Epicentrum Leidseplein

Begin jaren zestig diende zich de zindering aan van een nieuwe tijd. In Amsterdam weekte de zorgeloze jeugd zich los van de moraal van de burgerman. Hoe verrukkelijk was het leven in de Korte Leidsedwarsstraat en het Kleine-Gartmanplantsoen?

Wierpen de sixties, met de tegen het gezag rebellerende provo's en hippies, al hun schaduw vooruit, in de dagen dat Remco Campert zich in een villa aan de rand van het Vondelpark zette aan zijn beschrijving van een dag uit het leven van de drie jonge Amsterdammers Mees, Boelie en Panda? Ja, zegt Campert. Hij zag een generatie die weinig meer met de oorlog te maken had en een eigen jeugdcultuur aan het opbouwen was. Weg van de wurging van handen uit de mouwen en dubbeltjes omdraaien. 'Het leven is vurrukkulluk', liet hij Panda als openingszin verklaren, toen nog niet wetende dat het een boek zou worden. Drie weken later was het af. De eerste druk is nu vijftig jaar geleden en volgende week ontvangen leden van de openbare bibliotheken tijdens de campagne Nederland Leest een gratis exemplaar.


Was het verrukkelijk op de plekken waar jongeren zich aan het eind van de jaren vijftig en het begin van de jaren zestig losweekten van de moraal van de burgerman? Campert zelf zat destijds veel in Eijlders, stamcafé van de Vijftigers en verwante kunstenaars in de Korte Leidsedwarsstraat. Voor het nachtelijk vervolg was er meestal de kunstenaarssociëteit De Kring aan het Kleine-Gartmanplantsoen. Ook de Cotton Club aan de Nieuwmarkt was een bestemming in gevorderde donkerte, waar zwarte soldaten uit het Amerikaanse leger op verlof of doorreis naar huis of bases de Wurlitzer vulden met platen van Charlie Parker, Gerry Mulligan, Thelonious Monk, Sonny Rollins en Fats Domino. Het sluitstuk vormde dikwijls een biefstuk bij Gerrie aan de Gelderse Kade, 'om daarna wankelend het ochtendlicht tegemoet te treden'.


De lichting na hem zocht het min of meer in dezelfde buurten. Voor die artistieke voorhoede - een enkeling was al kunstenaar, een veelvoud waande zich alvast kunstenaar, anderen wisten nog niet dat ze kunstenaar gingen worden - was ook het Leidseplein het epicentrum, en van daaruit reikten de schokken op de schaal van Richter tot de poffertjeskraam op het Weteringcircuit en de jazzclubs op de Zeedijk en de Nieuwmarkt. De zindering van een volgende tijd diende zich, naast be- en hardbop en cool jazz, ook aan in de gedaante van moderner theater - Tennessee Williams en Samuel Beckett in plaats van vooral veel Vondel - en meer variatie in geestverruimende middelen dan alleen oude of jonge klare: marihuana (Marry-you-Anna en Marie-Johanna in Camperts roman), lsd op suikerklontjes, opium uit de kitten van de Binnen Bantammerstraat en, nog beperkt, heroïne.


Eddy Posthuma de Boer, destijds beginnend fotograaf van de stad, noemt meer uitgaanscentra in het Amsterdam van een halve eeuw geleden, maar die waren volgens hem voor, zonder denigrerend te willen klinken, minder creatieve zielen. Op het Rembrandtplein, met De Kroon en hotel Schiller, kwam de gewone man; Johnny Jordaan zong er geregeld. Het Thorbeckeplein was ordinairder: bars, striptease en veel neonlicht.


Maar de drukte van nu was nog nergens, verzekeren de toenmalige nachtvlinders. Het was zelfs behoorlijk stil op straat, vaak. Minder cafés, minder restaurants, minder toeristen. Broodjeszaken, zegt actrice Kitty Courbois, het wemelde van broodjeszaken. Als Posthuma de Boer naar De Kring ging, kon hij zijn Hillman Minx altijd voor de deur kwijt.


'Pleiners' werden de bohemiens in de dop genoemd, behoorlijk intellectuele jongeren met een hang naar het extitens... eh, existentialisme. Je bent wat je doet, weet je wel. De burgerij wist het inderdaad: nietsnutten waren het. Ze kwamen uit Zuid, kinderen van gescheiden ouders al. Crew cut- of Ceasar-kapsels, montycoats (houtje-touwtje jassen) en broeken met zulke nauwe pijpen dat je - dixit jazzmuzikant Hans Dulfer - eerst je sokken uit moest doen voordat je je 'm kon afstropen. De meiden droegen hun haar halflang met pony, naar voorbeeld van Juliette Greco, maakten zich zwaar op en wurmden zich in kokerrokken. Onschuldig was het niet altijd: enkele Pleiners kwamen in aanraking met 'de sterke arm der wet' na inbraken in apotheken, waar ze naar pep zochten.


Veelbeschreven is de symbiose met hun lager opgeleide tegenvoeters, de Dijkers, genoemd naar hun leefomgeving, de Nieuwendijk. De jongens een vetkuif en leren jacks, de meiden een suikerspin en petticoats. Meer rock 'n' roll (Elvis, Bill Haley) dan jazz. Ze reden op buikschuivers, 'met de gigantische benzinetanks als lullen voor zich op het frame', schreef auteur Bert Hiddema in Scheuren in het asfalt (1985). Motóren waren het eerst, bezweert schrijver/schilder Jan Cremer nu, Harley, Norton, Jawa. De Pleiners hadden Solexen of Berini's, meestal reden ze op de fiets. Later kwamen de Puchs, met sturen als hertengeweien.


Ach, zegt Hans Dulfer, zelf 'Pleiner met een hang naar een bestaan als Dijker', zo precies lag die scheiding niet. Er was ook een jazzclub op de Nieuwendijk. Hij heeft zelfs met zijn band in 1959 meegedaan aan de verkiezing van de Nederlandse Elvis Presley in Cinema Royal. Organisator was Pim Maas sr. Voorspelbare winnaar: Pim Maas jr. Verrassende tweede: Ria Valk, die een jaar later met Hou je echt nog van mij, Rockin' Billy helemaal zou doorbreken. Dulfer zelf werd overigens gediskwalificeerd. Hij speelde What is this thing called love van Cole Porter. Konden die Dijkers eens horen wat echte muziek was.


Meer nog dan Eijlders was café Reynders de plek waar de jeugd van Het leven is vurrukkulluk zich overdag verzamelde. De koffie kostte er een kwartje, een biertje maar iets meer, de kachel stond aan, er stonden tafels met stoelen. De zussen Anne en Miep Reynders, het haar in gietijzeren watergolf, regeerden streng doch rechtvaardig.


Het was het eerste café waar Kitty Courbois kwam. Ze was net van de toneelschool in Arnhem en als actrice begonnen bij De Nederlandse Comedie. Ze voelde zich meteen thuis. Er was nog één tafeltje vrij. Kom erbij, zeiden de gasten. De brand ging al snel in de Gauloises. Het leven kon wel wat zwaarte gebruiken.


Eijlders was meer de pleisterplaats van de experimentele dichters en beeldend kunstenaars, van wie een aantal zich al tot de gevestigde orde kon rekenen. Courbois, jonge twintiger, voelde altijd een zeker ontzag als ze er later op de middag naar toe ging. Het was er wat plechtiger, vond ze, dan in Reynders. Donkerder ook. Het was lange tijd de huiskamer van dichter Gerard den Brabander, die zich driedubbele borrels met cola liet inschenken. In verregaande staat van dronkenschap, zo zou eigenaar John Eijlders later in zijn memoires schrijven, bevatten de glaasjes slechts water. 'Deze zijn van het huis, meneer!' Intussen provoceerde de dichter nieuwe gasten. Tegen een bezoekster: 'Weet je, als ik je zo zie, je hebt een trut als een fietsenstalling'


Actuelere bevingen van die tijd werden misschien wel letterlijk gevoeld in de Korte Leidsedwarsstraat aan de andere kant van het Leidseplein. Daar opende de Lucky Star de deuren, volgens de overlevering de eerste echte dancing in Nederland. Eigenaar was Pietje Broerse, die meer horeca bezat in de buurt.


Daar kwamen de mooie meiden, weet Jan Cremer. Uit veel lagen van de bevolking: kapsters, stewardessen, modinettes uit de confectieateliers, actrices, ballerina's. Kousen, jarretelles, hoge hakken. 'Hoog op de kut', noemden ze dat in zijn kringen. 'Kende je die niet?'


Horace Silver's Doodlin' draaiden ze er, herinnert Dulfer zich, en op het blazersmotiefje zong het publiek: heb je je piemeltje nog? Ja, ik heb m'n piemeltje nog! Naast Sinatra's Chicago zat ook de eerste single van Ramses Shaffy - nog zo'n komeet in het universum van het Leidseplein - in de jukebox. Tania, Tania, Tania at the bar, Tania at a lucky star, Tania at a lucky star, nobody knows who you are. Tania was Tanja van der Geest, de onbenoemde moeder van het frivole wereldje aldaar.


'Gekke Gerrit' Lakmaaker - beeldend kunstenaar in wording en ethersnuiver - en Jetty Wagenaar waren de koning en de koningin van de jive. Shireen Strooker, jong actrice toen, voelde dat er ter plekke nieuwe bewegingen ontstonden, zonder het keurslijf van wals of foxtrot. Het voelde, zegt ze nu, alsof het lichaam van elastiek was. Het was wild, bevrijdend, inspirerend. Lakmaaker en dichter en vermaard ervaringsdeskundige in het gebruik van hallucinogene middelen Simon Vinkenoog rookten stickies in het halletje voor de entree. Jan Cremer herinnert zich vooral de knappe toiletjuffrouw.


Uit de nabijgelegen De Kring kwamen ze wel eens kijken. De leden met enig statuur, zoals Harry Mulisch en schaakgrootmeester Jan Hein Donner, meden de dansvloer. Als ze zich al eens lieten gaan, deden ze dat liever onder intimi. Daarvoor voelde de verdieping aan het Kleine-Gartmanplantsoen veel vertrouwder. Daar eindigden in alcohol gedrenkte bijeenkomsten ook wel eens met een dans op de tafels, een galmende Shaffy achter de piano of een zwaar weemoedig Russisch lied uit de mond van Rob Wout, politiek cartoonist Opland.


Het kon er ook alledaags aan toegaan. In haar boek In intieme kring (2007), naar aanleiding van het 85-jarig bestaan, noemt journaliste Annemieke Hendriks de sociëteit van toen 'de ultieme huiskamer'. 'Sober maar knus, met spelletjes, hutspot en Sinterklaas. Familiegevoel met bij wijze van spreken de gordijnen dicht.' Maar de tijdgeest wist de strenge portier wel geregeld in vroeg stadium te passeren. De seksuele revolutie bijvoorbeeld, was volgens Hendriks weliswaar niet op De Kring ontstaan, maar een 'zekere vrijmoedigheid op erotisch gebied' bereikte de vereniging eerder dan de burgerij buiten. Maar ook in het gastenboek van Eijlders tekende vertaler en schrijver Apie Prins al jaren eerder op dat in het café 'iedereen zich tenminste strikt aan andermans vrouw hield'.


De polsslag van het verrukkelijke leven klopte ook verder noordoostwaarts. Sheherazade aan de Wagenstraat zette de deur open voor de Modern Music Club van organisator Wim Booker, die elders in de stad geregeld zijn neus had gestoten na klachten over bezoekers en geluidsoverlast. Het combo van zangeres Rita Reys en drummer Wessel Ilcken had al bijgedragen aan een goede reputatie, maar met de hardbop van het huisorkest The Diamond Five knetterde de club definitief de veilige fifties in de lage landen uit. Stan Getz, Art Blakey en Quincy Jones kwamen langs. In 1962 volgde overigens al een faillissement.


Nachtclub Casablanca aan de Zeedijk was weer het domein van zwarte muzikanten, Amerikaanse soldaten, zeelieden, hoeren en dronken Zweden. Tot de rituelen behoorde de komst van een prostituee, van wie bekend was dat ze niets droeg onder haar sabelbont, en bij haar entree steevast dezelfde vraag kreeg van de portier: 'Mag ik misschien uw jas aannemen, mevrouw?'


Maar Casablanca was vooral van Arthur Parisius uit Suriname, alias Kid Dynamite, die tot aanvankelijke afschuw van Hans Dulfer vaak zittend zijn tenorsax bespeelde. Hij werd geflankeerd door de trompettisten Ado Broodboom en Theodorus Gustaaf Kantoor, ofwel Teddy Cotton. Dulfer vond het eerst niks, die naar calypso en cha cha cha neigende ritmes. De inkeer kwam met de jaren. Het was eigenlijk gewoon Surinaamse rock!


De avonden in Casablanca eindigden geregeld in The Cotton Club aan de Nieuwmarkt. Annie, dochter van eigenaar Frits Smit, en Teddy Cotton, waren geliefden. Het was een van de eerste cafés waar zwart (Surinamers, Antillianen, Amerikanen) en blank (de jonge artistiekelingen) samenkwamen. Niet alleen de nieuwe jazz uit de jukebox lonkte, het was ook de verkrijgbaarheid van strootjes. Jan Cremer ziet nog de zwarte Volkswagen Kever buiten staan, waarin politieadjudant Houweling en zijn mannen de nachtbrakers opwachtten om ze bij vertrek te fouilleren.


Tijd voor een balans: was het inderdaad verrukkelijk? Kitty Courbois: 'Ik heb er alleen maar zeer warme gevoelens aan overgehouden.' Jan Cremer: 'Het woord verrukkelijk komt niet in mijn vocabulaire voor. Laat ik het zo zeggen: het was een harde, maar energieke tijd.' Hans Dulfer: 'Ik had helemaal niet in de gaten dat het zo fantastisch was. Ik heb er wel moeite mee gehad dat al die types die interessante gesprekken in de cafés hielden, achteraf de credits voor die periode opeisten. Dat waren niet de heavies. Dat was Wim Booker, dat was Kid Dynamite.' Eddy Posthuma de Boer: 'Het was inspirerend. Kijk naar de kunst die het heeft opgeleverd. De stof ervoor is toch echt opgedaan op het Leidseplein, en niet in Purmerend.'


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden