'Er wordt af en toe met ons geld een wond gehecht'

De Amsterdamse verpleeghuisarts Bert Keizer maakte in 1994 furore met Het refrein is Hein, waarin hij zijn dagelijkse ervaringen met zorg en dood te boek stelde....

BERT KEIZER noemt het de 'Volkskrant-blik', de manier waarop de gemiddelde Nederlander naar ontwikkelingslanden kijkt. Alsof alle mensen overal ongeveer hetzelfde zijn. 'Dan krijg je een minister van Ontwikkelingssamenwerking die bij de zoveelste moordpartij tegen de Hutu's of de Tutsi's roept: ''Ophouden hoor! Wij vinden dit niet goed.'' ' Hij schaterlacht bijna bij de herinnering.

Onlangs zag hij op de televisie een uitzending over Thailand, waar door de enorme armoede steeds meer kinderprostitutie voorkomt.

'Ik snap dat niet. Ik heb zelf een dochtertje van tien, maar ik zou toch nooit mijn kind laten bevuilen, omdat we geen brood hebben? Wat zijn dat nou voor mensen?'

'Ik zeg altijd: dat zijn klerelanden, maar dat mag je geloof ik niet zeggen. Al Gore heeft daar vorige week in Maleisië nog grote problemen mee gekregen. Ik denk dat we moeten vaststellen dat we kennelijk de grenzen tussen goed en kwaad, tussen behoorlijk en onbehoorlijk, alleen voor onze eigen cultuur kennen.'

Afrikanen zijn slecht in Europese dingen, zoals lijstjes maken en op tijd komen. Dat is de conclusie van de hoofdpersoon in zijn roman Tijdelijk feest, Bram van Bekkum, die na zijn artsexamen een paar maanden in Afrika gaat werken. Keizer: 'En dat is dan ook alles wat je kunt constateren. Verder begrijp je niets van die mensen.'

Keizer werkte in 1981 zelf vijf maanden in een missieziekenhuis in het Keniase Mukumu. Zijn toenmalige vrouw, die ook arts was, kreeg een contract en hij ging mee, 'in een zijwagentje'. Zijn herinneringen bracht hij samen in - wat door zijn uitgever wordt genoemd - een postkoloniale 'doktersroman'.

Bram wordt in Kenia verliefd op de vrouw van een collega en gaat uiteindelijk met haar terug naar Amsterdam, maar daarmee houdt elke vergelijking met het genre doktersroman op. Kinderen zien eruit als 'uitgedroogde zichzelf doodschijtende eiwitloze hompjes', patiënten sterven omdat niemand bloed wil geven, met geld is alles te regelen en de bisschoppelijk secretaris houdt vanuit zijn met wijn besprenkelde villa de kerk in Afrika stevig op koers.

Zijn boek is één lange aanklacht tegen ontwikkelingshulp, tegen 'het zootje ongeregeld dat al twee eeuwen het vliegtuig uit komt struikelen om Afrika iets aan te smeren of af te pakken'. 'Wat doe ik hier in godsnaam', vraagt Bram zich kort na aankomst wanhopig af. Vijf maanden later constateert hij: 'Ontwikkelingshulp is een huilerig misverstand. Het is geen hulp, bij wat dan ook.'

Toch is aanklagen niet wat de schrijver wil. Keizer kijkt bedenkelijk. 'Ik ben geen Afrika-kenner', zegt hij een paar keer tijdens het gesprek.

'Dit is mijn verhaal. Ik heb geen encyclopedisch artikel over ontwikkelingshulp geschreven. Keizer vertelt alleen maar dat het zo niet gaat. Wat de lezer daarmee doet, weet ik niet. Ik denk dat mijn boek helpt noch hindert.'

Hij lijkt verbaasd over de onbedoelde boodschap die lezers in zijn werk blijken te ontdekken. In zijn eerste roman, Het refrein is Hein, verhaalde hij over zijn werk als verpleeghuisarts. 'Critici schreven: Keizer heeft ruzie met de geneeskunde, terwijl ik alleen maar beschreef hoe mijn dag in elkaar zit. Ik schrijf altijd een beetje pamfletterig, maar dat is eigenlijk helemaal mijn bedoeling niet.'

Hij schreef zijn Afrika-roman uit verbazing, zegt hij. 'Ik kan er niet bij dat ontwikkelingswerkers niet in de gaten hebben dat dat vierkante wieltje niet draait. Het is wel zielig en de intentie van velen van hen is hartstikke lief, maar het blijft daar een doffe ellende. Bolkestein is mijn grote vriend niet, maar hij is wel in al die landen geweest en hij heeft van A tot Z gelijk met zijn kritiek op de geldverspilling.'

Hij veert op: 'Hoe vind je dat? Die Kenianen steken zelf ook geen poot uit naar hun landgenoten. Er is bijna geen Keniaan die in dat rare Mukumu in het ziekenhuis wil werken. Ze blijven liever in Nairobi hangen.'

Met zijn Afrikaanse collega's sprak hij nooit over zijn onzekerheden. 'Dat heeft weer alles te maken met het wederzijdse onbegrip. Op mijn vraag over het nut van mijn komst naar Afrika, zouden ze antwoorden: ''Het is hier toch heerlijk? Je bent er nou toch.'' Als ik een lang gesprek probeerde te voeren met Sam, de Afrikaanse arts, dan zat hij altijd te vissen naar een baan in Amsterdam. Hartchirurg in Boston, dat was zijn grote ideaal.'

Na vijf maanden, toen het contract van zijn vrouw afliep, ging Keizer 'met plezier' terug naar Amsterdam. 'Ik had het gehad. Ik heb gemerkt dat ik toch heel erg een Europeaantje ben. Ik moet een boek hebben, een glas jenever, een beetje herfst.'

Daar blijven, was makkelijk geweest, zegt hij. 'De jongens die naar Afrika toe gaan, zijn vaak grote idealisten. Maar zij die blijven hangen, behoren niet tot de sterkste categorie. Als je blank bent en je spreekt Engels, kun je bij wijze van spreken een gat in de grond graven en beginnen. Mensen kijken tegen je op, je krijgt een beter huis, een beter salaris, betere vrouwen.'

'Daarom komen tropenartsen die een jaar of zes, zeven in Afika zitten, ook niet meer terug. Ze zouden hier in een gigantische depressie donderen. Dat heeft alles te maken met hun overwicht daar, het scoren met niks. In Nederland moet je gewoon weer achter in de rij gaan staan, met een natte handdoek.'

Kort na zijn terugkomst kreeg hij een baan aangeboden als arts in een Amsterdams verpleeghuis, waar hij nu, zestien jaar later, nog werkt. Een grote overgang van de Afrikaanse rimboe naar de hoogstaande westerse geneeskunde?

Hij haalt zijn schouders op. 'Het was mijn eerste echte baan, dát vond ik erg. Iedere morgen om acht uur op de fiets naar het werk. Terwijl mijn lijfspreuk was: They ain't gonna get me.'

Als hij over zijn 'oudjes' praat, wordt zijn toon fel. 'Helaas heb ik dan wel een missie. Ik heb het slechtst opgeleide personeel dat voor de moeilijkste mensen moet zorgen. In mijn verpleeghuis zitten demente bejaarden soms tien jaar verder te dementeren en ik moet jaar in jaar uit de familieleden vasthouden in hun wanhoop. Dat is zwaar. En daar is geen geld voor.

'En weet je hoe dat komt? Omdat we zo bang zijn voor de dood. Ik vind dat er veel meer geld naar mijn mensen moet, zodat ze een normale kamer krijgen en verdomme kunnen poepen en piesen wanneer ze willen. Maar in plaats daarvan hebben wij de afgelopen vijftig jaar miljarden en miljarden geïnvesteerd in kankerresearch. De beste koppen in de duurste laboratoria. We weten nu nog beter wat kanker is, maar de meeste vormen kunnen we nog steeds niet genezen. Financieel gezien is dat de meest belachelijke investering van deze eeuw geweest.'

Hij zegt: 'Precies de helft van ons werk doen we goed, dat is het genezen. Maar het zorgen, dat doen we niet, uit geldgebrek. Kun je je voorstellen dat ik dan pissig word als zo'n onderzoeker in Afrika arriveert met een minilab van anderhalve ton. Voor onderzoek naar syfilisbestrijding. Dat stoort mij.'

Moeten we alle ontwikkelingshulp dan maar stop zetten en het geld besteden aan de zorg in eigen land? 'Ik heb geen suggesties', zegt hij. 'Je kunt niet ontkennen dat er met ons geld af en toe een wond wordt gehecht in Afrika. Ik zou alleen graag willen dat we wat nederiger worden over wat we denken te kunnen aanrichten in de wereld. En dat we inzien in wat voor een paradijs we hier eigenlijk leven.'

Naar Afika is hij nooit meer teruggeweest. 'Die vijf maanden waren voor mij onvergetelijk, maar ik hoef er niet nog een keertje heen, dankjewel. Als ik de tv aanzet en ik zie de ellende daar, dan denk ik alleen maar: dat vierkante wieltje rolt nog steeds. Het gaat lekker in Afrika.'

Wie hem een cynicus noemt, krijgt een venijnige blik. 'Cynisch is liefdeloos, en dat ben ik niet. Ik probeer alleen maar zo min mogelijk illusies te hebben over onze illusies. Op de een of andere manier lucht dat op.'

'Ik ben een tobber', geeft hij uiteindelijk toe. 'Ik had natuurlijk ook naar Afrika kunnen gaan, daar mijn best kunnen doen en verder niks. Maar nee. Keizer moest er weer zo nodig een liedje bij zingen.'

Ellen de Visser

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden