'Elke tijd produceert zijn eigen gekte'

In Gek, slecht en droevig bestudeert Lisa Appignanesi de geschiedenis van geestelijk getourmenteerde schrijfsters als Virginia Woolf, Zelda Fitzgerald en Sylvia Plath....

De grandeur en misère van de menselijke geest hebben haar altijd gefascineerd. Als studente verdiepte Lisa Appignanesi (1946) zich in Edgar Allan Poe en Marcel Proust, auteurs die zich elk op hun manier met menselijke aberraties hebben beziggehouden. Als romanschrijfster exploreerde ze dit terrein zelf. En natuurlijk was haar kennismaking met het werk van Freud – ‘fijngevoelig en intelligent’ – een eye opener.

‘Maar ik denk dat de fascinatie uiteindelijk teruggaat op mijn persoonlijke achtergronden. Ik stam uit een Pools immigrantengezin dat via Frankrijk naar Canada kwam. Natuurlijk voerden mijn ouders het verleden met zich mee: de geesten en de doden van hun vaderland zijn hen altijd blijven achtervolgen.

‘Waarschijnlijk vinden alle kinderen volwassenen een beetje vreemd, maar dat vond ik zeker van mijn ouders en trouwens ook van mijn broer, die een stuk ouder was dan ik. Ze spraken letterlijk een andere taal. Ik vermoed dat dit vreemde gezin, samen met de overgang van een land dat door de oorlog was verwoest naar een land waar vrede heerste, mijn belangstelling heeft gewekt voor de vraag wat eigenlijk ‘normaal’ gedrag is, en wat afwijkend.’

De recentste vrucht van deze belangstelling is de omvangrijke studie Mad, Bad and Sad, in Nederlandse vertaling verschenen als Gek, slecht en droevig. In dit boek presenteert Appignanesi ‘een geschiedenis van vrouwen en psychiatrie van 1800 tot heden’, zoals de ondertitel luidt.

‘In de loop van de jaren ben ik gefascineerd geraakt door de steeds weer terugkerende berichten in de pers over het aantal geestelijke afwijkingen waaraan wij met zijn allen zouden lijden’, aldus de schrijfster. ‘De Wereld Gezondheidsorganisatie zegt dat depressiviteit in het Westen de belangrijkste oorzaak is van ziekten en dat het in 2010 wereldwijd na hartkwalen de belangrijkste ziekteoorzaak is. Wat betekent dat?’

Elders kwam ze de bewering tegen dat Beethoven aan bipolaire stoornissen zou hebben geleden en dat Mozart gebukt ging onder het syndroom van Gilles de la Tourette. ‘We zijn bezig de wereld steeds meer te verklaren aan de hand van de diagnoses uit de geestelijke gezondheidszorg. De psychiaters lijken onze manier van denken te hebben gekoloniseerd.’

Hoe is het zover gekomen, zo vroeg Appignanesi zich af, dat we ons hele leven zijn gaan duiden in termen van heel specifieke medische categorieën? Liefst aangeduid met een acroniem, zoals OCD (obsessive compulsive disorder), ADHD (attention-deficit hyperactive disorder) en het meer recente: SAD (social anxiety disorder).

‘Let op: je bent tegenwoordig niet meer gewoon verlegen, nee, je lijdt aan SAD. Bizar toch? Die verbijstering is de drijfveer achter mijn boek.’

Er zijn diverse redenen waarom Appignanesi specifiek op vrouwen heeft gefocust. Een ervan is simpelweg dat er erg goede case histories over vrouwen bestaan. Met name aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw waren psychoanalytici, neurologen en andere mind doctors sterk op vrouwen georiënteerd.

Bovendien hebben met name in de twintigste eeuw diverse vrouwelijke auteurs over hun ziekte geschreven, terwijl de therapeut van Marilyn Monroe de actrice zelfs in zijn gezin opnam. Dat heeft een rijkdom aan interessant materiaal opgeleverd. We lezen in Gek, slecht en droevig naast Monroe onder meer over Zelda Fitzgerald, Virginia Woolf, Sylvia Plath, Alice James en Anne Sexton.

De gedachte dat vrouwen meer aan geestelijke afwijkingen lijden dan mannen, verwerpt Appignanesi overigens. ‘Die indruk kan ontstaan doordat vrouwen nu eenmaal veel sneller naar de dokter gaan dan mannen en daardoor eerder in het medische systeem belanden. Dat heeft voor een groot deel te maken met het feit dat zij kinderen voortbrengen: een moeder neemt haar dochter mee naar de huisarts als ze voor het eerst menstrueert, enzovoort. Als een man zich niet zo lekker voelt, gaat hij niet naar de dokter maar naar de kroeg. Cultureel-historisch gezien hanteren mannen oorlog en sport als geestelijke uitlaatkleppen.’

Een tweede reden om zich in haar studie specifiek te richten op vrouwen was Appignanesi’s nieuwsgierigheid naar de theorie van feministische historici dat een groot aantal aan vrouwen toegeschreven geestelijke stoornissen zou verdwijnen, naarmate vrouwen zich meer zouden emanciperen en meer vrouwelijke artsen werkzaam zouden zijn in de geestelijke gezondheidszorg.

‘In veel gevallen leek de vermeende ‘gekte’ van vrouwen immers het rechtstreekse gevolg van hun beperkte ontplooiingsmogelijkheden. Bovendien gingen ze soms zwaar gebukt onder wat artsen hen voorschreven. Treurig genoeg bleek mij echter dat die vrouwelijke artsen – natuurlijk geholpen door de cultuur waarvan ze deel uitmaakten – zelf nieuwe vormen van geestelijke afwijkingen schiepen.’

Appignanesi heeft haar boek georganiseerd volgens de kernsymptomen die in een bepaald tijdperk werden geassocieerd met geestelijke afwijkingen. Het boek begint daarom met hartstocht. ‘Dat was in Napoleontische tijden een sleutelbegrip en alle ziekten werden verklaard in termen van uit de hand gelopen emoties. Gaandeweg ontwikkelt zich een focus op zenuwen, dan op seks, terwijl in onze tijd stemming een van de belangrijkste indicatoren lijkt te zijn dat er iets mis is. We leven immers in een tijd waarin iedereen wordt geacht gelukkig te zijn.’

De interessantste ontdekking die Appignanesi tijdens het schrijven van haar boek deed, was dat elk tijdperk als het ware zijn eigen gekten produceert. Anders gezegd: dat de wijze waarop geestelijk lijden zich manifesteert aan modes onderhevig is. ‘De symptomen van geestelijke afwijkingen weerspiegelen niet zozeer de afwijking zelf, maar vertellen ons iets over de omgeving, over het psychosociale klimaat van een bepaalde periode.’

Appignanesi benadrukt dat de ‘trendgevoeligheid’ van de wijze waarop geestelijke afwijkingen zich manifesteren, allerminst betekent dat de patiënt in kwestie niet lijdt. ‘Mensen ontwikkelen een uitstekend gevoel welke ziekten serieus worden genomen en welke symptomen ze dus moeten vertonen om aandacht te krijgen. Dus toont een patiënt wat de dokter kan zien en voelt hij wat de dokter diagnosticeert.’

Een interessant voorbeeld hiervan signaleerde de Frans neuroloog Charcot, die eind negentiende eeuw onderzoek deed naar wat toen hysterie werd genoemd. ‘Het toeval wilde dat er in zijn ziekenhuis zowel hysterici als epileptici waren ondergebracht. Charcot constateerde dat zijn hysterische patiënten het gedrag van hun epileptische medepatiënten tot in detail gingen imiteren. Dat was een erkende ziekte, dus als je die symptomen vertoonde werd je serieus genomen.’

Je kunt het volgens Appignanesi vergelijken met de zeer hedendaagse ziekte anorexia. ‘In de negentiende eeuw werd weinig acht geslagen op zich ongelukkig voelende vrouwen die weigerden te eten. En in een nog verder verleden was niet-eten, versterven, een manier om dichter bij God te komen.

‘Het werd geassocieerd met heiligheid en werd veel toegepast door jonge vrouwen met een roeping. Vandaag de dag hebben we er een medische term voor, dus is het een echte afwijking.’

In haar boek haalt Appignanesi onder meer een Brits onderzoek aan, dat uitwijst dat meisjes in de puberteit negen maal zo vaak fantaseren over zelfmoord dan hun mannelijke leeftijdgenoten. Natuurlijk begrijpt ze dat dit cijfer verontruste reacties oproept, maar ze pleit er niettemin voor het in proportie te zien.

‘Ik denk dat onze cultuur een vreemde relatie heeft met sterven en de dood. Het feit dat we langer leven dan ooit, heeft ons alleen nog maar banger gemaakt voor de dood. Maar fantasieën over de dood zijn niet van vandaag of gisteren, zeker niet bij pubers. De puberteit is een uiterst verwarrende periode waarin je lichaam bovendien ten prooi is aan allerlei hormonale ontwikkelingen.

‘Zoals ik al eerder zei wordt stemming vandaag de dag een heel belangrijke indicator gevonden van iemands geestelijke gezondheid. De farmaceutische industrie heeft een groot aantal medicijnen op de markt gebracht die iemands stemming kunnen veranderen. In de VS komt het voor dat bij tweejarige kinderen bipolaire afwijkingen worden gediagnosticeerd!’

De achtergrond hiervan het volgens Appignanesi even eenvoudig als cynisch: het verkopen van medicijnen. ‘Dat is een industrie waarin geweldig veel geld omgaat en die volledig is verweven met de medische praktijk. Veel research en andere aspecten van de medische zorg worden bekostigd door de farmaceutische industrie.

‘De macht van de farmaceutische industrie leidt er ook toe dat er ziekten worden uitgevonden, omdat er medicijnen tegen bestaan of zouden bestaan. Neem depressiviteit. Er heeft altijd zoiets bestaan als melancholie, maar vandaag de dag worden er bij niet al te duidelijk te plaatsen klachten al snel antidepressiva voorgeschreven. Met alle bijwerkingen en verslavingseffecten van zien. De achterliggende gedachte is dat mensen simpelweg biochemische wezens zijn. Dat is natuurlijk een flagrante ontkenning van de complexiteit van de menselijke geest.’

Tegen het slot van haar boek constateert Appignanesi onder meer dat het percentage genezingen binnen de psychiatrie in de loop van tweehonderd jaar niet is veranderd. ‘Natuurlijk is er het nodige bereikt. In het kalmeren van manisch gedrag is beslist grote vooruitgang geboekt. Maar er bestaan geen wonderpillen, geen magische behandelingen. Veel therapieën zorgen ervoor dat mensen zich tijdelijk beter voelen, waarna ze terugkomen voor meer.

‘De kern van het probleem is dat onze cultuur ons voorschrijft dat we ons steeds moeten verbeteren, dat gelukkig zijn een kwestie is van kiezen en aan jezelf werken. Lukt dat niet, dan vragen we de medische wetenschap het voor ons te regelen. We moeten af van het automatisme dat we iedereen die niet gelukkig is een ziekte aanpraten. Het leven is nu eenmaal niet gevrijwaard van lijden.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden