Er is steeds meer stiekem

Wat de inlichtingendiensten doen wordt steeds geheimzinniger, in een tijd die vraagt om meer openheid.

Waar ging het nou eigenlijk over, de afgelopen week? Over de vraag of de regering het parlement in het geheim duidelijk genoeg de waarheid had verteld - om de wereld in het openbaar te mogen blijven voorliegen.


Het draaide om een vergadering van de commissie-Stiekem op 12 december, de commissie van fractievoorzitters in de Tweede Kamer, waarin dingen over de geheime diensten worden verteld die geheim moeten blijven. In de bewuste vergadering zou Pieter Bindt, het hoofd van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD), eindelijk hebben verteld waar die 1,8 miljoen metadata vandaan kwamen die de NSA als 'Nederlands' bestempelt: van de Nederlandse diensten, afkomstig uit het buitenland. In tegenstelling tot wat minister Plasterk tot dan toe had beweerd.


Volgens de ene lezing was de boodschap in de geheime vergadering duidelijk geweest. Volgens de andere lezing was de boodschap in de geheime vergadering niet duidelijk geweest. Hoogstwaarschijnlijk zal de boodschap een beetje duidelijk zijn geweest. De regering was niet helder, de oppositie heeft zitten slapen. Maar wat doet het ertoe?


Stel dat de regering wel helder was geweest, en stel dat de fractievoorzitters in de commissie niet hadden zitten slapen? Dan zouden dus een stuk of tien mensen hebben geweten hoe de vork in de steel zat en een stuk of zestien miljoen het hebben moeten doen met de eerdere verzinsels van minister Plasterk. Hoe bevredigend is dat?


Als de spionagediscussie iets aantoonde, de afgelopen twee weken, is het dat de politieke werkelijkheid niets meer te maken heeft met de echte werkelijkheid. Intussen weten we nog steeds niets. Terwijl juist nu, na de onthullingen van Edward Snowden, zo veel vragen bestaan over de rol die de inlichtingendiensten, waaronder de Nederlandse, precies vervullen.


Bijvoorbeeld: de vraag of tussen 'onze' uit de Afghaanse ether geviste metadata lijntjes kunnen worden getrokken, lijntjes van de ene Afghaanse beller naar de andere, lijntjes die duidelijk maken wie belangrijk is en wie niet, lijntjes die coördinaten opleveren waar Amerikaanse drones op worden afgestuurd.


Maar wat gebeurt er nu: Plasterk, als minister van Binnenlandse Zaken verantwoordelijk voor de AIVD, beloofde voortaan op tv niets meer te zeggen over de werkzaamheden van de geheime diensten. Dat werd enthousiast ontvangen, want Plasterk had eerder onzin verkondigd op tv. Maar is dat de keus? Foute informatie geven óf geen informatie geven? Is dit de uitkomst die we willen?


Transparantie

'Er zijn twee redenen waarom we juist meer transparantie moeten verlangen', zegt Bob de Graaff, hoogleraar intelligence en security studies aan de Universiteit van Utrecht en de Nederlandse Defensie Academie in Breda. Als westerse democratieën geheime diensten hebben om de democratie te beschermen, dan moeten die diensten dat wel zo democratisch mogelijk doen.


Een tweede reden heeft te maken met verwachtingenmanagement, zegt De Graaff. De geheime diensten moeten de situatie niet mooier voorstellen dan die is. Anders gaat het altijd tegenvallen, en kun je na een incident zoals een aanslag irrationele reacties verwachten. De ondoordachte roep om nog meer bevoegdheden, bijvoorbeeld.


'Tegenwoordig hebben het publiek en de politiek overtrokken ideeën van wat de diensten kunnen', zegt De Graaff. 'Ze denken dat de diensten met spionagesatellieten kunnen zien wat voor merk er op het blikje staat van iemand die op het strand zit te drinken. De techniek staat voor niets, denkt iedereen, de diensten kunnen alles. Maar dat is niet zo.'


Die misvatting uit zich in de paranoia van de afgelopen maanden: de vrees dat iedereen altijd en overal wordt afgeluisterd. Anderzijds, denkt De Graaff, zijn er ook veel mensen die de spionage-almacht een geruststellende gedachte vinden: heerlijk dat er iemand is die voortdurend op ze let en kan ingrijpen als dat nodig is. God is dood, de inlichtingendiensten zijn springlevend.


De Graaff: 'Om één persoon echt in de gaten te houden, met volgteams die elkaar afwisselen, heb je al gauw dertig mensen nodig. Om honderd mensen in de gaten te houden zit je zo op drieduizend mensen. Er zijn altijd capaciteitsproblemen.'


Voor sigint (signal intelligence), het onderscheppen en analyseren van communicatie, gelden natuurlijk veel grotere aantallen: het zoeken en herkennen van patronen kan deels worden geautomatiseerd. Maar uiteindelijk moet ook daar een analist naar kijken. Ook dan zijn de mogelijkheden niet eindeloos.


Het merkwaardige is dat de Nederlandse inlichtingendiensten dat soort rekensommen nooit zelf zullen maken, nooit iets zullen relativeren. 'Die denken: laat de mensen maar gissen', zegt De Graaff. 'Laat ze maar denken dat we almachtig zijn.'


Suspecte lieden

De vraag hoe geheimzinnig de geheime diensten moeten zijn is van alle naoorlogse tijden. Toen de commissie-Stiekem in 1952 werd opgericht om de activiteiten van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) te kunnen controleren, vroeg voorzitter Jaap Burger (PvdA) zich al af hoe de commissie de rol van de BVD naar buiten toe kon uitleggen. 'Misschien moeten we op de een of andere manier vertellen wie er nou bang moet zijn voor de diensten', schreef hij. 'Iedereen, of alleen de suspecte lieden.'


Het waren de tijden dat iedereen die een abonnement had op De Waarheid een carrière bij de overheid kon vergeten. Veel mensen die waren afgewezen, wilden weten of dat was gebeurd op basis van BVD-bevindingen.


'Al die mensen die dachten dat ze waren benadeeld, klopten aan bij de kamercommissie', zegt Constant Hijzen, die in Leiden promoveert op de geschiedenis van de inlichtingendiensten. 'Die verwerd tot een soort klachtencommissie. Een bredere discussie over het functioneren van de geheime diensten bleef uit.'


Pas eind jaren zestig begonnen Joop den Uyl en Hans van Mierlo meer fundamentele vragen te stellen. Vanaf 1967 begon de commissie-Stiekem af en toe verslag uit te brengen van de verrichte werkzaamheden, zij het vaak zeer algemeen.


De eerste echte poging de geheime dienst opener te maken kwam toen Arthur Docters van Leeuwen in 1989 werd benoemd tot hoofd van de BVD, zegt Hijzen. 'Die ging met zijn kop op televisie, noemde getallen en namen. Hij kwam van buiten de dienst, was een door de wol geverfde bestuurder die goede contacten onderhield met journalisten en topambtenaren. Hij ging ineens veel meer vertellen, bijvoorbeeld over het rechtsextremisme en dierenactivisme.' Onder Docters van Leeuwen zag in 1992 ook het eerste openbare jaarverslag het licht.


De dienst kwam praatjes houden op universiteiten, ging openlijk nieuwe werknemers werven. Het was een poging van de ministers Kees van Dijk en Ien Dales een frisse wind te laten waaien. 'De Graaff: 'Zij vroegen zich af: waarom zitten we nog achter de CPN aan? Dales durfde vragen te stellen over de doelmatigheid en effectiviteit van de dienst. Dat vergt moed en kritische scherpte. Dat is erg afhankelijk van een individuele minister.'


Los van het duo Dales en Docters was het er ook de tijd naar: met het eind van de geschiedenis moesten de geheime diensten zich opnieuw uitvinden. De Inlichtingendienst Buitenland werd in 1994 opgeheven, waarna er alleen voor de binnenlandse dienst een rol over bleef.


Gestapo

De openheid van Docters van Leeuwen en Dales was ook nodig om de BVD een professioneler aanzien te geven. Als de BVD in de jaren zeventig en tachtig in de publiciteit kwam, was dat toch vaak als een soort Gestapo op klompen. Elk falen werd breed uitgemeten - mislukte wervingspogingen van agenten bij rode splintergroepen, bijvoorbeeld - maar gek genoeg liet de BVD zich dat imago aanleunen. 'Toen redeneerden ze: Laat ze ons maar onderschatten', zegt De Graaff. 'We krijgen ze wel.'


Dat beeld is totaal gekanteld. Van mislukte kneus werd de dienst een almachtige superspion.


Dat de diensten zich nu weer een vertekend beeld laten aanleunen kan zich tegen hen keren, denkt De Graaff. Want een van de eisen aan de spionnen is die van 'proportionaliteit': dat ze niet meer doen dan nodig is. 'Nu gaan er maandenlang allerlei verhalen de ronde vanwege die 1,8 miljoen metadata. Als je kunt uitleggen dat dat geen 1,8 miljoen personen zijn, en niet om Nederland gaat, dan haal je veel onrust uit de lucht.'


Maar ja: operationele gegevens, zeggen Plasterk en Hennis dan tegenwoordig. De Graaff vindt dat geen argument. 'Werkwijzen die algemeen bekend zijn, hoef je niet geheim te houden.


De Amerikanen en Noren hebben daar ook weinig moeite mee. De Nederlandse diensten en hun ministers zijn zeer terughoudend, als je het vergelijkt met andere landen.' Onderdeel van het probleem is dat in Nederland de diensten niet hun eigen woordvoering doen, maar de verantwoordelijke ministers. Daardoor wordt alles politiek: zelfs een simpele inhoudelijke stand van zaken.


De weg van de openheid, door Docters Van Leeuwen ingeslagen en door zijn opvolger Sybrand van Hulst doorgezet, liep na de eeuwwisseling dood. Een geheim was weer geheim. Kijk ook naar de omgang met het archief: had de BVD in de jaren negentig nog een eigen historicus die een boek mocht publiceren over de dienst, het interne historische onderzoek is sindsdien alleen maar voor intern gebruik'. Ook inzagedossiers, die in principe openbaar zijn, worden niet genereus geopenbaard door ze bijvoorbeeld op internet te zetten.


Er is wel informatie beschikbaar. De MIVD en AIVD schrijven elk jaar verplicht een openbaar jaarverslag en tussendoor soms een extra rapport over hun speerpunten (zoals vorig jaar het hacken van jihadistische fora). Daarnaast heeft de CTIVD, de commissie die toezicht houdt op de inlichtingendiensten, een hoge productie. In 2011 schreef deze toezichthouder een vrij omvangrijk rapport over de 'sigint' van de MIVD. In een passage over het ongericht onderscheppen van satellietcommunicatie staat dat 'deze bulk aan communicatie duizenden sessies kan bevatten'. Verderop staat dat in 'theorie alle satellietcommunicatie over de hele wereld kan worden onderschept'. Dat geeft al veel prijs over de 1,8 miljoen metadata die de ministers geheim wilden houden.


Dat soort rapporten is echter onvolledig: zo kijkt de CTIVD alleen of de diensten mogen doen wat ze doen en niet of dat ook nodig is. 'Het zou helpen als de CTIVD ook iets mag zeggen over doelmatigheid', zegt De Graaff.


De CTIVD heeft inmiddels een onderzoek ingeleverd over de samenwerking tussen Nederland en de NSA. En binnenkort komt het kabinet met een reactie op de commissie-Dessens, die in december adviseerde de bevoegdheden en controle van de diensten uit te breiden.


Wie weet grijpt de Tweede Kamer die gelegenheid aan om inhoudelijke vragen te stellen en het kabinet om die zo veel mogelijk te beantwoorden

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden