Les 1Het klaslokaal

Er gaat niets boven het klaslokaal

Na weken ploeteren met afstandsonderwijs snakken docenten naar het klaslokaal. Alleen daar kunnen ze contact maken met de leerlingen en studenten, alleen daar ontstaat een goed gesprek.

Liesbeth Breek: ‘Ik besef nu meer dan voorheen hoe belangrijk mijn waarnemingen zijn in mijn docentschap.'Beeld Els Zweerink

Die knul met z’n koptelefoon ziet er moe uit. Het meisje met gescheiden ouders ontwijkt haar blik. En die stille jongen? Hij lijkt opgewekter dan normaal. Zou hij verliefd zijn?

Voordat dat vermaledijde virus toesloeg, begon een les voor Liesbeth Breek altijd bij de deur van het lokaal. Daar observeerde ze de binnendruppelende leerlingen. ‘Vaak weet ik in één oogopslag hoe het met ze gaat’, zegt ze.

Het hoort bij het vak. Ze is niet alleen aangesteld om de leerlingen van het Petrus Canisius College in Alkmaar het verschil tussen de imparfait en de passé composé uit te leggen. Ze moet ook weten hoe het met de leerlingen gáát. Zodat ze eventueel kan bijsturen, kan ingrijpen, iemand een spreekwoordelijke aai over de bol kan geven.

Ook tijdens de les blijft ze daarom kijken. Dat meisje kan zich vandaag niet concentreren. Hij moet alweer een pen lenen van een klasgenoot. En wat heeft die jongen daar achterin toch altijd vieze nagels, dat moet ze toch echt eens aan zijn mentor doorgeven.

‘Na de les volgt soms een gesprek’, zegt ze. ‘Ik vraag: klopt het dat je vandaag wat stiller was dan anders?’

Maar de afgelopen maanden kon dat allemaal niet, zegt Breek. Het was behelpen. Want met de lessen op afstand gaat een cruciaal element van het onderwijs verloren. Ze is nu vooral aan het zenden. Er is minder interactie, hoezeer ze ook haar best doet met quizjes en andere werkvormen waarmee ze de leerlingen probeert te activeren, hoe vaak ze haar mentorleerlingen ook opbelt.

‘Achter dertig webcams gebeurt van alles dat mij ontgaat’, zegt ze. ‘Ik besef nu meer dan voorheen hoe belangrijk mijn waarnemingen zijn in mijn docentschap. Leraar zijn is voor mij kijken, kijken en nog eens kijken.’

Afstandelijk zwart

Het moge duidelijk zijn: Liesbeth Breek mist het klaslokaal. En daarin is ze niet de enige. Tijdens hun lessen in digitale vergaderruimtes als Zoom of Teams realiseren talloze docenten zich hoe noodzakelijk het is bij elkaar te komen in zo’n ruimte met een paar kindertekeningen of een kaart van de Indonesische archipel aan de muur.

Ach, die heerlijke biotoop vol leerlingen, die plek waar jongelui hun meningen vormen, het hok waar kwartjes vallen en prille geliefden elkaar in de achterste banken stiekem briefjes toestoppen. Als onderwijs een maaltijd is, dan is het klaslokaal de pan waarin je die bereidt. Of er nu basisonderwijs, middelbaar onderwijs of hoger onderwijs op het menu staat.

Neem Theo Dersjant, docent journalistiek aan de Fontys Hogeschool in Tilburg. Hij vertelt dat een paar studenten hun camera tijdens de eerste digitale lessen nog wel aan hadden staan. Maar al snel zag hij ‘de lichtjes doven’. Dersjant keek alleen nog tegen zwarte vlakken aan.

Theo Dersjant: ‘De docent is een acteur geworden die achter een gesloten gordijn zijn toneelstuk opvoert.'Beeld Els Zweerink

In de hoop toch weer te kunnen beschikken over dat ‘laatste beetje visuele informatie’ stuurde hij zijn studenten een mail met het verzoek de camera tijdens de colleges alsjeblieft weer aan te zetten, zodat hij toch een beetje het gevoel had met ze in een lokaal te zitten. Tevergeefs. Het bleef ‘afstandelijk zwart’, zoals hij het noemt. ‘Ik heb na die eerste week niemand meer gezien.’

Natuurlijk, hij begrijpt het. Studenten hebben er geen behoefte aan dat de docent meekijkt in hun kamer. Niemand hoeft te weten dat ze nog bij hun vriendjes of vriendinnetjes in bed liggen. Maar lastig is het wel.

Een docent wil namelijk voelen of een grap is aangekomen. Merken wanneer de leerlingen verveeld uit het raam gaan turen. Zien of de ogen beginnen te glimmen als hij een onderwerp aansnijdt. In een klaslokaal is dat vanzelfsprekend. Online gaat het allemaal maar matig.

‘De docent’, zegt Dersjant, ‘is een acteur geworden die achter een gesloten gordijn zijn toneelstuk opvoert.’

Onlangs deed hij zijn jaarlijkse college met de persconferentie, wat normaal gesproken een levendige bedoening is. Dersjant speelt een woordvoerder van de Apenheul, die vertelt dat een van de stamgorilla’s is overleden. De studenten moeten luisteren, vragen stellen en daarna snel een nieuwsbericht tikken.

‘Normaal leg ik dan wat rouw in mijn stem’, zegt Dersjant. ‘En dan zie ik hoe ze daarop reageren. Na afloop steken ze hun hand op, ik maak oogcontact, geef ze het woord. Online kan dat allemaal niet. Dit keer typten ze hun vragen in de chatfunctie. Niemand sprak. Het was vrij bizar.’

Confrontatie

‘Ik moet ze gewoon bij me hebben’, zegt economieleraar, lerarenopleider en publicist Ton van Haperen. ‘Het werk met een klas, een groep, in zo’n lokaal – dat is fantastisch.’

Ton van Haperen: ‘Ik heb geen idee wat ze doen, ik weet niet eens of ze wel aanwezig zijn, ik weet alleen dat hun computer aan staat.’Beeld Els Zweerink

Natuurlijk draaide ook Van Haperen de afgelopen tijd zijn digitale lessen af, maar erg warm kreeg hij het er niet van. De kinderen waren aardig, zegt hij. Ze informeerden naar zijn gezondheid. En als hij ze een deadline gaf, dan rolde het huiswerk ‘als diarree’ zijn inbox in.

Ja, organisatorisch klopte het allemaal. Maar je wordt wel belazerd, zegt hij. ‘Ik gaf ze een opdracht in plaats van een proefwerk. Dan struinen ze het internet af en ze bellen elkaar. Maar ik geef ze met plezier die negen, hoor. Samenwerken en slim je informatie binnenhalen is ook een kwaliteit.’

Al met al komt het afstandsonderwijs volgens Van Haperen niet in de buurt van het onderwijs dat hij in het klaslokaal kan geven. ‘De leerlingen zetten camera en microfoon uit’, zegt hij. ‘Ik heb geen idee wat ze doen, ik weet niet eens of ze wel aanwezig zijn, ik weet alleen dat hun computer aan staat.’

Wat daardoor vooral verloren gaat, is het gesprek. Van Haperen ziet het onderwijs niet als een individuele aangelegenheid. Het is een groepsproces, zegt hij. Leren doe je niet alleen. Zelf legt hij nieuwe stof uit, stelt vragen, legt nog wat uit. En dan zet hij de leerlingen aan het werk. Ze lopen vast. Hij legt de boel stil, praat met ze, geeft een tip. En daarna kunnen ze weer door.

‘In een klaslokaal krijg ik op die manier altijd boven tafel wat ze niet snappen’, zegt Van Haperen. ‘Online lukt dat niet. Nooit! We hebben geen gesprek, we praten niet over wat moeilijk is, over wat ze niet denken te kunnen maar wat vervolgens toch lukt. Ik mis die confrontatie waarmee ik ze een stukje verder breng. Juist dat maakt onderwijs zo intens.’

In plaats daarvan stuurt Van Haperen in deze digitale tijden vooral veel e-mails. Hij voelt zich ‘een arbeider in een feedbackfabriek’. Al die mailtjes, waarin hij benadrukt wat goed is en wat beter kan. Het helpt niet veel, denkt hij. ‘Waarschijnlijk klikken ze die halverwege weg.’

Schaamte

‘Onlineonderwijs is een lapmiddel’, zegt ook Marc van Oostendorp. ‘Het is iets dat we misschien een tijdje moeten volhouden, maar het kán eigenlijk niet. En dat is, denk ik, omdat schaamte ontbreekt.’

Volgens de Nijmeegse hoogleraar Nederlands gedijt het leerproces bij een beetje spanning en sensatie. Er moet iets op het spel staan, zowel voor de docent als de student.

‘Iedere goede docent is een beetje zenuwachtig voordat het college begint’, zegt hij. ‘Ben ik goed voorbereid? Sta ik straks niet te stamelen? En als het meezit, voelt ook de student zich een beetje nerveus. Volg ik het wel? Laat ik me niet afleiden? Kan ik een vraag beantwoorden als die nu op me wordt afgevuurd?’

Het gaat daarbij niet om ‘het schaamrood op de kaken’, zegt Van Oostendorp, maar om heel subtiele prikkels, die maken dat mensen net iets meer hun best doen, net dat beetje dat echt leren mogelijk maakt. ‘Er moet een kans zijn om af te gaan.’

Het probleem is volgens Van Oostendorp dat zulke prikkels tijdens de digitale lessen minder gauw optreden. Hij probeert het er wel in te stoppen, door zijn colleges interactief te maken en veel vragen te stellen, maar optimaal is het niet. ‘Online kun je altijd wegduiken, je microfoon op mute zetten of slechte wifi faken’, zegt hij.

In het klaslokaal is dat anders. ‘Als mensen fysiek bij elkaar zijn, gebeurt er iets dat we mogelijk nog niet helemaal begrijpen, maar dat al duizenden jaren zijn werk doet’, zegt Van Oostendorp. ‘Dat is niet zomaar te vervangen door welk online contact dan ook.’

Ton van Haperen over nieuwe inzichten:
‘Ik zit digitaal les te geven en denk ineens, wat is die B. eigenlijk aan het doen? Ze is een lief en intelligent kind, maar ze heeft in de klas altijd een blik van ‘rot op’ in haar ogen. Dus ik roep naar mijn scherm: ‘Hé B., doe je camera eens aan.’ Dat doet ze. En dan zie ik haar. Die stoere meid. In een meisjesbed. Onder een dekbed met bloemen. Soms vergeet je door die grote lijven dat het nog kinderen zijn.’

Liesbeth Breek over een bijzonder moment:
‘Ik log altijd vroeg in, zodat ik alle leerlingen in mijn videoles persoonlijk welkom kan heten, net zoals ik dat in het klaslokaal deed. Op school zet ik daarbij vaak Franse muziek op. Een leerling had dat onthouden. Ik logde in, en hij verwelkomde ons van achter zijn piano. We hebben de eerste minuten rustig genoten van zijn prachtige spel.’

Theo Dersjant over een praktisch probleem:
‘Een student vertelde me laatst dat hij tijdelijk was teruggekeerd naar zijn ouderlijk huis. Daar zaten zijn ouders en zijn broer, zus en zwager op hetzelfde netwerk. De verbinding was niet altijd even goed. Ik heb op de opleiding gezegd dat we studenten tips moeten geven hoe ze de wifi kunnen verbeteren. Het online onderwijs is zo goed als het netwerk toestaat.’

Nu de klaslokalen in Nederland beetje bij beetje weer opengaan, is het tijd voor een eerste balans. Wat hebben we geleerd van het afstandsonderwijs? Hoe ziet de toekomst van de docent eruit? Over de magie van het klaslokaal en hoe docenten opbloeien als ze professionele ruimte krijgen. De negen belangrijkste lessen op een rij.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden