Elke dag klaverjassen

Hoe denken allochtone Nederlanders over hun aanstaande oude dag? Willen ze dan terug naar het land van herkomst of volstaat een bejaardenhuis om de hoek?...

'IK ZAL NOOIT tegen mijn zoon zeggen: jij moet voor mij zorgen als ik later oud ben.' Wat Yilmaz Koçer (56 jaar) niet van zijn zoon verwacht, heeft hij wél voor zijn eigen vader gedaan. 'Met mijn negen broers en twee zussen hebben wij voor hem gezorgd. Een paar maanden was hij bij de een in huis, daarna ging hij naar een ander. Hij heeft nooit gezegd dat wij dat moesten doen, maar wij wilden hem niet naar zo'n dierenstal sturen.'

Een Nederlands bejaardenhuis vergeleken met een dierenstal; de andere allochtone Nederlanders trekken even hun wenkbrauwen op. Met zijn vijven, jong en oud, praten ze over oud en hulpbehoevend worden. Alle vijf hebben ze deelgenomen aan het project Teruggaan en Blijven van de in Amsterdam gevestigde Stichting Bevordering Maatschappelijke Participatie (BMP).

Uren hebben zij samen met nog dertien anderen gepraat. Verwachten de ouderen dat ze door hun kinderen worden verzorgd, zoals dat in het land van herkomst vaak nog gebruikelijk is? Hoe denken jongeren daarover? De bevindingen van de projectgroep hebben geleid tot het rapport Teruggaan én Blijven.

Volgens BMP bevat dat rapport 'een rijkdom aan beleidsperspectieven' voor de politiek, de overheid en allerlei instellingen. De stichting gaat met het rapport de boer op. Zo voert BMP gesprekken met het Zilveren Kruis. De ziektekostenverzekeraar is gevraagd eens na te denken over het verzekeren van oudere allochtonen die een paar maanden per jaar in hun vaderland willen verblijven. Aan woningbouwcorporaties heeft BMP de vraag voorgelegd of het mogelijk is woonprojecten voor ouderen op te zetten in het land van hun herkomst.

'Dat bejaardenhuis waar wij altijd koffie drinken, hier vlakbij, is toch geen dierenstal', zegt de Surinaamse J. Delchot. 'Nee, nee.' Maar de uit Turkije afkomstige Koçer wilde niet dat zijn vader zijn laatste jaren moest slijten tussen alleen maar oude mensen, verzorgd door onbekenden wier taal hij niet verstond.

Hoe kijkt hij tegen zijn eigen oude dag aan? 'Als het zover is, ga ik in een bejaardenhuis. Lekker elke dag klaverjassen.' Koçer moet lachen om dat oer-Hollandse woord. Hij kan het kaartspel niet eens goed spelen. Hij wil er maar mee zeggen dat hij niet alleen Turkse mensen om zich heen wil. 'De bewoners moeten een mooi boeket vormen, van alles wat.'

Voordat hij aan een bejaardenhuis toe is, wil Koçer eerst een tijdlang pendelen tussen Nederland en Turkije. Jaarlijks wil hij een paar maanden terug naar zijn geboortedorp in het oosten van Turkije. Lyrisch wordt hij, wanneer hij vertelt over de meters sneeuw die er nu zullen liggen, de sterren aan de inktzwarte lucht en het grote huis dat zijn familie er bezit.

L iefst ging hij er vandaag al heen. Dan zegde hij meteen zijn huurwoning in Amsterdam op. Dat zou hem een hoop geld besparen, want zo breed heeft hij het niet. In de maanden die hij in Nederland wil zijn, kan hij wel bij een van zijn vele familieleden terecht.

Maar ja, zijn 19-jarige zoon. Koçer vindt hem te jong om alleen te laten. 'Ik heb hem vanaf zijn 10de alleen opgevoed. Ik ben altijd bang geweest. Waar is hij? Waar gaat hij naartoe? Met wie gaat hij om? Ik ga pas pendelen als ik erop kan vertrouwen dat het goed gaat.'

'U kunt toch de proef op de som nemen', reageert Delchot. 'Dan kunt u zien wat uw zoon doet met uw opvoeding.' Delchot (68 jaar) is oma. Twaalf jaar geleden kwam ze naar Nederland als ambtenaar van de Surinaamse overheid en besloot na haar pensionering te blijven. Op de vraag waarom, kijkt ze verbaasd. 'Ik heb hier een dochter en een geweldige kleinzoon.'

Het verlangen dicht bij de familie te zijn bepaalde waar ze wilde wonen. 'Nee, ik heb geen heimwee. Maar ik ben Surinaamse. Dat kan ik niet verloochenen, dat wil ik ook niet. Je ziet het aan me en je hoort het aan me. Ik vind het altijd fijn als ik positieve berichten hoor over Suriname. Dan ben ik blij. Als gekleurde jongens in de tram zich negatief gedragen, schaam ik me een beetje.'

De wens dicht bij haar dochter te zijn, betekent niet dat Delchot, mocht het ooit nodig zijn, door haar verzorgd wil worden. 'Ik zou het niet leuk vinden bij mijn dochter in huis te wonen, we hebben ieder ons eigen leven. Ik wil niet dat zij denkt voor mij te moeten zorgen.'

Delchot voelt zich eigenlijk nog te jong om aan bejaardenhuizen en verzorging te denken. 'Ik wil nog zoveel doen. Maar als het zover komt, ga ik in een bejaardenhuis. Liefst in een gemixt huis. Ik vind het fijn om met allerlei soorten mensen contact te hebben.'

De manier waarop Delchot omgaat met haar dochter is herkenbaar voor studente Sharon Perlee. Zij verloor vijf jaar geleden haar Nederlandse moeder, waardoor haar Surinaamse vader alleen achterbleef. 'Ik bel hem elke dag. Af en toe kook ik voor hem. Niet omdat hij dat van mij verwacht, ik doe het gewoon. Mijn ouders hebben ook altijd voor mij gezorgd. Maar er zijn grenzen aan wat ik doe.'

Sharon ziet verschillen met haar Nederlandse vriendinnen. 'Die bellen heel weinig met thuis. Ze gaan alleen op bezoek als ze een gaatje in hun agenda kunnen vinden. Mijn vader en ik doen samen leuke dingen.'

VEELVULDIG CONTACT met haar ouders heeft de Turkse Dilek Akcan ook, maar de verwachtingen van haar en haar ouders over eventuele zorg zijn anders. Zelf jong moeder geworden, praat Dilek met haar 49-jarige moeder al over haar oude dag. 'Mijn moeder verwacht dat ik voor haar ga zorgen. Ze is heel erg gebonden aan de Turkse cultuur. Mijn vader heeft haar min of meer gedwongen naar Nederland te komen. Ze heeft altijd heimwee gehouden. Eigenlijk heeft ze nooit gebruik gemaakt van de leuke dingen hier. Ik zeg weleens: je lijkt wel een oude tante.'

Wil haar moeder, nu de kinderen groter zijn, terug naar Turkije? 'O, nee. Ze heeft hier een kleinkind, ze zal nooit teruggaan. Maar twee jaar geleden zei ze ineens tegen mijn vader: ga je me nu naar Turkije sturen? Toen is ze een paar maanden gegaan.'

'Was ze daarna niet voorgoed genezen?', vraagt Delchot. 'Ik ken iemand die de prachtigste verhalen vertelde over Suriname. Na jaren ging ze een keer terug. Sindsdien is ze nooit meer geweest en praat ze er nooit meer over.'

'Nee, hoor,' reageert Dilek Akcan, 'mijn moeder gaat elk jaar drie maanden naar Turkije. Naar haar dorp, lekker praten met haar familie. Daar knapt ze helemaal van op. Je merkt aan haar wanneer het weer tijd wordt om te gaan. Dan is ze irritant.'

Dilek Akcan zal straks, mochten haar vader en moeder daar behoefte aan hebben, voor hen zorgen. 'Maar dat ga ik zelf niet doen. Ik wil gewoon gezellig bij mijn moeder op visite kunnen gaan. Ik zal ervoor werken, zodat ik een bejaardenhuis kan betalen. Dat zijn geen dierenstallen. Er zijn hele goede bij. Als je maar geld hebt.'

'Ik heb geen zorg nodig van mijn kinderen', zegt de Marokkaan Larabi Naciri. 'Mijn vrouw heeft geld, ik heb geld, ik heb een huis in Diemen en een in Rabat. Ik zeg altijd tegen andere Marokkaanse ouders: waarom vragen jullie geld van jullie kinderen? Die moeten nog beginnen, ze zijn hun leven nog aan het opbouwen. Ik vind dat veel Marokkaanse ouders het hun kinderen moeilijk maken.'

Volgens Koçer schieten ook Turkse ouders tekort in de opvoeding. 'Onze pappa's doen het niet goed. Ze staan op, gaan naar de moskee, het koffiehuis, en komen pas 's avonds laat thuis. Als het kind dan een dief wordt, moeten wij onszelf de schuld geven. We moeten onze kinderen aandacht en liefde geven. Maar wat doen we? We vinden alleen geld belangrijk. Wij sturen een kind van 10 jaar 's morgens om vijf uur de straat op om de krant rond te brengen. Dan moeten we niet de school de schuld geven als het misgaat.'

Naciri vraagt of Koçers 19-jarige zoon nog naar school gaat. 'Een dag in de week, daarnaast werkt hij.' 'Jammer, dat vind ik jammer', reageert Naciri. Hij vindt dat de zoon moet studeren.

Naciri's kinderen hebben allemaal gestudeerd. Hij heeft ze afgeleverd. Nu zou hij, net als Koçer, het liefst gaan pendelen tussen zijn geboortedorp en Nederland. 'Ik kom uit het zuiden van Marokko. Uit een dorp waar eind jaren vijftig geen school was, geen dokter, geen telefoon. Maar de natuur! Het is er zo mooi. We hadden er genoeg water, genoeg dadels. We hadden geen geld nodig. We lachten altijd en hoefden nooit chique.'

Maar het dorp is veranderd. Dat weet Naciri ook wel. 'Ik wil graag terug, omdat ik daar nog familie heb wonen. Ik zou daar zes maanden per jaar naartoe willen. Dan kan ik iets doen voor mijn dorp, iets overdragen van wat ik hier heb geleerd.' Wat hem en andere allochtonen tegenhoudt zijn allerlei regels en beperkingen, bij de visumplicht, de WAO en de ziektekostenverzekering.

Mocht Naciri hulpbehoevend worden, dan wil hij in Marokko blijven. 'Ik wil niet in een bejaardenhuis in Nederland. Wat ik hier heb gezien, vind ik jammer. Mensen die hard hebben gewerkt en nu in een bejaardenhuis zitten, dat doet mij pijn.'

Het opzetten van speciale islamitische bejaardenhuizen vindt Naciri voor de eerste generatie allochtonen niet nodig. 'Voor honderd gulden per maand kan ik in Marokko iemand betalen die voor mij wil zorgen. Mensen met een goede verzekering of goed pensioen kunnen dat ook. Of ze kunnen daar een bejaardenhuis opzetten.'

En zijn kinderen en kleinkinderen, wil hij die niet om zich heen hebben? 'Nee, die hebben in Nederland allemaal een baan, zijn allemaal getrouwd. Ik vind het niet erg om zonder hen in Marokko te zijn.

'Ik ben helemaal klaar hier. Ik wil graag daar sterven.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden