Er wordt te veel geschreven over de oorlog

Ook zeventig jaar na de Tweede Wereldoorlog verschijnen er nog volop boeken over die tijd. Te vaak is dat meer van hetzelfde.

Beeld Hilde Harshagen

In de bijna rituele vaststelling dat we maar niet uitgeschreven raken over 'de oorlog' - WOII uiteraard - klinkt doorgaans iets van een geruststelling door. Want de oorlog is te groot om door een andere episode te worden overvleugeld. Niet alleen vanwege de oorlog zelf, of vanwege de Holocaust, waarvoor de oorlog de condities schiep, maar ook vanwege de vermaning aan het nageslacht en vanwege al die hoopgevende initiatieven waarmee de machthebbers na de oorlog lieten zien dat ze de lessen van de recente geschiedenis ter harte hadden genomen: de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, de Verenigde Naties, de Europese eenwording.

Het gebod 'Gij zult herdenken' is een hedendaagse bezweringsformule. De herinnering aan de oorlog behoedt ons voor de fouten die tot een nieuwe oorlog zouden kunnen leiden - dat is de kern van bijna elke herdenkingstoespraak. Die formule impliceert ook het omgekeerde: dat we weer in de fout gaan als de oorlog in de vergetelheid zou raken.

Nieuwe inzichten 2015

Fijn houvast in een wereld vol chaos en ineenstorting: we leren er elk jaar wat bij. Dus viert De Volkskrant de grote nieuwe inzichten die 2015 heeft opgeleverd - dat we weer normaal gaan eten bijvoorbeeld, dat Pluto een soort Frankenstein is met een hartjes-emoji erop, dat de gentechrevolutie is begonnen, je pas echt meetelt met een dik boek en nog 14 andere superinteressante lessen.

Daarvoor zijn vooral veel Duitsers beducht. Ze lijken er een masochistisch genoegen in te scheppen zichzelf als 'volk van daders' te identificeren. Daarvan mag het feit dat er ook Duitse slachtoffers en helden waren vooral niet te veel afleiden. Deze aanhoudende 'zelfconfrontatie' vindt uiteraard ook zijn weerslag in de Duitse oorlogshistoriografie. Daarin nemen het verzet en de verdrijving van 12 miljoen Duitsers uit Oost- en Midden-Europa na 1945 nog altijd een uiterst bescheiden plaats in.

De afnemende historische sensitiviteit (Geschichtsverdrossenheit) waarvan Duitse denkers al jaren getuige menen te zijn, zou de bijl aan de wortels van de democratische rechtsstaat leggen. De vraag of de Duitse boetedoening ooit ten einde is, geldt dan ook als enigszins ongepast. Zo zei toenmalig Bondsdagvoorzitter Wolfgang Thierse, die zich als geen ander heeft beijverd voor het Holocaustmonument (Mahnmal) in hartje Berlijn, in 2005 in de Volkskrant: 'Het is niet aan ons om te bepalen of en wanneer het genoeg is. Dat kunnen alleen onze buren beslissen.'

Wij, in Nederland, kunnen er ook wat van. Getuige de aanhoudende belangstelling voor de herdenkingsbijeenkomsten op 4 mei, getuige ook het feit dat ruim 500 van de 3.500 oorlogsmonumenten in Nederland stammen van ná 2000, en getuige de boekenstroom die in omvang maar niet afneemt. Het afgelopen jaar werden weer vele tientallen titels toegevoegd aan de toch al imposante oorlogsbibliografie. Het merendeel werd door de auteurs, of hun uitgevers, gepresenteerd als een al dan niet essentiële aanvulling op de bestaande geschiedschrijving.

Dat streven kan tot uiting worden gebracht in vuistdikke boeken over een groot oorlogsthema waarvoor de auteur nieuwe bronnen heeft kunnen raadplegen. Zo verscheen bij De Bezige Bij de Nederlandse vertaling van KL, de studie van de Britse historicus Nikolaus Wachsmann naar de ontwikkeling van het stelsel van Duitse concentratiekampen - van folterkelders in de Duitse binnensteden tot de machinekamers van de Duitse vernietigingsindustrie. Wachsmann bedient zich van een afgemeten schrijfstijl waardoor de feiten - zonder uitzondering gruwelijk - voor zichzelf spreken.

Boek cover KL

Hoewel de Duitse concentratiekampen in de oorlogshistoriografie inmiddels een subgenre vormen, heeft Wachsmanns boek - door zijn vakgenoten meteen tot 'standaardwerk' gepromoveerd - een zekere meerwaarde ten opzichte van de bestaande literatuur. De auteur gaat terug naar het prille begin van de kampen, en laat zien hoe ongerichte bestialiteit tot systeem kon verworden.

Dat was ook de pretentie van de Britse journaliste Sarah Helm met haar boek over het vrouwenkamp Ravensbrück (waarvan de Nederlandse vertaling verscheen bij Ambo/Anthos). Over Ravensbrück zijn weliswaar eerder boeken geschreven, maar die zijn nauwelijks serieus te nemen, schrijft Helm in haar proloog. 'Zo prijkt er op de omslag van de memoires van een Franse literatuurdocente, Micheline Maurel, een weelderige dubbelgangster van een Bond-girl achter prikkeldraad.' Met andere woorden: dat vuistdikke boek over Ravensbrück móést er komen.

Helm lijkt de lezers echter vooral deelgenoot te willen maken van haar verontwaardiging over het regime in het vrouwenkamp. Daarbij bedient ze zich volop van sleetse formuleringen. Zo krijgen de gedetineerden donker vocht voorgezet 'dat moet doorgaan voor koffie', zijn de meeste kampbewaarders snauwende figuranten uit de tijd dat Duitsers in oorlogsfilms per definitie fout waren, en wordt de ernst van de gruwelen beklemtoond met een overdaad aan adjectieven. Helm wil de werkelijkheid tonen in dit 'oord van langzame uitroeiing'. Maar bij de zoveelste beschrijving van een aframmeling, een verblijf in de strafcel of een medisch experiment - hoe mensonterend ook - raak je als lezer wat afgestompt. Nee, erger: onverschillig. Deze reactie lijkt op die van Duitse scholieren die bij hun zoveelste verplichte bezoek aan een voormalig concentratiekamp uit verveling tikkertje gaan spelen tussen de barakken. Er zit tenslotte een grens aan wat mensen die het niet hebben meegemaakt kunnen bevatten.

Aan dat gegeven ontlenen talrijke boeken over de oorlogsgeschiedenis van individuen, families, beroepsgroepen en dorpsgemeenschappen juist hun bestaansrecht. Zij laten zien wat de weerslag van die onbevattelijke oorlog was op het leven van mensen in die wrede tijd. Daarmee voorzien ze in een behoefte van lezers die zichzelf de niet te beantwoorden vraag stellen: wat zou ík onder die omstandigheden hebben gedaan?

Voorbeelden van boeken waarin de oorlog tot meer behapbare proporties wordt teruggebracht zijn - onder andere - Het verraad van Benschop (een oorlogsdrama in het gelijknamige Utrechtse dorp), Vergeet niet dat je arts bent (over Joodse artsen tijdens de Duitse bezetting), De redding van de familie Van Cleeff (over de lotgevallen van een Joodse familie voor, tijdens en na de oorlog), Aan de Maliebaan (Utrechts mooiste laan tijdens de oorlog), Het geheim van de Valeriusstraat (over een Amsterdams gezin dat werd verscheurd door politieke tegenstellingen) en Leef gelukkig! (de geschiedenis van een Joodse familie op basis van egodocumenten).

Sommige van deze boeken zijn zonder meer waardevol, zoals Vergeet niet dat je arts bent (van Hannah van den Ende), dat de beklemming oproept van Joden die met valse doktersattesten en zelfverminkingen proberen aan deportatie te ontkomen. Maar wat vooral opvalt, is de veelheid aan boeken in dit genre. En je kunt je afvragen of 'veel' onderhand niet 'te veel' is. Het verraad van Benschop (van Bram de Graaf) is voor de direct betrokkenen wellicht interessant, maar de overige lezers zullen het toch als een fletse kopie ervaren van De vergelding van Jan Brokken (over de gevolgen van een verzetsdaad voor de burgers van Rhoon). En Arjeh Kalmann, de auteur van Leef gelukkig, lijkt de discutabele opvatting te huldigen dat élk egodocument van élke getuige van de oorlog per definitie belangwekkend is.

Boek cover Vergeet niet dat je arts bent

Zeventig jaar na dato is de omvang van de oorlogsliteratuur niet langer maatgevend voor de betrokkenheid van het nageslacht bij de oorlog. Het aantal streek-, dorps- of familiegeschiedenissen heeft een bovengrens. Die grens is bereikt als de ontvankelijke lezer er een déjà-vugevoel bij krijgt. En dat gevoel dringt zich bij het huidige aanbod onwillekeurig op.

Strikt genomen voegen elk boek waarvoor nieuwe bronnen zijn aangeboord en elke getuigenis van elke ooggetuige iets toe aan de bestaande oorlogsliteratuur. Maar de vraag is of dat onderhand nog genoeg is. Of alles dat nog over de oorlog kán worden geschreven ook móét worden geschreven. Meer van hetzelfde draagt niet noodzakelijkwijs bij aan meer kennis van de oorlog of aan een grotere ontvankelijkheid voor de vredesboodschap die aan de oorlog wordt verbonden. Integendeel: de grote hoeveelheid oorlogsliteratuur illustreert slechts de vergeefsheid van het streven deze episode werkelijk te doorgronden. De Tweede Wereldoorlog verdient niet méér boeken, hij verdient góéde boeken. En die zijn schaars.

Nieuw! Ontvang elke dag de Volkskrant Avond Nieuwsbrief in uw mailbox, met het nieuws van vandaag, tv-tips voor vanavond, en alvast zes artikelen uit de krant van morgen. Schrijf u hier in.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden