Ende gut, gut alles

Sinds vorige week kan het Zeeuws Museum zich zonder voorbehoud eigenaar noemen van Gebed voor de maaltijd van Jan Toorop – ‘oorlogskunst’ waarover bijna tien jaar juridische strijd is gevoerd....

De toon kan niet anders dan hartelijk genoemd worden. Of althans: niets in de recente correspondentie tussen de directeur van het Zeeuws Museum en de gepensioneerde bankier uit New York duidt op een verleden van bijna tien jaar rechtszaken en slepende conflicten.

Directeur Valentijn Byvanck bedankt Walter A. Eberstadt allervriendelijkst dat zijn museum de kans heeft gekregen dit voor Zeeland ‘zeer belangrijke’ schilderij te kopen. En Eberstadt schrijft hoe blij hij is dat het nu toch nog bij het Zeeuws Museum kan blijven.

Blijdschap ook bij de Vereniging Rembrandt, ook al is het in feite de tweede keer dat ze geld beschikbaar stelt voor deze koop. En bij de Provincie Zeeland, die ruim bijdraagt, onderstreept men ‘het politieke draagvlak voor de koop van dit sleutelwerk’.

Byvanck heeft daarmee, nog vóór het moment dat hij benoemd werd tot inhoudelijk directeur van het nieuwe Nationaal Historisch Museum in Arnhem, een heikele oorlogskunst-zaak afgerond. Sinds vorige week kan het Zeeuws Museum zich zonder voorbehoud eigenaar noemen van Gebed voor de maaltijd (1907) van Jan Toorop. ‘Gezuiverd’, zoals Byvanck het noemt, door het oordeel van de Restitutiecommissie, en na een onverwacht aanbod tot koop van Eberstadt, kleinzoon van de in 1944 omgekomen oorspronkelijke eigenaar Ernst Flersheim, aan wie het werk dit jaar gerestitueerd is.

En dus laat, na een jarenlange mediastilte, de 87-jarige Eberstadt zich vorige week telefonisch een opvallend milde eindconclusie in het Duits ontvallen: ‘Ende gut, alles gut’: ‘Mijn grootvader en mijn moeder hadden dit ook zo gewild.’ Om er later goedgeluimd aan toe te voegen: ‘En nu ga ik een sandwich halen’.

Eind goed, al goed; maar dan wel na diplomatieke druk op de Nederlandse regering in 2001, na een fikse omslag in de publieke opinie, en na hevige woede: ‘Wraak is misschien te sterk uitgedrukt’, zegt Eberstadt. ‘Maar ik wilde vergelding voor Flersheims dood. Ik vind dat de Nederlanders in de oorlog te weinig hebben gedaan om te voorkomen dat de joden werden weggevoerd.’

In Middelburg werpt Valentijn Byvanck een dik pak papier op tafel. In New York heeft Walter Eberstadt een stapel documenten naast de telefoon gelegd. De zaak heeft nu eenmaal lang geduurd, en bevat, behalve een aantal cruciale ontwikkelingen rond oorlogskunst in Nederland, ook een aantal raadsels; want had de zaak niet al veel eerder opgelost kunnen worden?

Alles lijkt in 1999 immers al tot een eind te kunnen komen. Eberstadt stuurt begin dat jaar een brief aan het museum, later gevolgd door een claim op het schilderij. De ex-bankier verdiept zich sinds eind jaren negentig in het verleden van zijn familie. Hij ontdekt de vriendschappelijke banden van Flersheim met Toorop, hij ontdekt het verdwijnen van de fikse kunstcollectie, en hoort dat Gebed voor de maaltijd naar alle waarschijnlijkheid in 1938 geroofd is door de Gestapo. Flersheim was vanuit Frankfurt naar Amsterdam gevlucht, waar hij in 1943 werd opgepakt en weggevoerd. Een deel van de schilderijen had hij geveild en een deel, waaronder deze Toorop, was in Duitsland in bewaring gegeven, geconfisqueerd en in de kunsthandel terechtgekomen.

Het is de tijd dat er internationaal steeds meer bewustzijn ontstaat rond geroofd bezit van joodse families; er wordt gepleit voor een minder strikt juridische, meer morele opstelling. Een Nederlandse vriend, een kunsthistoricus, doet onderzoek naar het kunstbezit van Flersheim, en hij attendeert Eberstadt erop – ‘toeval eigenlijk’ - dat dit schilderij zich in het Zeeuws Museum bevindt.

In Middelburg is de reactie op de brief uit New York volslagen verrassing. Het schilderij is in 1981 voor 150 duizend gulden gekocht bij kunsthandel Ivo Bouwman, waarvan de helft is betaald door de Vereniging Rembrandt. Het schilderij wordt gezien als een cruciaal werk van het Zeeuws Museum. Byvanck: ‘Is dit nu dat schilderij, hoor ik vaak bij rondleidingen. Maar het is altijd belangrijk geweest voor Zeeland. Toorop wordt hier gezien als Zeeuws schilder. Er leven nog allerlei mensen die zich hem herinneren. Als er iets met dat schilderij gebeurt, worden op Omroep Zeeland de familieleden geïnterviewd van de mensen die erop staan, de familie Louwerse uit Domburg. Het is een Zeeuws tafereel, Toorop was bevriend met die familie. En het gaat over het geloof, het Zeeuwse geloof. Het is een heel vroom schilderij.’

De toenmalige museumleiding zegt in 1999 tegen Eberstadt niets van de problematische achtergrond van het werk te weten en vooral: niets te hebben kúnnen weten. In 1981 was onderzoek naar de herkomst van kunstwerken nog niet gebruikelijk, zegt men. Ook is er nog weinig bewustzijn rond oorlogskunst in Nederland. Kunsthistoricus Rudi Ekkart is pas net begonnen aan zijn onderzoek naar oorlogskunst in bezit van de Nederlandse staat (de NK-collectie), en de Restitutiecommissie begint pas in 2002.

Het museum zoekt met Eberstadt naar een middenweg, een bruikleenconstructie. Er wordt een contract opgesteld: het schilderij zou voor een jaar terug naar de erven van Flersheim gaan, en die geven dan het schilderij na een jaar aan het museum in bruikleen. Er moest alleen nog een handtekening onder en de zaak was klaar, zegt Byvanck.

Maar dan hoort het Zeeuws Museum niets meer. De jaren verstrijken. Als Byvanck in 2002 directeur wordt, is de zaak ‘een speldenknop’ geworden: ‘Het museum was leeg, de directeur was de laan uit, het bestuur vertrokken. De collectie stond ergens anders opgeslagen, het gebouw was dicht. Het hele museum moest verbouwd worden. Het was belangrijker dat we een goed klimaat hadden dan dat deze zaak werd opgelost.’

Als Byvanck enkele maanden na zijn aantreden van de zaak hoort, schrijft hij een brief aan Eberstadt. Geen reactie. Hij schakelt een advocaat in om uit te zoeken wat er met de eerste, gefaalde oplossing gebeurd is. Eberstadt laat zich vertegenwoordigen door de Nederlandse advocaat en CDA-Eerste Kamerlid Paul Russell (‘goed maar duur’), en reageert niet meer.

Byvanck: ‘Ik las dat zwijgen toen als een soort van woede van de erfgenamen. Ik dacht: er moet hier ergens iets heel erg fout zijn gegaan.’ Pas nu, negen jaar later, vertelt Eberstadt aan de telefoon wat hem deed besluiten niet meer te reageren. De verraste reactie van het Zeeuws Museum op zijn claim ergerde hem. Waarom hebben ze dan geen onderzoek gedaan? Er waren op de achterkant van het schilderij toch aanknopingspunten te vinden? Zo is er een plakker met de naam Weitjens, zegt Eberstadt. ‘Dat had een teken moeten zijn.’ Als het museum die naam had nagetrokken, had men kunnen zien dat die man in de oorlog een bedenkelijke rol speelde in de kunsthandel.

Het ‘meest geschokt’ raakt Eberstadt echter door een brief in juli 1999, geschreven door de toenmalige voorzitter van de Zeeuwse Museumstichting. ‘Hij schreef dat het museum geen wettelijke, maar ook geen morele verplichting had het schilderij terug te geven.’ Daar kwam nog de opstelling in Rotterdam over de tekening Godsvertrouwen bij – ‘Ik kreeg dat werk in 2001 alleen door vernederende condities te accepteren’ –, en de jarenlange weigering van de gemeente De Theems bij Londen terug te geven.

Het was echter niet alleen woede, er was ook een veel praktischer oorzaak van het mislukken van de bruikleenconstructie, vertelt Eberstadt. Hij wilde de Zeeuwse Toorop aan de Amerikaanse Roosevelt Stichting schenken, die het dan aan het museum kon lenen. Dat zou hemzelf een belastingvoordeel opleveren. Maar, zegt hij, dat zou de Amerikaanse belastingbetaler geld kosten, terwijl de kosten voor de Nederlanders zouden moeten zijn. Toen hij eenzelfde constructie voor Nederland probeerde te regelen, bleek dat niet te werken. Hij trok zich terug uit de onderhandelingen, en besloot zich alleen nog door zijn advocaat te laten vertegenwoordigen. ‘Toen zullen ze in de war zijn geraakt.’

Dat er toch schot in de zaak is gebleven, is te danken aan zoiets onvoorspelbaars als de tijdgeest. In 2002 is de Restitutiecommissie met haar werk begonnen. Ook al buigt de commissie zich tot dan toe uitsluitend over werk uit de zogeheten NK-collectie, Paul Russell stelt het Zeeuws Museum en het Boijmans Van Beuningen in 2006 voor om ook de Eberstadt-claims voor te leggen.

Vanaf dat moment, zegt Byvanck, begint de zaak echt te groeien. Van speldenknop wordt het tot een heet hangijzer in het museum. Er ontbranden lange, soms felle discussies: moeten we het doen? Er is tegenstand, binnen en buiten het museum. Byvanck: ‘Toen de discussies er waren, vond ik het heel moeilijk. Dat schilderij is natuurlijk openbaar kunstbezit. Ook al had ik het gewoon willen teruggeven, dan had dat nog niet gekund. Er waren gewoon mensen die zeiden: dit is van ons. Wat moeten deze mensen nu met dit schilderij? We hebben er voor betaald. Het is een Zeeuws werk, wij gaan het niet zomaar opgeven, als iemand daar om vraagt.’

Verplicht de zaak voor te leggen was het museum niet, gezien de verjaring van de zaak. Maar na lang vergaderen is de conclusie in Middelburg: doen. Byvanck grijpt de Restitutiecommissie aan ‘als een bestendiger van goed gedrag’. Het is de tijd dat de Goudstikkerzaak de musea heftig raakt. Byvanck stuurt een persbericht rond, waarin hij de Toorop-zaak aankondigt als museale ‘zelfzuivering’, en de precedentwerking ervan onderstreept: musea zouden volgens hem meer, en vrijwillig, kunnen doen aan zelfonderzoek.

Byvanck: ‘Wij hebben de claim en de herkomst van het schilderij nooit betwist. Het was voor ons het allerbelangrijkst om te horen dat het Zeeuws Museum in 1981 niet foutief had aangekocht. Dat er geoordeeld werd dat we te goeder trouw hadden gehandeld. Dat er geen vreemde zaakjes in het verleden van het museum waren. Dat is ook belangrijk voor het publiek. Dat kan anders niet langs het schilderij schuifelen zonder dat het denkt: dat is dat schilderij dat besmet is. Dat is niet fijn.’

Het is precies deze ‘goeder trouw’ die inzet wordt van een felle strijd. Russell blijft er bij dat het museum het wél had kunnen weten. Het museum brengt niemand minder dan Rudi Ekkart in stelling, die schriftelijk verklaard dat het museum niet valt te verwijten geen onderzoek te hebben gedaan naar de herkomst. Een aanbod van de erven de aankoopprijs te vergoeden wijst het museum af. Byvanck: ‘Nadat we eindeloos hadden vergaderd over een zuivere beslissing, wilden we liever een beslissing zonder enige compensatie, dan een schikking zonder dat we weten wat nu de officiële mening van de commissie is.’

Die uitspraak volgt twee jaar later, in april 2008. Gezien het verleden van het schilderij, moet het terug naar de erfgenamen. Maar het Zeeuws Museum (en de kunsthandelaar) treft geen blaam bij de aankoop in 1981: ze hadden het niet kunnen weten. De erfgenamen moeten de geïndexeerde aankoopprijs uit 1981 ter compensatie betalen, 130 duizend euro.

De zaak lijkt klaar. ‘Zeeland verliest zijn Toorop’, koppen de kranten. En dan, voor het eerst, besluit Byvanck Eberstadt op te bellen. Om alles nog eens uit te leggen, ‘als onderdeel van het zuiveren’. Het telefoonnummer had hij nog.

Er volgt opnieuw een omslag. Voor de tweede keer, maar nu in onverwacht positieve richting. Eberstadt – ‘een hoffelijke man, maar ook gewoon een hele slimme zakenman’, aldus Byvanck – laat zich ontvallen dat hij het schilderij ook wel wil verkopen. Byvanck reageert schriftelijk op de zijdelingse opmerking. Een mailwisseling ontvouwt zich en Byvanck, die zelf historicus is en jarenlang in New York woonde – ‘Toon is alles in New York’ – krijgt de toezegging om het schilderij te verwerven. Eberstadt komt met een volgens hemzelf genereus voorstel: 380 duizend euro. ‘Een vriendenprijs’, zegt Byvanck, als je het vergelijkt met de tonnen meer die soms voor een Toorop op veilingen wordt betaald.

De deadline van Eberstadt: 30 november. Geen probleem, weet Byvanck: de Provincie Zeeland laat hem al direct weten het schilderij zeer graag te willen hebben, en brengt samen met de Vereniging Rembrandt (50 duizend) en de Mondriaanstichting (100 duizend) de 250 duizend euro bijeen, dat met de 130 duizend euro compensatie voldoende is.

Dus: wat is er veranderd bij Eberstadt? Niets eigenlijk, vertelt Eberstadt, een paar dagen nadat alle zaken rond zijn. De koop was geen plotseling idee, hij wilde al vanaf het allereerste begin dat het schilderij gewoon in het Zeeuws Museum zou komen te hangen. ‘Dat is de meest geëigende plek: om de vriendschap tussen Toorop en Flersheim, en om het onderwerp. Ik ben nooit van plan geweest tot de laatste cent door te vechten.’

Hij wilde in 1999 twee dingen, die hij als directe erfgenaam als rechtvaardig voor hem en zijn zuster zag: een financiële compensatie voor de kunstwerken; en vooral, zoals hij het zelf noemt, genoegdoening voor de dood van zijn grootvader. ‘Ik was toen onverzoenlijk. En mijn moeder was dat nog veel meer.’ Zijn moeder, de enige overlevende van het gezin Flersheim, probeerde al in de jaren vijftig in Nederland en Duitsland te achterhalen wat er gebeurd was met het bezit van haar vader. Eberstadt: ‘Zij werd toen echter op een zeer onaangename wijze behandeld. Ik lette er toen niet op. Ik woonde in Amerika, en ik had andere dingen aan mijn hoofd.’

Is het recht nu gedaan? ‘Ik ben tevreden’, is daarop de reactie van Eberstadt. De uitspraak van de commissie vond hij ‘quite reasonable’ en ‘zou tien jaar daarvoor niet mogelijk zijn geweest’. Hij prijst Byvanck. De zaak was voor hem ‘tijdvretend en duur’, en heeft hem ‘zeer geërgerd’ – alhoewel er ook een positieve kant aan zat: ‘Ik heb zeer veel geleerd, over de geschiedenis, over mijn familie, over Jan Toorop.’

En dus zegt hij: eind goed, al goed. Maar hoe vriendelijk hij het ook brengt, één punt is bij hem niet veranderd. Voor Byvanck mag het museum gezuiverd zijn, Eberstadt zegt: ‘Ik accepteer niet het idee dat het museum in 1981 het niet had kunnen weten.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden