Erfenis van een chique querulant

Als je vragen niet mocht stellen, dan stelde de vorig jaar overleden ‘sceptische liberaal-conservatief’ J.A.A. van Doorn ze toch. Maar zijn gebundelde nalatenschap is niet vrij van tegenstrijdigheden.

De socioloog en publicist J.A.A. van Doorn was tachtig toen ‘die kwaal’ werd ontdekt: botkanker. De artsen gaven hem nog anderhalf jaar. Van Doorn nam in het voorjaar van 2006 twee besluiten. Zijn intellectuele nalatenschap gaf hij in handen van Piet de Rooy en Jos de Beus, de hoogleraren geschiedenis en politicologie met wie hij twee edities van De ideologische driehoek had gemaakt: het standaardwerk over de drie hoofdstromingen in de Nederlandse politiek. Zij aanvaarden de opdracht om een bundel samen te stellen met de belangrijkste artikelen van Van Doorn over de Nederlandse politiek en samenleving. Die bloemlezing verscheen deze week.

Het tweede besluit van Van Doorn was om zijn grote boek over het falen van de vooroorlogse Duitse sociaal-democratie en de triomf van het nationaal-socialisme, waarvoor het materiaal al jarenlang had klaar liggen, toch te schrijven. Maar wel in kort bestek, dat wilde zeggen driehonderd bladzijden in plaats van de nog veel ambitieuzere oorspronkelijke opzet.

Van Doorn is erin geslaagd deze tour de force in een jaar tot stond te brengen. Intussen verschenen zijn columns wekelijks in Trouw en HP/De Tijd, een aantal grotere stukken in NRC Handelsblad en werd hij dertien keer per ambulance heen en weer gereden tussen zijn woonplaats Sint Geertruid en Heerlen om te worden bestraald.

Duits Socialisme is zijn meest originele en stoutmoedige werk. Het falen van de Duitse sociaal-democratie in het interbellum is geen boze opzet geweest. Het was onmacht. Voor 1914 was die beweging al over haar hoogtepunt heen. Zij heeft nooit echte politieke invloed weten uit te oefenen. De leiding was verouderd. Ideologisch was zij vastgelopen, door de enorme invloed van de orthodoxe marxist Kautsky.

De Duitse socialistische partij heeft gefaald omdat zij, zoals Van Doorn schrijft, ‘Duitsland niet kon vinden’. Ze zag zich als onderdeel van een internationale beweging en wilde niet integreren in de Duitse natie. Daardoor heeft die partij geen moment het Duitse volk weten te overtuigen. Het socialisme van de SPD was geen Duits socialisme en daarom ging die partij ten onder in de krachtmeting met Hitlers nationaal-socialistische partij. Die NSDAP, concludeert Van Doorn, ‘bewees voor het eerst dat het socialisme geen splijtzwam hoefde te zijn, maar een unieke nationaal-bindende kracht vertegenwoordigde’.

Duits socialisme bevestigt de reputatie van Van Doorn dat hij, zoals hij het zelf zei, ‘een beetje querulanterig’ is. Als vragen niet worden gesteld, niet mógen worden gesteld, stelt Van Doorn ze toch. Het communisme is fout, het democratisch socialisme is goed: dat is de consensus onder de intelligentsia die door Van Doorn als onhoudbaar aan de kaak is gesteld. Eerder, in 1992, had Van Doorn dat ook al eens gedaan met betrekking tot het Nederlandse socialisme. In zijn klassieke essay ‘Het socialisme als kameleon’ analyseert hij de Nederlandse sociaal-democratie als een vreemd lichaam in een oerburgerlijk land: een radicale partij die zich met ‘voortdurende veranderlijkheid’ probeert te laten gelden in een gezapig en zelfgenoegzaam land. ‘Zij is ertoe veroordeeld geweest continu uitwedstrijden te spelen, op een vreemd veld, voor een weinig welwillend publiek’, noteert Van Doorn. De sociaal-democratie wist zich uiteindelijk geen raad met de postindustriële samenleving: ‘met het uiteenvallen van de arbeidersklasse vergruist haar voetstuk’. Zij is slachtoffer van een ‘dubbel debacle’, schrijft Van Doorn. ‘Staatsexploitatie bleek niet superieur aan de markteconomie – zie het communistische experiment; arbeiders zijn er beter aan toe in een markteconomie – zie de ervaringen in de kapitalistische wereld. In één beweging verloor het socialisme zijn eerste geloofsartikel en zijn trouwste bondgenoten.’

De opkomst en ondergang van het Nederlandse socialisme is één van de kernthema’s in Nederlandse democratie. De door De Beus en De Rooy bezorgde bundel is overigens niet de eerste selectie uit Van Doorns artikelen. In 1996 verscheen De draagbare Van Doorn, samengesteld door Gerry van der List, tegenwoordig redacteur van Elsevier. Zes van de beste essays uit die bundel zijn opnieuw opgenomen in Nederlandse democratie. Van der List nam naast essays ook een aantal autobiografische artikelen en columns van Van Doorn op. Een besluit dat de leesbaarheid en toegankelijkheid van De Draagbare Van Doorn zeer ten goede kwam. De Beus en De Rooy hebben de columns en persoonlijke ontboezemingen buiten hun selectie gelaten. Dat is goed te begrijpen, maar ook wel jammer. Zo blijven de lezers verstoken van Van Doorns heet-van-de-naald-commentaar op de Fortuyn-revolte en van zijn polemische bijdragen aan het vaderlandse islamdebat.

De thematische samenhang komt in Nederlandse democratie goed uit de verf. Het gaat om Van Doorns analyse van de moderne Nederlandse samenleving en de grote veranderingen daarin. De stukken zijn altijd erudiet, weloverwogen en tot nadenken stemmend. Sommige beschouwingen springen eruit qua originaliteit en scherpte. Behalve voor Van Doorns kritiek van het socialisme, geldt dat bijvoorbeeld voor de stukken over de verzuiling als systeem van sociale controle, in plaats van als uitdrukking van emancipatie van onderliggende bevolkingsgroepen, die in de jaren vijftig in ‘De sociologische gids’ verschenen.

Een juweeltje is ook een essay uit 1972, verschenen in NRC Handelsblad, waarin Van Doorn de reacties van autochtone Rotterdammers op de komst van etnische minderheden in de oude wijken analyseert. De spanningen die deze migratie veroorzaakt, werden door beleidsmakers volstrekt onderschat. Held van dit verhaal is ‘De Havenloods’, een Rotterdamse huis-aan-huis blad, waarin journalistieke nieuwsgierigheid het won van de verontwaardiging over racistische oprispingen die in de ‘grote’ pers de boventoon voerde.

Van Doorn liep ook voorop in zijn signalering van de overbelasting van de verzorgingsstaat, die de burgers afhankelijk maakt. Voor hem persoonlijk markeerde dit inzicht het afscheid van zijn geloof in de maakbaarheid van de samenleving en een overgang naar een sceptisch liberaal-conservatisme. De beleidssociologie maakte plaats voor geschiedsbeschouwing. Maar juist als historicus is Van Doorn meer een volger van gevestigde inzichten (met name die van Kossmann), dan een beeldenstormer.

De ‘late’ Van Doorn sluit zich aan bij de Nederlandse historici die het klassiek-verzuilde partijenstelsel als hoogste vorm van democratie beschouwen en het proces van ontvoogding van de kiezer negatief duiden als desintegratie, ontideologisering en populisme. Dat is merkwaardig, omdat de ‘vroege’ Van Doorn juist een scherp criticus was van het levensbeschouwelijke paternalisme dat een rationele benadering van politieke vraagstukken in de weg stond.

In een sombere zwanenzang vol ongerijmdheden kondigt Van Doorn zelfs een ‘herfsttij’ van de Nederlandse democratie af. Van Doorns stelt enerzijds dat de consumptiemaatschappij geen klasse-achtige, collectieve tegenstellingen meer kent en zo de maatschappelijke conflictstof mist die politieke partijen in beweging kan brengen. De actieve burger is een passieve consument geworden. Enkele bladzijden verder signaleert Van Doorn evenwel dat burgers zich massaal betrokken voelen bij de publieke zaak.

Met behulp van nieuwe media informeren zij zich en geven ze blijk van hun opvattingen. Maar met die participatie, deze ‘luid beleden mondigheid’, heeft Van Doorn weinig op: ‘Men pleegt het eigen oordeelsvermogen grandioos te overschatten, men blijft doorgaans hangen in stereotyperingen die met de werkelijkheid niets te maken hebben en men bepleit interventies die kant noch wal raken.’

Van Doorn verwijt de media en de politieke partijen het verzaken van hun volkopvoedende taken. In feite verlangt Van Doorn naar een herstel van wat H.J. Schoo een ‘geleide democratie’ heeft genoemd, volgens het principe daddy knows best. Maar die vaders mogen geen populisten zijn, want die maken zich schuldig aan ‘grove manipulatie’ van wat Van Doorn aan het slot van zijn boek opeens weer beschrijft als ‘de onmondige kiezersmassa’. Tja.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden