als je een vader hebt die geen emotie toont, behalve een keer per jaar heel extreem, dan denk ik dat ik dat in het theater zocht: emotie in de meest pure vorm. Vrolijkheid, geluk, ontroering. En je daarbij veilig kunnen voelen, want het is donker.’

Erwin ís musical, zeggen de mensen die hem goed kennen. Illustratief voor zijn totale gekte: ‘Thuis in mijn werkkamer liggen meer dan 2.500 programmaboekjes, ik heb een collectie van 750 musicalcd’s, ik heb negen biografieën van de tekstschrijver en componist Steven Sondheim, en die heb ik alle negen gelezen – al voor ik hier begon.’

Waarom negen? ‘Ik ben heel nieuwsgierig van aard.’

Je kunt ook zeggen: bezeten. ‘Nou ja... ik kan niks een beetje, dat is wel een grens-ding. Ik doe alles met passie en overtuiging.’

Net als Joop van den Ende. ‘Daarin lijken we op elkaar, ja. Elke ochtend dat je wakker wordt, denken: vandaag wil ik weer beter worden dan gisteren.’

Heeft u met deze baan wel tijd om uw privéleven ook met passie en overtuiging in te vullen? ‘Ik ben te weinig thuis, dat geef ik toe. Daar wil ik aan werken. Maar als ik er ben, probeer ik er echt te zijn. Voor mijn vrouw, en voor mijn zoons van 9 en 5. Eens in de twee, drie maanden plan ik een mannendag. Dan gaan we naar de Efteling, naar het theater, naar het voetbalveld. Zingen we in de auto heel hard mee met Marco Borsato.’

Waarom heeft u tot uw 35ste gewacht voor u uw eerste stap in de amusementswereld zette? ‘Ik ging heel goed in de hotellerie. Ik was op mijn 28ste directeur van een hotel met honderd kamers, op mijn 32ste van een met vijfhonderd kamers. Ik zat bij een internationale keten, vloog de hele wereld over. En passant zag ik in de theaters in Londen, New York en Parijs alles wat los en vast zat, ik knipte artikelen en recensies uit buitenlandse kranten, ik maakte lijstjes met Nederlandse artiesten die geschikt waren voor rollen.’ En toen stond ineens zijn droombaan in de krant: directeur bij Joop van den Ende Theaterproducties. Hij schreef zijn sollicitabrief op een gehuurde computer in Las Vegas, waar hij met zijn vrouw vakantie vierde. ‘Ik heb ’m nog. Reflecterend op de advertentie dit en dat, en dat ik weliswaar niet aan de criteria voldeed, want ik had geen theaterwetenschappen gedaan en ook geen toneelschool, maar dat ik wel een groot liefhebber was – nou ja, en toen een paar voorbeelden om dat te illustreren.’ Een paar weken later zat hij met het hoofd P & O om de tafel, en nog dezelfde middag kwam er een telefoontje: ‘We willen je aan Joop voorstellen.’

Dacht u: ik ben de gedroomde kandidaat? ‘Totaal niet. Ik dacht: het wordt helemaal niks, maar dan heb ik in ieder geval een keer een kop koffie met Joop van den Ende gedronken.’ Het geplande gesprek van een halfuur duurde twee uur, maar ook toen had hij nog niet het idee: die baan heb ik in mijn zak. ‘Het klikte wel heel goed. Ik bleek meer musicals gezien te hebben dan Joop. En dat ik zo jong al zo’n groot hotel had gerund vond hij ook wel intrigerend. Maar het allerbelangrijkste was dat Joop zijn eigen leergierigheid in mij herkende.’ Op de vraag wat de rode draad was in alle musicals die Joop van den Ende had gemaakt, antwoordde Van den Ende twee jaar geleden in dit magazine: ‘Dat de gewone man het op eerlijkheid wint.’

Wat is die rode draad bij u? ‘Dat grootsheid wordt gekoppeld aan het hart. Een show moet spektakel zijn, moet mensen even uit hun wereld halen, maar er moet één moment in zitten, liefst een paar, dat het publiek echt wordt geraakt. Dat ze de deur uitgaan, in hun auto stappen, dat ze elkaar even, voor ze de motor starten, aankijken en zeggen: ja.’

Ja, wat? ‘Het klinkt heel heftig, maar ik hoop ontzettend dat onze voorstellingen mensen een zetje kunnen geven in het leven. Dat ze, als ze even niet vrolijk zijn, denken: verdomme, ik maak er iets van. Of dat ze, als ze ergens geen raad mee weten, iets oppikken uit de show, en denken: o, dat neem ik even mee.’

Bij welke voorstelling heeft u zelf dat zetje gehad? ‘Bij Foxtrot, met Willem Nijholt en Gerrie van der Klei. Het was de eerste musical die ik zag. Een musical waarbij je aan de ene kant de showbizz krijgt, en aan de andere kant zitten er onderwerpen in als ongewenst zwanger worden, niet weten hoe je daarmee moet omgaan, homoseksualiteit, noem het maar allemaal op. Toen wist ik: het kan, een mooie verpakking kan samengaan met inhoud. Het zou alleen nog twintig jaar duren voor ik in dat mooie vak mocht stappen.’

Love me tender, met hits van Elvis Presley, Petticoat, Kluun, Hazes – de komende theaterseizoenen staan er tal van premières op stapel. Vraag Van Lambaart over welk Nederlands icoon hij graag nog een keer een musical zou maken en hij antwoordt: ‘Jeetje. Dan komt meteen Willem van Oranje in me op. Daar kun je een mooi kostuumstuk van maken, met een Cyrano-achtige benadering. Ik zou het geweldig vinden als Gijs Scholten van Asschat de hoofdrol zou spelen.’

Bent u goed in uw vak? ‘Nu denk ik van wel, ja. Mede dankzij mijn commerciële inbreng is de omvang van dit bedrijf in tien jaar tijd verdrievoudigd. Desondanks geldt voor een producent hetzelfde als voor een acteur: je bent zo goed als je laatste productie. En als je team, natuurlijk.’ Onlangs: een bewijs dat hij ook aan de creatieve kant het verschil kan maken. ‘Normaal bevries je twee dagen voor een première een voorstelling, dan kom je er niet meer aan. Maar ik zat de avond voor Jozef in première ging in de zaal, het was een hele goede voorstelling, maar toch zat er een moment in, aan het einde – dat klopte niet. Jozef, die prins van Egypte is geworden, ziet voor het eerst in lange tijd zijn vader Jakob. Ze staan samen op het lege toneel, Jozef met een kroon op zijn hoofd. Ik zeg tegen de regisseur: ik weet dat ik je nu helemaal gek maak, en toch wil ik dat je nog één detail verandert. Jakob krijgt zijn zóón terug, na al die jaren. Het is cruciaal dat daar niet een prins staat, maar een zoon, en daarom moet die kroon af. En die moet Jozef niet afdoen, die moet zijn vader af doen. Want dat is het symbool.’ Gaf Van den Ende hem na de première een groot compliment: ‘Well done.’ Het komt, zegt Van Lambaart, steeds vaker voor dat de man die hem het vak leerde, een voorstelling pas op de avond van de première ziet. ‘De laatste twee, drie jaar geeft Joop mij, heel gracieus, alle ruimte die er is. Voorheen stond hij in de frontlinie, en duwde ik. Nu sta ik in de frontlinie, en duwt hij niet, maar vraagt: heb je me nog nodig?’

En hoe vaak is dat het geval? ‘Een paar keer per jaar.’ Wat hij van Van den Ende heeft geleerd: ‘Eerlijk zijn tegen creatieven als je iets niet goed vindt, en daar zo nodig hard in kunnen zijn.’ Wat Van den Ende van hem heeft geleerd: ‘Minder impulsief zijn. Bij Joop is het gevoel, gevoel, doen. Ik heb hem geleerd af en toe een nachtje ergens over te slapen.’ Wat ze elkaar níet hebben geleerd: minder hard werken, maar vooral: minder willen bewijzen. Een zaal die als één man opstaat voor een eindapplaus dat niet lijkt op te houden, dan gaat het bij Van Lambaart van ‘whoesj, dat is het grootst denkbare geluk. Want dan doe je niet alleen je kunstje, dan maak je deel uit van een groter emotioneel geheel.’ Maar een slechte voorstelling: ‘Dan weet ik niet hoe snel ik me moet verstoppen. Want dan heb ik gefaald. Dat neem ik heel persoonlijk.’

Waarom? ‘Omdat ik anderen blijkbaar niet heb kunnen duidelijk maken wat ze moesten doen.’

En dan? ‘Ga ik enorm zwemmen. In plaats van mijn dagelijkse zestig baantjes in het olympische bad in Heemstede doe ik er dan honderd. Dan ben ik helemaal gesloopt. Vervolgens word ik kwaad, dat duurt een dag of twee. En dan denk ik: zo. Dóór. Dan ga ik zitten met een blocnote, en ga ik lijstjes maken met verbeterpunten.’

U bent net zo streng voor uzelf als uw vader voor u was. ‘Mijn vader heeft ooit wel eens gezegd: een goede verkoper is iemand die pas begint op het moment dat de klant zegt: ‘Nee, ik wil uw product niet.’ Een goede atleet wordt pas een goede atleet als zijn coach tegen hem zegt: ‘Je kunt het niet.’ Dat is de levensles die in mijn ‘zijn’ ingebakken zit. Als iets dreigt te mislukken, ga ik alleen maar harder, harder, harder.’

De geschiedenis van zijn vader: dat hoofdstuk zal hij nooit kunnen afsluiten. Hij heeft wel eens overwogen het verhaal op te schrijven, maar hij durft het niet. Te bang dat de details, die hij zou moeten checken, nog meer gruwelijkheden zullen prijsgeven. Zijn vader stierf toen Van Lambaart 21 was. ‘Ik was net afgestudeerd aan de Hogere Hotelschool. Ik weet nog dat ik op de avond van de diplomauitreiking met mijn handen vol bloemen stond en tegen hem zei: ‘Ik ga een biertje voor je halen.’ Waarop hij antwoordde: nee jongen, dat biertje heb jij verdiend. Toen rolde er een traan over zijn wang.’

cv Erwin van Lambaart

geboren 22 juni 1963 in Rotterdam

burgerlijke staat getrouwd, twee zoontjes

opleiding Hogere Hotelschool

werk Was 13 jaar werkzaam in de internationale hotellerie bij o.m. Sheraton en Accor. Sinds 1998 algemeen directeur van Joop van den Ende Theaterproducties. Is sinds 2006 eindverantwoordelijk voor alle activiteiten van de Nederlandse tak van Stage Entertainment en sinds 2007 lid van de raad van bestuur. Producent van o.m. het toneelstuk One flew over the cuckoo’s nest en de musicals Tarzan, Les Misérables, Evita, Joseph en High School Musical.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden