EN DAAR BLEEK HET JONGENSBOEK UIT

Natuurlijk zijn de 'Hollandse' gedichten van Slauerhoff de mooiste, in hekel, tederheid en weemoed:..

Ik weet het: een Zondag als deze Gewekt in weemoed van wind door regen, Weet zij naar geluk geen wegen, En zit aan een raam te lezen Den vroegen morgen.

Zo begint 'Pastorale' uit de bundel Archipel. Het zijn gedichten voor later; wie Slauerhoff vroeg is beginnen te lezen, kent misschien het sterkst de bekoring door de exotische gedichten - Oost-Azië - en de verzen over schepen, varen, zeelieden, havens, een soort avonturenpoëzie, met een jongensboekachtig karakter, al hangt er de vloek van de eenzaamheid over bijna alles. Maar ook in die poëzie ontbreken de zeer lyrische niet, als 'Maneschijn in Tsingtao' uit Al dwalend. Het begint zo:

De maan weent over de waatren Om 's werelds leed te verzachten, Zij heeft maar enkele nachten En weet dat het niet zal baten.

De bundel Een eerlijk zeemansgraf is de meest 'nautische' en was daardoor voor mij indertijd het meeslependst. (Ik las ze met dezelfde romantische verbeelding waarmee ik in de krant de 'scheepvaartberichten' las : het stoomschip Calypso was onderweg van Montivideo naar Caracas, dat wist ik dan gelukkig.) Het gedicht 'De havensteden' is mij altijd bijgebleven, vooral vanwege het tweede deel, waarin haven na haven wordt opgeroepen. Ik citeer er enkele strofen uit:

Port Said, hoofdstad van dief en hoer, En Yokohama halfverwoest, Het geel en smoorheet Singapoer, Wladiwostok in ijs verroest.

Djiboeti aan den Soedan-rand, Oven waarin men levend kookt. Hankou in 't diepste binnenland, Dat door heel China wordt bestookt.

De eerst geciteerde strofe vind ik nog altijd de mooiste, ik denk vooral vanwege dat 'in ijs verroest'. Alle plaatsnamen in het gedicht hadden een exotische klank; de wereld was nog zeer groot. Het aardige aan het vers is, dat al die in hun beschrijving als vervloekt overkomende havens de dichter op zijn reizen vergezellen: elke haven is zijn thuishaven, als het maar geen Nederlandse haven is.

'Het geel en smoorheet Singapoer' - dat is een stad brandend in de zon aan de rand van de wereld, zoals een stad in de tropen hoorde te zijn. Singapore is nu een van de rijkste steden van de wereld, een van de schoonste ook, dictatuur is altijd hygiënisch; het is één groot winkelcentrum; overal wolkenkrabbers van banken en handelshuizen, en de ogen worden er niet verblind door de zon, maar door de diamanten, briljanten en andere edelstenen in de etalages van de ontelbare juweliers. En alleen het Raffles-hotel, waar eens de grote zeeschrijver Joseph Conrad logeerde (en Kipling en Coward; hun foto's hangen in de 'Writer's Bar') kan in zijn nieuwe gedaante de oude niet verbergen: er schemert geschiedenis in het voorname licht. Alleen de haven, waar de schepen in rijen liggen te wachten, denkend niet aan havens maar aan zeeën, zou misschien nog aan vroeger kunnen herinneren.

Die hele exotische wereld van Slauerhoffs poëzie bestaat niet meer. Geel en glanzend blinkt bijna overal het westers goud. Maar de wereld is ook kleiner geworden: als we niet overal zelf zijn geweest, hebben we ontelbare beelden uit die eens verre werelden gezien. En die kunnen ons van de uniformiteit van de nieuwe wereld overtuigen. Singapore is Chicago, zei mij een zeer bereisd iemand. En waarschijnlijk zal een bereisde Aziaat zeggen: Chicago is Singapore.

En toch. Het oudste deel van Jakarta ligt in het noorden, naar de zee toe. De koloniale geschiedenis staat er in oude en gerestaureerde gedaante zichzelf te herdenken, en de palmen erlangs kunnen het typisch Nederlandse karakter aan een gracht niet ontnemen. Naar de haven toe lijkt het steeds heter te worden, drukker ook, benauwder van het blauw van de uitlaatgassen. En daar ineens bleek de wereld van Slauerhoff nog te bestaan. Langs een zeer lange kade liggen ontelbare schepen, zeilschepen, met motoraandrijving natuurlijk. In alle kleuren, als was er een vlootparade. Schitterend hoge boegen komen naar voren. Achter de rug van de schepen ligt de zee met heel in de verte de ontelbare eilanden die zij bevaren, vaak weken onderweg. Soms vergaan ze, en de zee sluit zich boven alles. De schepen heten slecht van kwaliteit te zijn. En het leven van de bemanningen telt niet. 'Op hoop van zegen', maar veel erger in deze wilde vaart.

Met een heel smalle, onder het lichtste gewicht doorbuigende plank zijn de schepen met de kade verbonden. En over die evenwichtslat gaan de laders, meestal hout, maar soms ook zakken rijst op hun rug. Ze zijn mager en tanig, maar ze heten ongezond en ziekelijk, deze zwetende koelies, die per schip worden aangeworven. Later zag ik een groepje in een hoek van de haven uitbetaald worden. Duidelijk doodmoe slenterden ze op hun dunne benen in een onbepaalde richting, jong en oud, spelend in een film uit de twintiger jaren, naar het leek.

Ik stond in een uithoek van de tijd en midden in een poëzie die uit die hoek bewaard is gebleven:

Op de kade drukt de zware hitte Als een uit de hel geloste vracht Onder stank en walm.

Het gaat over Dar Es Salaam, maar uithoeken lijken altijd op elkaar, over zestig, zeventig jaar heen zelfs.

Uit de verte is de haven een idylle, en de schepen lijken haast te jong voor de grote zee. Schitterend in hun kleuren om te fotograferen. En de twee naakte zeelieden die zich op het dek staan te wassen, maken het droombeeld compleet. Als hun lijven lijkt alles te glanzen. Maar dichterbij wordt de hitte zwaarder, de sjouwers worden grauwer - ik begrijp nu pas de werkelijke betekenis van het woord 'koelie' - alles krijgt de hete rauwheid van die zeeverzen van Slauerhoff. Ik meen hem daar aan die kade in die ondraaglijke hitte beter te begrijpen. De vervloekte dichter zoekt de vervloekte plaatsen en mensen op. Hij reist naar huis, de zee is de weg erheen, en dicht zich thuis.

Ik loop terug en laat een niet meer bestaanbaar geachte wereld achter mij. Het koloniale schuldgevoel steekt weer eens op. In elk geval: het jongensboek was uit. Ik lees de varende Slauerhoff nu anders. Beter, denk ik. Het geel en smoorheet Jakarta. Ik kijk om: kleine bruine mannen gebogen onder een witte zak gaan in rij de smalle plank op. Het schip wiegt. Het wil weg. De slaven moeten zich haasten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.