‘Engagement? Het woord bevalt me niet’

In het aangeharkte Oostenrijk richt hij zijn camera op de goot. ‘Meestal is de bioscoop een avondje uit. Ik kan daar geen rekening mee houden.’ Op het IFFR draait Import/Export van regisseur Ulrich Seidl....

Jan Pieter Ekker

‘Volgens mij is Import/Export geen typisch Oostenrijkse film. Hij zou evengoed in Duitsland kunnen spelen, of in Nederland. Het onderwerp gaat heel Europa aan; het is een Europees verhaal. Om werk te kunnen verrichten, zullen mensen steeds vaker huis en haard achter zich moeten laten; de globalisering en het kapitalisme zorgen ervoor dat mensen ontworteld raken.’

De Oostenrijker Ulrich Seidl (Wenen, 1952) maakte naam met uitgebeende, bijtende films waarin een onthutsend beeld wordt geschetst van zijn vaderland en zijn landgenoten. In een ogenschijnlijk netjes aangeharkte maatschappij richt Seidl zijn camera op de goot; op primair reagerende racisten en verkrampte lieden met onderdrukte, perverse obsessies. Seidl debuteerde in 1990 met de documentaire Good News – Von Kolporteuren, toten Hunden und anderen Wienern. De doorbraak volgde in 2001 met de speelfilm Hundstage, die op het festival van Venetië werd bekroond met de Speciale Juryprijs. Sindsdien is Seidl documentaires en speelfilms af blijven wisselen. Zijn nieuwste, Import/Export, werd vorig jaar geselecteerd voor de Gouden Palm-competitie van het festival van Cannes en is een van de hoogtepunten van het International Film Festival Rotterdam dat woensdagavond is begonnen.

Kort voor het festival ontvangt Seidl in zijn studio in de Wasserburgergasse, vlakbij het Franz-Josef Bahnhof in Alsergrund, de academische wijk van Wenen. Buiten is het ijzig koud; binnen brandt de gaskachel. Op de keukentafel heeft Seidl – zwart pak, zwart overhemd met roesjes – twee schaaltjes met chocolade en twee schaaltjes met fruit klaargezet, twee glazen water en twee koffiekopjes. In een grote kast staan tientallen exemplaren van al zijn films, netjes naast elkaar; aan de muren hangen ingelijste posters van zijn werk. Maar het meest in het oog springen de Mariabeelden en -beeltenissen. ‘Ik ben streng katholiek opgevoed. Dat heeft me gevormd. Religie speelt nog steeds een grote rol in mijn leven, hoewel ik mezelf niet gelovig zou willen noemen. Ik ben zoekend, niet overtuigd.’

Maar dat de jonge Olga, een alleenstaande verpleegster die haar pasgeboren kind en de Oekraïne achter zich laat om in Oostenrijk een beter leven te zoeken, zich in Import/Export aan haar geloof vastklampt, heeft niets met hem zelf te maken, benadrukt Seidl. ‘Ik ben veel in de Oekraïne geweest. En daar heb ik gezien dat het geloof vaak een reddingsboei is in benarde omstandigheden.’

Het verhaal van Olga wordt doorsneden met dat van Pauli, een werkloze, want volstrekt ongeschikte beveiligingsbeambte, die met zijn stiefvader naar de Oekraïne reist om gokkasten af te leveren. Het idee voor Import/Export ontstond toen hij bezig was met het documentaire-drieluik Zur Lage (2001). ‘Ik wilde laten zien hoe gewone Oostenrijkers sinds de opkomst van Jörg Haider en de FPÖ denken over zaken als werkloosheid en immigratie. Tijdens de opnamen leerde ik in een Weense familie kennen. De beide ouders en hun vijf zonen zijn allemaal werkloos. De 17-jarige zoon is als voorbeeld gaan dienen voor Pauli.’

Vervolgens is Seidl meerdere verhaallijnen gaan schrijven, in samenwerking met Veronika Franz, die ook de casting voor de film deed. ‘Op een gegeven moment hadden we er een stuk of zeven, acht die zich van oost naar west bewegen en evenveel in omgekeerde richting. Het project werd steeds omvangrijker. Toen heb ik besloten: ik kies de twee beste. De rest valt af.’

Hij schrijft altijd te veel, verzucht Seidl, en hij neemt ook veel te veel op. Voor deze speelfilm schoot hij meer dan tachtig uur. ‘Het is mijn perfectionisme’ aldus Seidl. ‘Telkens zie ik weer iets anders wat me niet bevalt. En dan moet het opnieuw. Dat kun je maniakaal noemen, inderdaad. Ik troost me maar met de gedachte dat ik de enige niet ben. Hij daar bijvoorbeeld’ – Seidl wijst naar het portret van Picasso boven de tafel – ‘die kon ook eindeloos variëren op een thema’.

Een script – dat van het 135 minuten durende Import/Export was nog geen veertig pagina’s – dient slechts als startpunt voor Seidl. Het is nodig voor de financiering en om alle medewerkers een idee te geven. ‘Een film is een avontuur, ook voor mij. Tijdens de opnamen leidt het een tot het ander.’

Hij kan zich dan ook niet voorstellen dat hij ooit in de voetsporen zal treden van zijn landgenoot Michael Haneke, die een Amerikaanse remake maakte van zijn eigen meesterwerk Funny Games. ‘Hij heeft het originele script scène voor scène herverfilmd. Alleen de acteurs zijn vervangen. Krankzinnig, niet waar? Dat is het verschil tussen ons. Haneke is een mathematicus; ik ga af op mijn gevoel.’

Wat wel in het script staat, wordt niet automatisch verfilmd. Zo had Seidl bedacht dat de Oekraïense Olga en de Oostenrijkse Pauli elkaar aan de Oostenrijkse grens zouden ontmoeten. ‘Natuurlijk. Dat is klassiek. Ze zouden elkaar niet kennen, maar ik had bedacht dat Pauli een sigaret van haar zou roken. Tijdens de opnamen kwam het er gewoon niet van. Ik heb van alles geprobeerd, maar ik kon niets goeds bedenken. Hoe langer we bezig waren, en hoe beter ik de personages leerde kennen, hoe minder goed het voelde. Dus heb ik het niet gedraaid. Dat ze elkaar helemaal niet tegenkomen is beter, denk ik.’

Niets staat vast voor Seidl. In het script speelde de film zich af in Roemenië; het werd Oekraïne. Tijdens de casting stond Michael Thomas opeens bij hem voor de deur, de zoon van de Oostenrijke cabaretier Fred Weis en actrice Tilla Hohenfels. Hij had gehoord dat zijn stadgenoot aan een nieuwe film bezig was, en wilde per se meedoen – welke rol maakte hem niets uit. ‘Hij ging niet weg. Toen heb ik hem een scène laten spelen met Paul Hoffman, die Pauli speelt. Ze waren zo goed samen dat ik een rol voor hem ben gaan schrijven. Zo kwam de stiefvader in het script terecht.’

Ter vergroting van de authenticiteit werkt Seidl vaak met niet-professionele acteurs. Er zijn wel goede acteurs – Maria Hofstätter bijvoorbeeld, die zuster Maria speelt in Import/Export –, maar de meesten zijn ijdel volgens Seidl. ‘IJdelheid is een probleem voor veel acteurs. Ze zijn bang dat ze grenzen overschrijden. Ze durven hun ziel en zaligheid niet in een rol te leggen. Alles wat Paul doet, komt uit hem zelf, het is niet aangeleerd.’

De moeilijkste rol was die van Olga. Seidl zocht op verschillende plekken in de Oekraïne naar de perfecte Olga. Maandenlang. Hij vond Ekateryna Rak in een klein gat. Ze was nog nooit in het Westen geweest, sprak geen woord Duits, en had nog nooit geacteerd. ‘Ekateryna had werkelijk geen idee. Ze wist niet eens wat een bioscoopfilm was. Bij de casting vertelde ik iedereen altijd direct dat er seksscènes in de film zitten; Ekateryna dacht toen dat ik een pornofilm met haar wilde maken. Zij vertrouwde het niet. En toch wilde ik haar. Ik heb meer dan 300 vrouwen gecast, maar zij was de beste. Haar uitstraling, haar charisma – die zijn fantastisch. Maar het was niet eenvoudig. Het ligt aan haar, overigens, en niet aan mij. Ik heb met veel vrouwen gewerkt en dan ging het wel goed.’

Seidl hoopte dat het de verhoudingen tijdens de opnamen wel wat beter zouden worden, maar dat gebeurde niet. ‘Helaas. Ekateryna is volkomen ongenaakbaar. Voor de film is dat heel goed; in de dagelijkse omgang was het zwaar.’ Rak heeft de film gezien, kort voor de wereldpremière in Cannes, maar ze vond er niet zo veel van. Ze is weer terug in de Oekraïne. Paul Hoffman zwerft, net als vóór de film, weer op straat. ‘Hij was erg onder de indruk, vertelde hij me voor Cannes. Hij vond dat ik hem zijn waardigheid had teruggegeven; de film was een van de mooiste dingen uit zijn leven. En nu doet hij weer helemaal niets. De film heeft niets veranderd aan zijn leven. Hij wil wel acteren, maar hij doet er niets voor. Pauls leven is een volstrekte chaos.’

Hij zit daarmee, benadrukt Seidl. ‘Ik ben vier jaar met Import/Export bezig geweest. Ik heb in de Oekraïne weken rond gelopen in de goorste achterbuurten. Je kent die beelden wel, maar je bent toch gechoqueerd. Het is er donker en het stinkt, alles is stuk en het is koud, soms wel dertig graden onder nul. En de mensen hebben niets te eten. Dat zal me altijd bijblijven. Het was heel zwaar, emotioneel en deprimerend.’

Op de vraag of hij zichzelf geëngageerd vindt, volgt een besmuikte lach. ‘Mijn films zijn politiek. Ik neem een standpunt in. Ik toon de wereld waarin we leven, en niet altijd op zijn voordeligst. Maar geëngageerd... dat hoor je mij niet zeggen. Het woord bevalt me niet.’

Naar aanleiding van zijn vorige films is Seidl vaak uitgemaakt voor cynisch en misantropisch, maar in de Oostenrijkse recensies van Import/Export werd Seidl opeens een humanist genoemd. ‘Kun je het geloven? Ik moet er hartelijk om lachen, want voor mij is er niets veranderd. Ik ben zoals ik ben en zo ben ik altijd geweest. Ik heb nooit gedacht: nu ga ik eens een humanistische film maken. Ik toon de mensen op precies dezelfde manier als in Tierische Liebe, vind ik, maar dat werd toen tamelijk ergerlijk bevonden.’

Seidl denkt wel een verklaring te hebben. ‘Pauli en Olga behouden de sympathie van de kijker. Omdat ze van alles blijven proberen, in een vijandelijke wereld. Ze moeten hun weg vinden in die wereld, maar ze verliezen hun waardigheid niet. Ze zijn trots en ze zijn sterk. Ze zoeken, proberen van alles, en laten zich er niet onder krijgen. Ze worden ontmoedigd, maar ze gaan door. Aan het einde van de film hebben ze niet gewonnen, maar het zijn ook geen verliezers.’

Hij weet het: het publiek ziet graag films over winnaars, over helden. Zelf identificeert hij zich liever met de underdog. ‘Ik voel me een outsider, heb ook altijd partij gekozen voor outsiders. Ik ben pas op wat latere leeftijd begonnen met filmen. Voor die tijd deed ik niets; ik lummelde maar wat. Ik had zelf ook een soort Pauli kunnen worden.’

Seidl beseft ook wel dat voor de meeste mensen de bioscoop een avondje uit is. ‘Ik kan daar geen rekening mee houden; ik zou niet weten hoe. Je maakt wat je moet maken. Ik denk nooit aan de toeschouwer. Aan wie moet ik dan denken?’

‘Ik ben niet negatief en ik ben niet positief. Geen pessimist en geen optimist. Het gaat mij om de waarheid. Om mijn waarheid, welteverstaan. Maar veel mensen zijn bang voor de waarheid’, stelt Seidl vast. ‘En dat schijn je ze nauwelijks kwalijk te kunnen nemen. Ze zijn bang om iets te zien waarvan ze weten dat het zo is. Ze willen de problemen in de geriatrie niet zien – oud worden is een enorm taboe. Ze willen de ijskoude, vuile uithoeken van de Oekraïne niet zien, of de meisjes die op zoek naar een beter leven in de prostitutie belanden.’

Ook zijn ouders wilden zijn werk lange tijd niet zien. ‘Toen mijn moeder nog leefde, weigerden ze mijn films te bekijken. Na haar dood, is mijn vader veranderd. Hij is 85 en zeer conservatief, ik heb mijn leven lang een conflict gehad met mijn vader, maar hij is toch gaan kijken en hij denkt er over na. Ongelooflijk!’ Wat hij ervan vond? Seidl lacht. ‘Te veel seks.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden