En nergens voer voor de kanarie

Zlata Filipovic werd op haar 13de wereldwijd bekend door haar oorlogsdagboek uit Sarajevo. Nu bundelde ze zelf dagboek-fragmenten van kinderen in oorlogstijd, van 1912 tot nu....

‘Ik dacht dat oorlog iets was dat andere mensen overkwam.’ Met deze zin begint het Bosnische meisje Zlata Filipovic, nu 27, haar inleiding van een bundel met fragmenten uit dagboeken van kinderen in oorlogsgebieden. Oorlog is een naar woord van horen zeggen, als je elf bent, op tennis en pianoles zit, dol bent op pizza’s en MTV-clips en met je ouders woont in een mooi huis, en in de weekends in een tweede huisje in de bergen. Zlata kende tot haar elfde geen groter zorgen dan een onvoldoende voor haar proefwerk.

Maar op 9 april 1992 hoeft ze niet naar school. Alle scholen in haar stad, Sarajevo, zijn gesloten. Er klinkt schoten uit de omliggende heuvels. De volgende dag is het prachtig weer; alle mensen gaan vrolijk naar het park. Ze laten zien dat ze geen oorlog willen, denkt Zlata. ‘Wie houdt er nou van oorlog of wie wil dat nou, als dat het ergste op aarde is?’ Maar een week later staat Zlata met haar ouders in een schimmelige kelder, terwijl buiten de granaten gillen. Een vriendinnetje wordt gedood door een granaatscherf in haar schedel. Niemand mag naar buiten, de telefoon is afgesloten. Een paar dagen later zijn alle ramen van hun huis kapot. Veel mensen vluchten. Toch gaan Zlata en haar ouders niet weg. Zij hebben besloten bij elkaar te blijven, in hun stad. Als ze dood gaan, dan maar met z’n drieën – thuis.

Zlata Filipovic schreef het allemaal op, twee jaar lang, in haar dagboek gericht aan ‘Mimmy’. Anne Frank koos ‘Kitty’ aan wie zij haar hart luchtte, Zlata, zeer onder de indruk van Anne’s Dagboek, koos een geduldig luisterende Mimmy. Het dagboek eindigt als Zlata, in december 1993, met haar ouders in Parijs aankomt. Lichtjes, flanerende mensen, lekker eten, na twee jaar duisternis, erwten en rijst. In Sarajevo zijn dan vijftienduizend doden gevallen, van wie drieduizend kinderen. ‘Mimmy’ was de aanleiding voor de reddingsvlucht. Een uitgever, die Zlata’s dagboek wilde uitbrengen, haalde het gezin naar Parijs. Het dagboek van Zlata zou een megaseller worden, in 35 landen. Ze werd al gauw de ‘Bosnische Anne Frank’ genoemd, een eretitel die Zlata beschaamd afwijst: zíj overleefde immers haar oorlog wel.

Nog altijd staat Zlata’s leven in het teken van oorlog. Ze ging studeren, in Oxford en Dublin. Ze trok de wereld over om lezingen te geven, schreef voorwoorden voor boeken, zoals Milosevic – the People’s Tyrant, en ging werken op de afdeling ‘Kinderen in gewapende conflicten’ van de Verenigde Naties. Samen met de Britse schrijfster Melanie Challenger stelde ze een boek samen uit overgeleverde dagboeken van kinderen in oorlogssituaties over de hele wereld: Verloren stemmen.

Het lezen van deze bundel met dagboekfragmenten is precies zo hartverscheurend als je denkt, en vreest, dat het zal zijn. Het vroegste dagboek is dat van Piete Kuhr, een meisje dat tijdens de Eerste Wereldoorlog in de buurt van Berlijn woonde, het laatste dat van Hoda Thamir Jehad, die 17 was toen ze de Brits-Amerikaanse bombardementen in 2003 in haar land, Irak, zag losbarsten. Ook van Zlata’s eigen dagboek werd een deel opgenomen.

Het alles in één adem uitlezen is haast onmogelijk. Te veel menselijke wreedheid en beestachtigheid in één omslag. Wéét de wereld wel wat wij hier meemaken?, vragen al deze kinderen zich op enig moment in hun dagboek af.

Piete (12) ziet in de zomer van 1914 brancards met gewonde soldaten voorbijkomen. Ze ziet een jongen zonder armen, ‘zijn borstkas was net een vierkante doos van opgedroogd verband. Hij had zijn lippen opgetrokken zodat je de tanden erachter kon zien’. Een vrouw pakt Piete ruw bij haar arm. ‘Het is jouw schuld dat ze allemaal doodgaan! Jouw schuld!’ Piete is verbluft: háár schuld? Later begrijpt ze dat de vrouw bedoelde dat ze Joods is.

Ed Blanco, 19, besluit zich als vrijwilliger op te geven voor het Amerikaanse leger. Na vijf maanden wordt hij, in 1967, naar Vietnam gestuurd. Spannend, het avontuur tegemoet. Ruim een jaar later ligt hij in het militaire ziekenhuis, met een aan flarden geschoten kaak. Hij hoort dat zijn vriend Joe is gesneuveld. ‘Ik moest eraan denken dat hij softbal speelde en dacht aan zijn huwelijk met Susie van wie hij veel hield.’

Een dan breekt Ed, voor het eerst, zijn tranen zijn niet te stelpen. Hij heeft te veel gezien. Twee dode kinderen, hun dode vader en moeder, en een grootmoeder met een afgeschoten hand – resultaat van Eds lukrake salvo in een onderaardse gang. Hij had de kinderen toegedekt, hij die vrouw zonder hand nog willen troosten, ‘maar hoe moet je dat doen?’ Ed haat de ‘spleetogen’ niet, waarom zou hij. Hij doet z’n werk, vervuld van angst.

Inge Pollak, 12, moet zich een bevoorrecht kind voelen. Zij, Joods kind uit Wenen, werd in 1939 is op kindertransport gezet en veilig ondergebracht bij een echtpaar in Londen. Maar Inge wordt verteerd door heimwee naar haar Weense leventje. En mevrouw Robins, haar pleegmoeder, laat duidelijk merken dat ze haar zusje Lieselotte aardiger vindt en dat de zusjes wel érg dankbaar mogen zijn. Inge zou nooit teruggaan naar Wenen. Haar moeder en oma werden op transport gesteld naar Minsk, waar ze werden vermoord. Inge bleef met haar zusje en vader in Engeland, nooit helemaal thuis.

Sheila Allan uit Singapore, 16, komt in 1942 in een Jappenkamp terecht. Ze moet eten, om geen beriberi te krijgen. Maar de waterige, grijze rijstprut is zo vies! Op een dag ziet ze zichzelf tot haar grote schrik een roze, pasgeboren muisje inslikken. ‘Ik voelde me een beetje dom. Ik was bang dat ik een heel afgestompt meisje was.’

Hoda Thamir Jehad, 17, weet niet wat ze erger vindt: de bevroren harten van de Irakezen, na 37 jaar terreur van hun ‘verachtelijke president’, of de brute bestorming door de Amerikanen. Ze is dolblij als Saddam eindelijk is gearresteerd. Maar: ‘Wat blijft er voor Irak over nadat zijn monumenten, zijn beschaving en zijn rijkdom zijn gestolen? Irak heeft niets over behalve zuchten en verdrietige gedachten, en de strijdkreten op de muren.’

Ongelooflijk is het verhaal van de Joodse Clara Schwarz. Het doet aan Het Achterhuis denken. Dit meisje leefde met haar familie en andere families twee jaar in een donkere kelder. Ze moesten onderduiken toen hun stad, Zolkiew in Polen, door de nazi’s werd bezet en vrijwel alle Joden in die stad werden vermoord. Twee jaar lang was het enige contact met de wereld een klein val luik. Daardoor schoven de bewoners, een niet-Joods echtpaar, eten, water en kaarsen. Clara’s zusje Mania liep één keer naar buiten, werd opgepakt en vermoord. De kamers boven hun hoofd worden gevorderd door hoge Duitse militairen; vanaf dat moment mogen ze zelfs niet meer fluisteren.

‘Wij zijn beesten geworden’, schrijft Clara, ‘en toch willen we leven.’ Het echtpaar dat de gezinnen redde, werd na de oorlog beschuldigd van collaboratie. Ze werden gered door de getuigenis van Clara’s dagboek.

Hoe pijnlijk het ook is om deze dagboeken te lezen, deze levende bewijzen van de waanzin van iedere oorlog, toch zijn ze op sommige momenten vederlicht. Want kinderen blijven kinderen. Als het ergste gevaar weer even is geweken, gaan ze onverstoorbaar door met kind zijn. Inge en haar vriendinnetje maken een kunstwerk van een stoel in een saai museum: ‘Deze stoel werd gebruikt door rechter Jeffreys tijdens het halsgerecht.’

Zlata kan verdragen dat zij nooit meer pizza’s eet, vlees of lasagne. Maar dat er nergens meer vogelvoer is te krijgen voor haar geliefde kanarie Chico, vindt ze eigenlijk het allerergste. Russische Nina wil in 1940 vechten, aan het front. Maar ja, ze is bijziend en zal daarom niet goed kunnen schieten. Maar met een bril lopen: nooit!

Stanley Hayami, een Amerikaanse jongen die met de nek wordt aangekeken omdat hij van Japanse afkomst is, besluit in 1942 het leger in de gaan om te bewijzen dat hij een goed vaderlander is. Hij besluit, kijkend naar het prikkeldraad dat hij ‘de beste illustrator van de wereld’ zal worden.

Ongeveer de helft van deze jonge dagboekschrijvers overleefden hun oorlog niet. Toch geven de schriftjes die zij volschreven, in legerkampen, gevangenissen en schuilkelders hoop. Over de gehate ‘vijand’ schrijven zij zelden, de oorlog zelf is hun vijand. Als het aan kinderen ligt, zijn er ander manieren om conflicten te beslechten dan granaat of bajonet.

De titel van dit overrompelende boek is verkeerd: deze stemmen gingen niet verloren, en in de woorden van deze kinderen klinken de echo’s van miljoenen andere.Aleid Truijens

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.