ERIC NORDHOLT

DE ARMEN van hoofdcommissaris Nordholt komen wat moeilijk los van het lichaam. Ze zijn stram geworden van rechtheid. Tussen de linker en het lichaam wordt al meer dan dertig jaar een pet geklemd....

KEES FENS

Nordholt is zich niet alleen de macht van het uniform bewust, ook de verantwoordelijkheid van zijn ambt, dat echter alleen maar in het uniform zichtbaar gemaakt kan worden. Als hij binnenkomt, verschijnen gezag, orde, traditie. Hij is een embleem geworden en gaat zich ook steeds meer als een symbool gedragen. In vraaggesprekken wordt hij zelf al gauw, door de rechte toon, door de kortheid van zijn taal, door de strengheid van zijn stem, zelf de ondervrager. Op elke stoel gaat hij zitten als op de rechterstoel, met die traagheid die dertig jaar zwaarte van een uniform meebrengt. Hij spreekt zelfs geüniformeerd.

Zijn wereldbeeld zal weinig vrolijk zijn: wie hem eenmaal in de ogen heeft gezien, weet dat hij iedereen verdenkt, in elk geval niemand als potentiële verdachte uitsluit. Hij heeft ook de hardnekkigheid van de ondervrager: hij doet zelden een aantal verrassende mededelingen, maar zegt in iets andere woorden voortdurend hetzelfde, zodat zijn visie iets dwingends krijgt. Misschien is dit het meest verbijsterende aan zijn spreken: zijn bewustzijn van gelijk. Na elke mededeling lijkt hij instemming te verwachten. Zijn gelijk gaat boven dat van bijna alle andere gezagsdragers uit. Het symbool geworden gezag heeft zelf weinig eerbied voor het gezag. Zijn bijna sentimentele woorden bij het afscheid van Van Thijn als burgemeester van Amsterdam zouden kunnen bewijzen, hoezeer hij de directeur was van zijn eigen baas. Hij verloor zijn hoogste ondergeschikte. Is Nordholt zeker van zijn gezag? De ogen kijken scherp, maar ook wantrouwend. En wantrouwen is een bewijs van onzekerheid.

Als hij een toespraak houdt, lijkt hij het meest op een zeer orthodoxe predikant die overal de schaduwen van de zonde ziet, ook onder zijn eigen gehoor. Er is één verschil: de predikant verwijst naar God als de redder; Nordholt naar zichzelf en zijn manschappen. Zonder hem en zijn ondergeschikten is Amsterdam verloren. Alleen de politie redt. Hij heeft de politie als eerste in Nederland verabsoluteerd en zo tot het hoogste gezag gemaakt. Met zo'n grote zekerheid, dat IRT noch een toelage-kwestie noch andere moeilijkheden hem kunnen schaden of in verlegenheid brengen. Hij wijst de anderen terug. Door te zwijgen. En ook dat is een tactiek die uit de praktijk van het verhoren komt. Hij moet op de politieschool een heel goede leerling zijn geweest. Dat hij later ook nog sociologie heeft gestuderd, aan de Groningse universiteit, is wat raadselachtig; dat vak is verre van rechtlijnig, zeker niet zuinig met woorden, het stelt vast, maar oordeelt niet, kent meer plezier in de ontdekking van structuren dan dat het er behoefte aan heeft en is niet vrij van relativisme.

Nordholt heeft vrijwel iedereen weer agent-bewust gemaakt. Hij is hoofdcommissaris van Amsterdam, maar de politie-agent van Nederland. Dat bewustzijn was diep weggezonken: in de jeugdjaren. Ook ik kwam al vroeg met de politie in aanraking. Ik had een vriendje wiens vader bij de bereden politie was. Een heel grote man, wat boers, hij kwam uit de Achterhoek, wat aan zijn taal was te horen. Hij woonde maar een paar huizen van mij af. Rond vijf uur kwam hij thuis. Hij vulde voor mij de hele straat, die reus met zijn laarzen met sporen. Wat hulpeloos hield hij een klein aktentasje onder de arm. Hij keek mij altijd zeer streng en van zeer grote hoogte aan. Als hij mij passeerde, zei hij met een heel zware stem: 'Fens'. Dat was zijn strenge groet. Ik was bang van hem. Maar hij had gezag. Toen ik eens met hem en zijn zoon de Overtoom moest oversteken, legde hij met zijn machtige arm het toen toch schaarse verkeer stil. Ik kreeg nog meer eerbied voor hem. En voor de politie.

Maar één keer ben ik bij dat vriendje thuis geweest toen hij er ook was. Op de kapstok hing zijn uniform, levenloos en ongevaarlijk. De laarzen stonden eronder leeg te wezen. En daar zat de sterke arm in de kamer, in een wat luie stoel, kameelharen pantoffels aan, in een overhemd zonder boord. Ik was verbijsterd. Samson zonder haar. 'Zo, Fens', zei hij, zeer toeschietelijk. Vanaf die dag moet ik de macht van het uniform hebben beseft. Maar ik was niet langer bang voor de vader van het vriendje. En ook niet voor de politie.

In Nordholt verscheen opnieuw de gevreesde agent uit onze jeugd, misschien zelfs wel uit de jeugd van Nordholt zelf, want sommigen willen worden wat zij vrezen. Het uniform is indrukwekkender, waardoor de macht nog groter lijkt. Soms denk ik, ter geruststelling, even aan de kapstok bij Nordholt thuis. Heeft iemand hem wel eens in burger thuis gezien? Misschien zit daar gewoon een soort Baantjer. Hij spreekt met een wat zachte stem en ook wat saaie stem, niet veel, want grote ambtsdragers hebben weinig te vertellen als ze niet in functie zijn. Met het aantrekken van het uniform begint zijn rol. Want hij speelt natuurlijk het gezag en kan dat sterker spelen door dat weergaloze uniform. In burger zou hij meteen uit zijn rol vallen. Daar loopt een onopvallende man. In een vraaggesprek met Opzij, enkele jaren geleden, noemde hij de politieperioden dat hij geen uniform droeg, achteraf niet zijn gelukkigste jaren. Dat is heel veelzeggend.

HET UNIFORM straalt niet alleen uit, het stoot ook af. Nordholt moet in het publieke leven veel alleen zijn. Hij is in dat altijd zichtbare ambt nauwelijks benaderbaar. Op beelden van recepties lijkt hij altijd wat terzijde te staan. Hij moet dat fijn vinden. De uniformdrager is graag alleen. Misschien omdat hij zich niet persoonlijk kan uiten. Dat heeft hij dan met veel toneelspelers gemeen.

Ambtelijk gezag is altijd een schijnvertoning. Maar bijna iedereen gelooft erin: aan de hoogleraar in zijn toga, de kardinaal in zijn rood, de dokter in zijn witte jas, de koningin onder haar hoeden. De macht is gekleed. Voor de ambtelijke en officiële taal geldt hetzelfde. De reeks verschillende vertoningen vormen samen de rituelen die de maatschappij geordend houden en machtsuitoefening en daaruit volgende onderwerping van de anderen, mogelijk maken. Persoonlijkheid hoeft er niet aan te pas te komen, rolvastheid is nodig. En elke gelegenheid tot 'ontkleding' moet worden vermeden, want dan blijkt er achter het uniform niets aanwezig. Alleen de zeer grote persoonlijkheden handhaven zich. Maar die staat een uniform doorgaans niet, want hun sterke natuur verkreukelt het.

Ik herinner mij een verhaal van Carmiggelt uit de tijd, al weer lang geleden, dat de Amsterdamse politie in nieuwe uniformen werd gestoken. De helft van de agenten was in het nieuw, de andere helft liep in het oude pak. Twee mannen lopen door het rode licht, wat toen nog een kleine misdaad was. Twee nieuwe agenten riepen hen tot de orde. Of ze het rode licht niet zagen. Maar er was toch geen politie in de buurt, antwoordden de twee. Wij zijn de politie. De twee beginnen te lachen. De een hield de twee voor passagierende zeeofficieren uit een ver land, de ander voor leden van een fanfare, al hadden ze geen trompet bij zich. Wij zijn de politie, in nieuwe uniformen. De ene misdadiger wees op een passerende man. Die kan wel zeggen dat hij pastoor is. (Het was de tijd van de nog herkenbare priester-ambtsdrager). En zo verder. Uniform weg, gezag weg.

Een poging tot een profiel van Nordholt wordt een kleine verhandeling over het uniform. Dat zegt alles over de persoon Erik Ernst Nordholt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden