Elke noot verdient eigen leven

Weinigen zullen een paleis herkennen in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten. Verscholen in de grijze bebouwing aan de Van Ravensteinstraat, in een door kantoorkolossen gecompromitteerde wijk achter het centraal station, heeft de entree de uitnodigingskracht van een DDR-ministerie voor reisdocumenten anno 1975....

Met blik beslagen klapdeuren geven toegang tot een corridor die niet de suggestie wekt dat de muzen hier een zorgeloze toekomst is beschoren. Victor Horta, de architect wiens droom het was alle kunsten bijeen te brengen in één monumentaal complex, klaagde bij zijn leven al over de begriploze vertimmeringen van zijn utopische schepping uit de jaren 1920.

Loop door naar de concertzaal die hier Salle Henry Le Boeuf heet, en je staat paf. De ruimte die tv-kijkers in heel Europa op het netvlies hebben als de deprimerende hal waar zich het Elisabeth-concours pleegt af te spelen, is onherkenbaar. Grauwgroene balkonfronten en kaalgelopen vloerbedekkingen zijn veranderd in een Lied ohne Worte van parket en smetteloze wanden in vier tinten lichtbeige, bekroond door een schelpvormige daglichtkoepel, waarvan niet alleen de vorm maar ook de functie grandioos in ere is hersteld.

Volgens Paul Dujardin, directeur van de Filharmonische Vereniging die zich hier hoofdhuurder mag noemen, heeft het vloerparket zijn plaats heroverd met het oog op de delicate akoestiek. Om dezelfde reden zijn 2200 treurfeautuiltjes uit de jaren zeventig vervangen door nieuwe stoelen met een harde rugzijde, en is de ruimte onder het podium, ooit volgestort met beton, opnieuw uitgebroken. Dat de bezoeker zich buiten de Salle Le Boeuf weer in troosteloosheid dompelt, vindt volgens Dujardin zijn verklaring in het ontbreken van een masterplan voor het hele gebouw. 'Maar het lijdt geen twijfel dat ook andere delen gerenoveerd zullen worden.'

Tot die delen hoort de catacombe die bij een volgende renovatie moet veranderen in een voorbeeldige kamermuziekzaal. Op het podium staat een tafel, waarachter we, als een mascotte van de toekomst, Pierre Boulez aantreffen. De 75-jarige componist en dirigent heeft een ontmoeting met het publiek dat hem volgt bij een driedaagse résidence met het London Symphony Orchestra.

Hij spreekt een uur lang vrijwel pauzeloos over het twintigste-eeuwse orkest, over de 'hedendaagse' muziek van alweer drie generaties, over de landenthema-achtige programma's die hij voor zijn jubileumtournee samenstelde ('Men zegt dat de wereld klein is geworden, maar ik zie in de manier waarop men op elkaars culturen reageert voornamelijk tegenstellingen'). Fris als een hoentje zoekt hij het orkest op waarmee hij dadelijk Mahler, Berg en een recent stuk van de Oostenrijkse Olga Neuwirth zal uitvoeren.

Boulez' verschijning maakt deel uit van een heropeningsfestival van drie maanden, dat in juni naar zijn eind loopt met optredens van het Concertgebouworkest, het orkest van de Opera van Brussel en het Kronos Kwartet.

De renovatie van de Le Boeufzaal is maar één symptoom van de bouw- en restauratiewoede die het muziekleven in Brussel in haar greep heeft. De Munt-opera is uitgebreid met het achterliggende gebouw Vanderborght, waarin ook een nieuw museum voor moderne kunst de deuren zal openen. Drie kerken worden gerestaureerd waar de 'Filharmonische' oude muziek wil brengen. Er zijn nieuwe IJsbrekerachtige zaaltjes in het centrum (La Tentation) en Molenbeek (De Bottelarij) en het befaamde Instrumentenmuseum krijgt (eindelijk) ook een concertzaal.

Dat België geen symfonieorkesten kent van grote faam (Dujardin: 'De beste hier zijn de opera-orkesten') neemt niet weg, dat het orkest van de Munt, het Nationaal Orkest van België en orkesten uit Antwerpen en Luik hier kind aan huis zijn. Daarnaast wordt er gewinkeld op de internationale markten voor orkesttournees, kamermuziek, oude muziek, jazz en wereldmuziek, en toont Dujardins vingerdikke seizoenbrochure overeenkomsten met die van het Amsterdamse Concertgebouw. Een verschil, is dat de Filharmonische Vereniging meer dan de collega's in Amsterdam achter nieuwe muziek aanzit (komend seizoen: 27 eerste uitvoeringen en 22 Belgische premières). Verder heeft het Concertgebouworkest hier geen thuis, maar wel een 'residentie', onder Chailly, Haitink en Harnoncourt.

De peervormige Salle Le Boeuf houdt het perfecte midden tussen het doosprincipe van het Concertgebouw en het akoestisch drogere concept van een schouwburg. Ze blijkt Boulez, die graag iedere noot een eigen leven gunt, op zijn wenken te bedienen. Dat de finale van Mahlers Zesde langer dan anders lijkt te duren, is meer een kwestie van ventilatieproblemen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden