En famille (9)

Zus had een gebod overtreden, dat in mijn ogen van een oud-testamentische ontzagwekkendheid moet zijn geweest. Had iemand het ooit letterlijk zo geformuleerd?...

STEPHAN SANDERS

'Gij zult U zelf geen kinderen nemen.'

Ook om die reden had ik mezelf verplicht tot een zeker showroom-leven. Het was mijn taak het succes van een idee te belichamen, en dag in dag uit de voorbeeldige zoon op de planken te zetten, voor iedereen die het maar zien wilde.

Vooral de lichtzinnigheid waarmee zus de ongeschreven wetten had geschonden was adembenemend.

'Zeker een hele beslissing, zo'n kind van jezelf.'

'Nou, nee.'

'Ik bedoel: het is tenslotte niet alsof je een ziek vogeltje mee naar huis neemt.'

'Och' glimlachte ze flauwtjes 'zwanger worden is binnen vijf minuten gebeurd.'

Ik weet dat ik dacht: dit is onbehoorlijk. Wat moeder niet lukte, doe jij even met je handen op de rug.

Dit is een demonstratie van overmacht.

Maar ik beperkte mij tot de verstandelijke argumenten, en zorgde ervoor dat die aannemelijk, ja bijna bezorgd klonken: zo jong nog, hield ik haar voor, en geen opleiding afgerond, geen carrière in zicht. Hoe zag ze haar toekomst? Ze kon toch - mijn stem bereikte nu het hoge, verontwaardigde register - ze kon toch moeilijk uitsluitend moeder-zijn.

'Oh nee? Is dat niet voldoende?'

Ze legde haar beide handen tevreden in haar schoot (het nieuwe lichaamsdeel dat vrouwen meteen na hun eerste zwangerschap verwerven) en liet vervolgens haar buik spreken, die al weer begon te zwellen, zonder dat haar lippen ook maar een moment in beweging kwamen.

Toch werd die ademloze woordenstroom begeleid door een duidelijk hoorbaar, licht smakkend geluid, alsof iemand verlekkerd van zijn soep zat te slurpen.

En de vruchtbaarheidsgodin zeide: 'Zo simpel is dat nou. Jij denkt uit te moeten blinken, om je bestaansrecht te garanderen; je gelooft werkelijk dat je over interessante gedachten moet beschikken, over spitsvondige formuleringen, om aanwezig te mogen zijn. Je bent nog steeds bezig met een afbetalingsrekening, alsof je bij je geboorte een schuld hebt opgebouwd die je de rest van je leven zult moeten inlossen, in jaarlijkse termijnen.

Lachen, lernen vooral; je beschouwt het kennelijk als je taak om een sprankelende aanwinst te zijn voor je omgeving. Wat een omhaal van woorden, wat een verspilde moeite. De natuurwetten zijn kinderlijk eenvoudig. Zolang je je daar tegen verzet, zal je achter het leven aan blijven hollen, als die mannen in oude Amerikaanse films, die in wapperende lange jassen, met gleufhoeden op hun kop, tevergeefs hun arm uitstrekken naar de laatste trein die net vertrekt.'

Pas toen ik zus vroeg hoe ze dacht rond te komen, met zo'n afgeladen kinderkamer vol met natuurprodukten, klonk ze weer aards en helemaal van deze wereld.

'Er bestaan toch uitkeringen.'

Ze was een wonder der natuur - en tegelijkertijd ook een beetje het aangenomen kind van de verzorgingsstaat.

Haar kinderen waren dank zij een roodharige geliefde licht van huid, licht van haar en dus vrij van dubbelzinnigheden: ze zouden zich ongezien kunnen verstoppen in een Twents tarweveld, zonder dat boeren of buurmeisjes hen hadden kunnen betrappen.

Blonde uitvoeringen van zus waren het, kleurlingenkindjes zonder kleur, en toch leken ze meer op haar dan mij ooit was gelukt.

Ze zat tegenover me en trok zo'n hummeltje op schoot, dat zich ogenblikkelijk tegen haar aanvlijde: in één oogopslag werd het subtiele onderscheid tussen de echte en de nep-familie gedemonstreerd, tussen de vanzelfsprekende en de moeizaam verworven band.

Hoe meer zij moeder werd, hoe minder mijn zus.

Ik kon welbeschouwd geen overtuigende bewijzen leveren voor onze verwantschap, die bestond bij de gratie van de wederzijdse afspraak, en die tegenover dit natuurgeweld een zo goed als verzonnen karakter kreeg.

'Ga je nog een keer met een zwarte kerel naar bed?' jengelde ik.

'Maak nou eens kindertjes met van dat lieve, pluizige koeshaar.'

Ik beet mijn tong af.

'Zoals wij waren.'

De veel te wijde trui gleed van pure desinteresse van haar schouder; ik zag hoe de sproeten zich voortzetten in haar hals, voorbij haar jukbeenderen.

'Jij moet eens vaker in de zon. Weet je dat je vroeger een stuk donkerder was dan ik?'

Weer die euritmische vertaling van volmaakte onverschilligheid.

Misschien, misschien mompelde ze. Hield ze zich niet meer zo mee bezig.

En terwijl ze haar baby over haar heen liet kruipen, en met een hand de omgevallen peuter opraapte van de grond, zei ze met een vrolijke, licht geforceerde stembuiging:

'Ik heb trouwens ook mijn echte broer ontmoet.'

Ze had me al eerder verteld over de zoektocht naar haar antecedenten, die ze ooit, jaren geleden, begonnen was met een voor mij onbegrijpelijke luchthartigheid. Met hulp van de adoptiestichting was ze erin geslaagd het spoor terug te volgen, maar anders dan ze als kind verwachtte, stond er geen koning langs de kant van de weg om haar, de verloren dochter te verwelkomen.

De koning bleek een behoorlijk dopy bongo-speler uit Curaçao te zijn, die niet alleen zijn trommels stuk sloeg maar ook zijn vriendin, haar moeder.

Die was gek geworden, pleegde zelfmoord.

En zus, die zich ooit de erfgenaam had gewaand van paleistuinen vol met pauwen, en die droomde over een tropische kinderboerderij, waar zielige en zieke dieren onder haar koninklijke bescherming zouden aansterken en opbloeien, stak me een beduimelde foto toe van een vrouw met een angstig klein brilletje.

'Dat is vlak voordat ze werd opgenomen.'

'Het is niet meteen Jessey Norman, maar je hoeft je niet te verontschuldigen.'

Ze diepte nu een papiertjes uit haar zak, waarop ze iets krabbelde, in hetzelfde onbeholpen handschrift dat ik kende van haar vele afscheidsbrieven: de dubbele, Nederlands klinkende achternaam van haar echte familie, die ze gecombineerd had met de roepnaam van Bhagwan.

'Dat ben ik nou' zei ze, verbaasd over haar nieuwe, net aangemeten persoonlijkheid.

Ik las hardop voor, lettergreep voor lettergreep. Ik keek naar haar, en probeerde de herinneringen aan zus te koppelen aan de vreemde klankkleur van deze vrouw.

Het lukte niet. Het was alsof iemand een schoolplankbordje voor mijn neus hield, waarop overduidelijk een vis stond afgebeeld.

Maar de letters daaronder lazen als: 'M-I-E-P'.

'En die broer' vroeg ik argwanend.

'Je kan het zien, hij heeft mijn sproeten.'

Ze stond op en legde haar hand op mijn dijbeen.

'Maar ja, dat zegt natuurlijk niets. Jou kèn ik, tenslotte.'

Het klonk alsof ze ook zichzelf moest overtuigen.

(Wordt vervolgd)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden