Emily Ansenk

Vers afgestudeerd moest Emily Ansenk (38) twaalfenhalf jaar geleden het museum maken waarover bankier Dirk Scheringa droomde. Ze slaagde en oogstte alom lof....

Daar zat ze dan, als 25-jarig ‘kippie’, net afgestudeerd in kunstgeschiedenis. Of ze eens wilde komen praten, had Dirk Scheringa haar gevraagd. ‘Vertel eens’, zei de verstrekker van consumentenkredieten – nu uitgegroeid tot een van de grootse zakenmannen van Nederland. ‘Wat denk je dat jou geschikt maakt als directeur voor mijn museum?’ Pas op dat moment realiseerde Emily Ansenk zich: ik zit in een sollicitatiegesprek. Niks laten merken. Ze zei: ‘Het lijkt me een hartstikke leuke uitdaging. Ik heb er heel veel zin in.’ Een maand later benoemde Scheringa haar tot directeur van zijn museum. Althans, van de ouwe huishoudschool in Spanbroek die hij had gekocht om te laten verbouwen tot zijn museum. Vorige maand, twaalfenhalf jaar later, zat ze weer tegenover hem, en zijn vrouw Baukje. Het was een emotioneel gesprek, na al die jaren van intensief samenwerken. ‘Dirk vond het geen prettig nieuws.’ Ansenk vertelde waarom ze naar de Kunsthal in Rotterdam ging; per 1 september wordt ze daar de nieuwe directeur. ‘Ik dacht: ik moet wel uitleggen waarom ik ze laat zitten. En ik hou zo van het museum. Ik moest het ook voor mezelf verantwoorden.’

Heb je het kunnen uitleggen? ‘Ja.’ Ze lacht. ‘Dirk ziet het anders, overigens. Die zegt: ‘Jij denkt dat het een promotie is. Maar dat is niet zo. Het Scheringa Museum wordt het mooiste museum van de wereld. Jij haakt nu af. Je kans is verkeken.’

Zei hij dat serieus? ‘Dat zei-ie serieus. Zo is Dirk.’

Directeur Wim Pijbes van de Kunsthal benaderde haar, nadat hij zelf was benoemd bij het Rijksmuseum. Of ze wilde solliciteren, als zijn opvolger. Zijn verzoek kwam op een ongelukkig tijdstip. Begin 2010 wordt het nieuwe Scheringa Museum voor Realisme geopend, in Opmeer. Een groots museum met dertig daglichtzalen – van een heel andere allure dan het charmante huishoudschooltje tussen de weilanden vol boterbloemen. De particuliere verzameling van het echtpaar Scheringa is inmiddels uitgegroeid tot een museale collectie van twaalfhonderd kunstwerken. Met naast Scheringa’s geliefde Willinks (zijn liefde voor de kunst begon toen hij deze magisch realist ontdekte) andere grote namen als René Magritte, Marlene Dumas, Lucian Freud, Fernando Botero, Tamara de Lempicka. Ja, het had een glorieus moment kunnen zijn, die opening. ‘Een kroon op je werk’, zegt Ansenk. ‘Daarna was de tijd rijp geweest om wat anders te zoeken. Iedereen wist dat ik niet tot mijn pensioen in West-Friesland zou gaan zitten. Ik realiseerde me: in feite kies je dan voor het glorieuze moment, om daarna de kans te krijgen die nu al langskomt. Dus om alles volgens mijn planning te doen* Misschien zit er over anderhalf jaar wel niemand meer op me te wachten.’ Het betekent het einde van haar samenwerking met een opmerkelijke man: oud-politieagent Dirk Scheringa, inmiddels miljardair. Eigenaar van de DSB-bank, van voetbalclub AZ en een schaatsploeg. (Zijn bekendste werknemers: oud-minister Gerrit Zalm en voetbalcoach Louis van Gaal.)

Je opvolgster bij het museum vertelde dat jij erg bepalend bent geweest voor de smaakontwikkeling van het echtpaar Scheringa. ‘Ik vind het leuk om Dirk en Baukje te vertellen over goeie kunst, te praten over een schilderij, te kijken naar de compositie, de lichtwerking. En maar volhouden. Er zit iets belerends in me.’

Ze wisten weinig van kunst. ‘Ze waren één keer in een museum geweest, voordat ze een eigen museum begonnen.’

Ingewikkeld: jij was 25 en moest ze daarin opvoeden. ‘Ja, ik was aangesteld om dat te doen. Kunsthandelaar Loek Brons had tegen hen gezegd: ‘Leuk idee, een museum, maar zorg dat je iemand erbij betrekt die wat van kunst weet.’ Toen dachten ze: o ja, da’s misschien wel handig. En ik was jong. Ik was goedkoop. Het had natuurlijk ook anders kunnen uitpakken. Maar ze verzamelen wel met gevoel, hè. Ik kom zoveel verzamelaars tegen met enorm veel geld. Dan zit je bij Christie’s aan een diner en denk je: het gaat je gewoon om het hébben. Het is het hébben.’

Status? ‘Onwijs status-gerelateerd. Dat vind ik leuk aan Dirk en Baukje: ze zijn bereid erover te leren. Er zijn ook schilderijen die zij willen en waarvan ik zeg: ‘Dat past niet in het museum.’ Glimlach: ‘Soms kopen ze het dan wel en vertellen ze het me lekker niet. Dan komt het thuis te hangen.’

Er is geen kerk, geen kathedraal die ze als kind níét heeft gezien, tijdens de vakanties met haar ouders, in Europa. Haar oma schilderde en vertelde daar veel over. ‘Ze liet me altijd plaatjes zien. Ik had daar gevoel bij.’ Op het gymnasium, in Hilversum, moesten haar medeleerlingen hard lachen toen ze vertelde kunstgeschiedenis te willen gaan studeren. Het waren de jaren tachtig, er was geen baan in te krijgen. ‘Ik had geen enkele twijfel dat het mij wel zou lukken.’ Tijdens haar studie liep Ansenk stage bij de afdeling Kunstzaken van ING. Het hoofd, de vroeg overleden Sacha Tanja, stuurde haar overal op af. ‘Van haar heb ik vooral opgestoken: kan niet? Hoezo kan niet? Hup, gaan.’ Op haar 24ste bood Ansenk al op een veiling. ‘Op een klein werkje van 1.800 gulden.’ Tanja verzamelde voor ING vooral magisch realisten, en Nederlandse realisten vanaf 1945. ‘Het is nu wel anders, maar dat werd helemaal niet serieus genomen. Marginale kunst.’ Ansenk verving de zwangere conservator. Ze werkte vijf dagen per week en moest tegelijkertijd haar afstudeerscriptie schrijven. De keus voor het onderwerp was praktisch: over de invloed van het magisch realisme op de naoorlogse kunst – ze had de ING-collectie goed leren kennen. Aanvankelijk wilde haar scriptiebegeleider er niet eens bij helpen. ‘Het hedendaags realisme, dat was kitsch en over de top en slecht.’ Op een kunstbeurs riep Tanja haar bij zich: ‘Emily, kom eens. Dit is meneer Scheringa.’ De zakenman (Ansenk had nog nooit van hem gehoord) vertelde dat hij net een Willink had gekocht, en nog meer Willinks had. ‘Ik stuur mijn scriptie op’, beloofde Ansenk. Niet lang daarna volgde het telefoontje van de secretaresse van Scheringa. ‘Dus eigenlijk is alles stom toeval geweest.’

En toen moest jij beginnen, in een leeg kantoor, met een lege computer. ‘En een lege adressenbak.’

Hoe doe je zoiets? ‘Eerst postpapier en visitekaartjes regelen. En ik moest er echt op uit. Het kwam niet naar Spanbroek, zeg maar. Ik reed door heel Nederland, naar kunstenaars en galeries, en gooide de schilderijen die me aanspraken achter in mijn autootje. Dan kwam ik terug, stalde ze uit en zei: ‘Volgens mij zijn ze dit en dat waard.’ Die prijzen moest ik snel leren.’

En dat deed je goed: het museum en de collectie worden intussen alom gewaardeerd. ‘Ik heb geprobeerd er een eigen weg in te kiezen, met Dirk en Baukje. Er cirkelen allemaal haaien om je heen. Op elk bedrag dat je uitgeeft, komt commentaar van de buitenwereld – die weet dan nog wel tien betere bestedingen.’

Dan sta je sterk in je schoenen. ‘Dat leer je onder andere van mensen als Dirk. Die is daar uitermate sterk in. Een soort pitbull. Je moet rustig blijven. Niet meegaan in dat hijgerige van de kunstwereld, in die hypes van: je moet nu dit kopen! Dirk werd toen lang niet zo afgeschermd als nu. Ik kon gewoon bij hem binnenlopen. Als hij zaken deed over de telefoon, zette hij de speaker aan, zodat ik kon meeluisteren. Volgens mij probeerde hij mij op die manier het onderhandelen bij te brengen: op tijd je mond houden, stiltes laten vallen.’

Had je het gevoel dat je serieus werd genomen in de kunstwereld? ‘Toen had ik het idee van wel. Maar achteraf weet ik het nog zo net niet. Hoe serieus neem je zo’n jong iemand? Het enige wat ik had was een verhaal over een schooltje in Spanbroek. Meneer Scheringa was nog helemaal niet bekend, behalve in de regio. ‘Laat die man zijn collectie aan een groot museum schenken’, kreeg ik te horen.’

Je bent zelfverzekerd. ‘Dat heb ik van huis uit meegekregen, denk ik. En ik ben ambitieus in de zin dat ik denk dat één persoon heel veel kan bereiken. Je kunt wél verschil maken, daar ben ik heilig van overtuigd. Je moet niet uitgaan van ‘ach, maar zo is het nu eenmaal’. Het heeft geen zin bij voorbaat allerlei beren op de weg te zien. Als de problemen komen, dan zie je het dan wel weer. ‘Ik vind het niet moeilijk beslissingen te nemen – en ik neem niet altijd een goede beslissing hoor. Dat is dan maar zo.’

Emily is niet het type om ergens tegenop te zien, zei je opvolgster, toen ik vroeg of je erg opzag tegen de Kunsthal. ‘Nee. Ze hebben keuze te over gehad. Als ze denken dat ik het in me heb, moet ik daar maar op vertrouwen.’

Het zal bij de Kunsthal minder om inhoud draaien, en meer om politiek getouwtrek: subsidies binnenhalen, sponsoring regelen. ‘Jaha.’ Vrolijk: ‘Kijken hoe lang ik het volhoud. Maar ik kan er verder nog zo weinig over zeggen. Het komt zoals het komt. Het leven gaat ook in kleine stapjes, hè.’

Op de vraag welke lastige kant je hebt, zei je opvolgster: ‘Emily heeft een zakelijke manier van opereren, die als mannelijk wordt gezien. Sommigen vinden dat moeilijk.’ ‘Ja, ik ben heel direct. Ik ken mijn valkuilen zo langzamerhand en soms val ik er wéér in. Dat je bij jezelf denkt: verdorie.’ Voorzichtig: ‘Ik weet dat ik moeite heb met een bepaald type. Mensen die zich onzeker, kwetsbaar opstellen terwijl ze dat niet hoeven zijn. Dan denk ik: kom op! Ik ga ertegenin, in plaats van dat ik met ze meevoel. En dat werkt niet. Die mensen worden zo niet zekerder van zichzelf. Als ze ergens over twijfelen, zijn ze bang me dat te vertellen. Omdat ik soms hup, zonder na te denken, reageer. Dat is wel irritant, van mezelf. En ik ben perfectionistisch. Dat is soms ook lastig.’

Lijk je op Dirk Scheringa? Meteen: ‘Dat zegt hij zelf weleens. Hij ziet een verwantschap. Ik ontken dat altijd ten stelligste. Hij doet alles anders, op alle gebieden. Maar ik heb veel van hem opgestoken.’

Stoorde het je dat Scheringa het imago heeft van een man die rijk is geworden met het verstrekken van kredieten aan Nederlanders die het eigenlijk niet kunnen betalen? ‘Nee. Ik dacht wel: ik kan niks doen aan de persoonlijke pr van meneer Scheringa. Ik heb het museum altijd los van die verhalen gezien. En het had al vrij snel een goede naam. De gewone bezoekers, die op dinsdagmiddag met hun tante naar een tentoonstelling komen, interesseert die mythevorming rond Scheringa niet.’

Je werd zelf onderdeel van die mythevorming, omdat je voor hem werkt. ‘Ja. Mensen proberen er ook altijd wel naar te vissen. ‘Hoe is-ie nou? Zie je hem vaak?’ ‘Ik heb er de vruchten van kunnen plukken. Als we naar Basel gaan, doen we dat met het eigen vliegtuig. Je slaapt in prettige hotels. Soms ontmoet je bijzondere kunstenaars. We zijn thuis bij Botero geweest, in Italië. Dan moet je jezelf even in je arm knijpen. ‘Je komt overal. Bij verzamelaars met heel veel geld – oesters en champagne. Maar ook bij die arme kunstenaar met een stretchertje in de hoek van de kamer. ‘Wat ik wel wil zeggen: het budget voor de collectie is altijd groot geweest. Voor de rest wordt er op 100 euro beknibbeld bij het museum. Van het beeld dat hier alles maar kan, wil ik weleens af. Scheringa is zuinig, echt een calvinist. De afdeling educatie wilde een workshop geven. Dan leen ik mijn huisprinter uit, zodat we er geen hoeven te kopen.’

Je opvolgster zei: ‘Nee is geen nee, heb ik van Emily geleerd. Je kunt overal een ja uitslepen.’ ‘Ja, is waar.’

Het echtpaar Scheringa wilde graag dat ontwerpster Fong Leng een replica van de luipaardmantel van Mathilde Willink zou maken – daar ging jij achteraan. ‘Fong Leng was onbenaderbaar. Toen ben ik haar gaan stalken. Wekelijks stuurde ik haar een fax, brieven – ik bleef bellen. Op een gegeven moment dacht ze: ik word helemaal gek van dat kind, ik ga maar eens terugbellen. Ze heeft die replica gemaakt. Het is het begin geweest van een intense vriendschap. Toen had ik nog geen kinderen, vloog ik van hot naar her. Werken-werken- werken en met Fong Leng whisky’s drinken en sigaretjes roken.’

Je hartsvriendin vertelde dat je in je privéleven het tegenovergestelde bent van een perfectionist. ‘In haar tuin geen perkjes en potten lavendel, maar een trampoline voor de kinderen.’ ‘En mijn privé-administratie is een grote dramatische janboel. Als ik per jaar een keer stofzuig, is het veel. Ik kan wel ballen hoog houden, maar niet allemaal tegelijk. Thuis moet het gewoon gezellig zijn. Leuk voor de kinderen. Lekker verven en schilderen. En ze hoeven ook niet schoon te zijn.’

De bak Lego staat onder* ‘Het schilderij van de Deense kunstenaar Michael Kvium, die nu waanzinnig in waarde is gestegen. Wij zeggen altijd: ‘Daar hangt ons pensioen.’ En die kinderen raggen daar gewoon onderdoor. In de gang staat een keramische haas. Officieel mogen ze daar dus niet voetballen, maar dat doen ze wel.’

Eigenlijk ben je een bevoorrecht iemand, grote klappen schijn je nog niet te hebben gehad. Meteen: ‘Nee. Nee.’ Dan, aarzelend: ‘Ik heb zelf mijn portie wel gehad. Ik ben erg ziek geweest – maar dat hoeft er niet in.’

Dan is dat beeld van zondagskind onterecht. ‘Ik ben gesloten over dat soort dingen. Ik dacht toen: ik kan wel doorwerken, dan laat ik het niemand merken.’ Heel zacht: ‘Dat is niet zo verstandig geweest.’

Je bent al die tijd blijven werken? ‘Tot ik de trap niet meer op kon. Maar ik zou het nooit meer zo doen. Het was veel gemakkelijker geweest als ik het had verteld. Ik ben natuurlijk een beetje een zondagskind, dat is zo. Ik wist niet goed hoe ik ermee om moest gaan, en dan maak je dus de verkeerde keuze.’

Het zegt wel veel over je karakter: altijd maar doorgaan. ‘Ik denk het. Van nature ben ik positief ingesteld. Dat helpt je ook wel om je door dit soort dingen heen te slaan. Ik weet zeker: als je optimistisch in het leven staat, krijg je veel meer van het leven terug.’

Later zegt ze: ‘Ik word natuurlijk als een ontaarde moeder gezien.’

Ja? ‘De buitenwereld vindt het ongewoon dat je als vrouw met kinderen vijf dagen per week zo hard werkt. Ik moet me altijd verdedigen. ‘Jeetje, hoe doe je dat?’, beginnen ze dan. ‘Vind je het niet zwaar. Hoe vaak zie je ze dan?’’

Het is ook zwaar. ‘Er zijn momenten dat ik mezelf vervloek. Dat je denkt: het zou ook wel gemakkelijk zijn als je dit allemaal niet zou hebben.’

Dat je niet alles wilt. ‘Ja. Maar natuurlijk wil je alles. Ik ben ook niet een heel dienend persoon. Dat heb ik niet in me.’

Had je dat als meisje al: als ik iets in mijn kop heb gezet gaat het me ook lukken? ‘Jaja. Zelfs bij mijn echtgenoot. Ik zag hem voor het eerst op mijn 19de en dacht gelijk: met hem ga ik trouwen. Ik wist: dat is hem.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden