Enkele richtlijnen voor serieuze studie van de monarchie

Het 25-jarig ambtsjubileum van koningin Beatrix is voor het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap reden voor een congres, morgen in Den Haag, over geschiedschrijving van het doorgaans gesloten instituut monarchie....

Een manier om de geschiedenis van de moderne Britse monarchie te benaderen, is haar niet te beschouwen als een bonte stoet van koningen en koninginnen, maar als een elite-instituut dat er steeds in slaagt zichzelf in stand te houden. Die beschrijving gold vroeger en geldt vandaag nog steeds, zij het niet per se op dezelfde manier.

Neem bijvoorbeeld de kwestie van het afnemen van de macht van de vorst. Vanuit het perspectief van de lange termijn was de beroemde definitie van Walter Bagehot van de prerogatieven van de constitutionele monarchie – te waarschuwen, te bemoedigen en geraadpleegd te worden – een poging op een creatieve manier alles vast te leggen wat er was overgebleven aan koninklijke macht, nadat de kroon tijdens de 18de en de vroege 19de eeuw het grootste deel van zijn traditionele functies als heerser en leider had moeten opgeven.

Maar Victoria (en voor haar echtgenoot Albert gold dat nog sterker) kon maar zeer moeilijk afscheid nemen van wat er was overgebleven van die historische rechten en bemoeide zich bij gelegenheid aanzienlijk meer met zaken dan Bagehots veel geciteerde formulering impliceert. Hoe kwam het dan en wanneer gebeurde het, dat de vorst niet langer een actieve deelnemer aan de politiek was en een bemiddelaar werd, die ergens boven de politiek zweefde?

Dit is niet de enige overgebleven afgezwakte vorm van macht die de moderne Britse vorsten nog steeds bezitten. Zij zijn niet langer weldoeners op de wijze van de drie koningen die hun geschenken komen brengen. Maar elke liefdadigheidsinstelling die de naam van de vorst in zijn briefhoofd mag dragen, weet dat zo'n beschermde status een flinke hoeveelheid extra leden waard is. Sterker nog, deze verschuiving in de uitoefening van de macht van de vorst – van politieke interventie naar filantropische ondersteuning – heeft geleid tot wat terecht wel wordt genoemd de verzorgingsmonarchie.

Geheel in overeenstemming met haar historische afkomst, is de verzorgingsmonarchie ook een oorlogsmonarchie, hoewel, alweer, niet op de manier waarop, of in de mate waarin, dat in de Middeleeuwen of de vroegmoderne tijd het geval was. Na het midden van de 18de eeuw is geen Britse vorst meer zijn troepen voorgegaan in de strijd, al blijft de vorst wel het hoofd van de strijdkrachten en wordt van leden van het Koninklijk Huis nog steeds verwacht dat zij enige vorm van militaire dienst vervullen. Koningin Victoria was er trots op dat zij de dochter van een soldaat was.

Edward VII en George V waren sterk betrokken bij, respectievelijk, de militaire hervormingen van vlak na 1900 en de militaire benoemingen tijdens de Eerste Wereldoorlog. De Hertog van Cambridge, de Hertog van Connaught en Lord Mountbatten waren belangrijke militaire-annex-politieke figuren, die hun carrière voor een deel dankten aan hun banden met het koninklijk huis. Vele hoge officieren hebben ook een hoge positie in de hofhouding en in het koninklijke ambtenarenapparaat. Dit is een herkenbaar en belangrijk thema, dat zowel historisch als biografisch onderzocht dient te worden.

Hetzelfde kan worden gezegd van de banden van de vorst met de Anglicaanse Kerk: hoewel zich in het recente verleden geen dramatische conflicten hebben voorgedaan tussen kerk en staat, zoals die tussen Thomas a Beckett en Hendrik II, blijft de vorst toch het hoofd van de kerk. De verhouding tussen de kerk en de kroon – op alle niveaus, van theologie tot benoemingen – zou beter onderzocht moeten worden dan gebeurd is. We weten dat koningin Victoria over beide onderwerpen de voor haar zo karakteristieke krachtige opvattingen erop nahield, maar hoe dat in de 20ste eeuw zat, is nog nooit echt goed uitgezocht.

Wat betreft die traditionele koninklijke functies van politieke, filantropische, militaire en kerkelijke macht moet de geschiedschrijving over de moderne Britse monarchie zich richten op afzwakking en aanpassing en op het creëren van een aantal nieuwe rollen. Maar van oudsher werd van vorsten ook verwacht dat zij de rijkste en de machtigste mensen van het land waren en ook op dit punt is de recente geschiedenis van het vorstenhuis ingewikkeld en nog niet voldoende beschreven. We weten dat in het midden van de 18de eeuw het vorstenhuis relatief arm was (zeker in vergelijking met de grootgrondbezitters), maar dat het tegen het midden van de 20ste eeuw relatief rijk was geworden (idem). En we weten wel iets af van de geschiedenis van de Civiele Lijst en over de veranderingen in de belastingregelingen voor het koninklijk huis in de laatste honderd jaar. Maar dat kun je nauwelijks een complete geschiedenis noemen van de publieke en private financiën van de kroon. De recente, alom geprezen openheid van Buckingham Palace bij de inzage van de huidige begroting moet ook op het verleden toegepast worden.

Toch gaat rijkdom niet per definitie alleen maar over inkomsten, maar ook over uitgaven. In overeenstemming met hun hoge status, zijn Britse vorsten in het verleden vaak de aanzienlijkste bouwers, weldoeners en verzamelaars geweest en vooral Victoria en Albert hebben zich op gepast vorstelijke schaal van deze taak gekweten. Maar na hen heeft geen vorst dat meer gedaan en de vraag is waarom. Misschien vanwege de veranderende structuur van het 20steeeuwse mecenaat, dat zich verplaatste van de vorsten en de notabelen naar de steden en de staat? Of misschien vanwege de veranderingen in de aard van de 20steeeuwse kunst, architectuur en muziek, die in toenemende mate meer abstract, atonaal en dus non-figuratief werden en daarom misschien minder geschikt werden voor het ondersteunen van het prestige van de monarchie dan het geval was bij meer traditionele vormen in het verleden?

Door de geschiedenis heen heeft het veiligstellen en in stand houden van het prestige van de vorst niet alleen plaatsgevonden via het vergaren en uitgeven van geld en rijkdommen en het cultiveren en naar buiten dragen van een beeld van artistieke gevoeligheid. Het prestige werd ook ondersteund (en soms ondermijnd) door de hofhouding en gestuurd (soms ook de verkeerde kant op) door de ambtenaren aan het hof – twee onderwerpen waarmee de historici die schrijven over de monarchie in de antieke, middeleeuwse en vroegmoderne tijd maar al te bekend zijn, maar die wat betreft de moderne tijd zo goed als genegeerd worden. Het is duidelijk dat het moderne hof niet langer het centrum van politieke macht is dat het vroeger was. Maar dat betekent niet dat we niet hoeven te weten hoe het heeft gefunctioneerd in de 19de en 20ste eeuw. Hoe werden de ambtenaren voor het hof geselecteerd en welke veranderingen hebben de functies van die ambtenaren ondergaan? In hoeverre is de geschiedenis van de moderne Britse monarchie niet zozeer de geschiedenis van bepaalde vorsten, als wel de geschiedenis van de achtereenvolgende privé-secretarissen van de achtereenvolgende vorsten? En wie was verantwoordelijk voor het bedenken en ensceneren van het ceremoniële imago van het koningshuis zoals zich dat ontwikkeld heeft, en wie – voor zover men daartoe in staat was – voor de ontwikkelingen op het gebied van de verhouding met de media? Wie, kortom, heeft de touwtjes in handen gehad binnen de monarchie zoals die zich ontwikkeld heeft van de vroege jaren van koningin Victoria tot de late jaren van koningin Elizabeth?

Macht, rijkdom en prestige zijn publieke aspecten van het elite-instituut dat er steeds in slaagt zichzelf in stand te houden, maar hoe zit het met de privé-levens en de privé-verhoudingen die de belangrijkste voorwaarde vormen voor die instandhouding? Hoe was het, bijvoorbeeld, en hoe is het, geboren te worden en op te groeien als lid van het Koninklijk Huis? Het boek dat een overtuigend antwoord geeft op die vraag voor de moderne periode moet nog geschreven worden.

Hoe zien de leden van de koninklijke familie zichzelf en de wereld om hen heen – in politiek, sociaal en historisch opzicht? Hoe hebben de patronen van en de ideeën achter een koninklijke opvoeding zich ontwikkeld? Hoe komt het dat sommige vorsten, zoals hoort bij hun beschaafde en bevoorrechte achtergrond, gevoel hadden voor kunst, terwijl anderen daar volkomen onverschillig tegenover stonden?

Dan is er uiteraard nog de netelige kwestie van het koningshuis en het huwelijk. Ondanks het beeld van modale huiselijkheid dat vaak werd uitgedragen, waren de huwelijken van de kinderen van Victoria en Edward VII vaak gearrangeerd en trouwden zij met leden van andere Europese dynastieën. Met liefde hadden die huwelijken weinig te maken, althans aanvankelijk niet, maar ook later vaak niet. Een aantal van deze huwelijken verliep goed, andere niet. Vanaf de Eerste Wereldoorlog, echter, is er nauwelijks nog een lid van de koninklijke familie getrouwd met een buitenlander en werden de meeste partners gekozen uit de inheemse aristocratie en de laag net daaronder. De meeste van deze huwelijken waren minder (althans openlijk) gearrangeerd en sommige ervan waren misschien zelfs uit liefde. Maar net als bij de huwelijken oude stijl geldt: een aantal verliep goed, andere niet. Misschien is het zinvol om, voordat de volgende generatie in het huwelijksbootje stapt, meer te weten over deze veranderingen en ze beter te begrijpen.

Op het elementairste niveau is de geschiedenis, het functioneren en de instandhouding van de monarchie een kwestie van, zoals altijd het geval geweest is, sociale en seksuele interactie tussen mannen en vrouwen. Maar het is niet altijd gelijkelijk een kwestie geweest van mannen en vrouwen en ook niet altijd alleen maar een kwestie van mannen en vrouwen. Tot op zekere hoogte was (en is?) het een kwestie van de conventionele seksespecifieke rollen van mannelijke superioriteit en vrouwelijke inferioriteit. Als bewijs daarvoor mag gelden de discussie rond het huwelijk van prins Charles en lady Diana, toen niemand het ongepast achtte dat hij wat eufemistische heette een 'verleden' had, maar iedereen het even belangrijk vond dat zij dat niet had. Want in Groot-Brittannië zijn de regels voor de opvolging zodanig dat, in sommige gevallen, vrouwen in staat waren om de seksegrens te overschrijden en de mannelijke rol van vorst aan te nemen. Tot de ontroerendste passages in de dagboeken en brieven van koningin Victoria horen die passages waarin ze probeert te begrijpen dat ze biologisch een (vrouwelijke) moeder was en professioneel een (mannelijke) koning – en hoe ze probeert daarvoor een houding te vinden. Dit is een rijk gebied voor wetenschappelijke studie .

Maar er is meer toe doen. Want de moderne Britse monarchie is vaak beschouwd als een matriarchaat, een reeks van dominante en/of charismatische vrouwen: koningin Victoria, koningin Mary, de koningin-moeder, de huidige koningin en prinses Diana. Hoe kunnen we dit verklaren? Misschien in termen van de toevallige omstandigheden van geboorte, opvolging, persoonlijkheid en knap voorkomen? Maar misschien is het ook wel zo dat een constitutionele monarchie in feite een gecastreerde monarchie is en dus een gefeminiseerde versie van een in wezen mannelijk instituut. Want een constitutionele monarchie is wat er overblijft als de vorst zijn van oudsher mannelijke functies van god, bestuurder en generaal worden ontnomen, en dat heeft weer geleid – misschien vanzelf, misschien door mensenhanden – tot meer druk op gezin, gezinsleven, moederschap en glamour.

Het hoeft nauwelijks betoog dat veel van de historische kwesties die ik tot nog toe besproken heb, ook de huidige media zeer bezighouden. Maar die interesse is in het gunstigste geval gestoeld op onvoldoende historische kennis en in het ongunstigste geval niet gestoeld op enige historische kennis. Voor een deel komt dat doordat bijna alle publieke debatten over de Britse monarchie worden gevoerd zonder enige verwijzing naar een verleden dat verder teruggaat dan gisteren. Maar dat komt ook doordat, zoals de vaak speculatieve aard van mijn uitlatingen aantoont, een groot deel van die geschiedenis nog niet is geschreven zoals voor eerdere perioden wel het geval is. Natuurlijk kunnen er wel stukjes en beetjes en aanwijzingen worden gevonden in de bestaande biografieën. Maar een hardnekkig minpunt van biografieën van vorstenhuizen uit de moderne tijd is dat zij de institutie van de monarchie als een vaststaand gegeven aannemen, terwijl het juist de structuur, de manier van opereren, het functioneren, de ontwikkeling en legitimiteit van die institutie is waarover we meer te weten willen komen. Want uit haar aard, en door haar hele geschiedenis heen, gaat het bij de monarchie evenzeer over instituties als over individuen. Daarom dient de moderne Britse monarchie, net als haar voorgangers, zowel historisch als biografisch behandeld te worden, zowel thematisch als chronologisch, zowel analytisch als anekdotisch.

En hoewel laat, is het bemoedigend te zien dat daar nu eindelijk een begin mee wordt gemaakt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden