Elke avond bad ik op mijn blote knietjes voor vernietiging van Iran

Ik weet niets van Iran, ik zal het eerlijk zeggen. Van school herinner ik me ook niet dat het land vaak ter sprake kwam. Ik kwam er pas in wat Iran betreft, om zo te zeggen, en hetzelfde geldt voor Irak, toen ze oorlog met elkaar gingen voeren. Ik was hartstochtelijk voor Irak, ik bad elke avond op mijn blote knietjes voor de vernietiging van Iran.

Het was een mooie oorlog, helder en overzichtelijk, waar je, als je niet beter wist, met weemoed aan terug kon denken. Je had gewoon twee landen tegen elkaar, meer had je ook niet nodig. En tussen die twee lag een duidelijke, kaarsrechte grens, die precies tussen goed en kwaad getrokken was; dat hadden de kolonisten indertijd scherp gezien.

Tijdens de Golfoorlog was Irak ineens de tegenstander, maar dat bracht mijn goed-kwaadschema niet in de war. Als je van dichtbij naar de landen keek, zag je de verschillen, maar keek je er van afstand naar, vanuit Europees perspectief, vervaagden de verschillen en voelde de grens veel dichterbij, vlak achter Griekenland, waarbij de solidariteitsbroek zo nodig altijd tot Wenen kon worden opgetrokken.

Ook tijdens een studie geschiedenis reikte mijn belangstelling voor de wereld eerlijk gezegd niet verder dan de grenzen van het Romeinse rijk. Van daarachter hoorde je hooguit klokjes luiden. De grote, oeroude Perzische cultuur, een van de bakermatten van de beschaving, ja ja, en ene Zarathustra was nogal lang aan het woord geweest.

Ik las mijn Ryszard Kapuscinski, de grote verslaggever, of schrijver eigenlijk. Ook het boek over de sjah, de Iraanse vorst, die door het volk werd verbannen, waarna de islamitische fanatici van Khomeini de volksopstand hadden overgenomen en een zware deken van religieuze dictatuur over de Perzische cultuur hadden gelegd.

Maar Kapuscinski lees je om de zinnen, niet om de kennis, al zijn er mensen die er anders over denken en hem de feitelijke onjuistheden in zijn graf komen prikken - ook een vorm van fanatisme eigenlijk, dat de ander zijn verbeeldingskracht misgunt.

Intussen zijn we alweer een stuk verder in de tijd en heb ik vriendschap gesloten met een Iraniër, een voormalige vluchteling, die het liefst vandaag nog terug zou gaan. Ik trof hem in een café, telefoon in de hand, hopend op nieuws over de demonstraties in Iran. Er gebeurde wel wat, in allerlei steden, maar niet genoeg, de massa's bleven thuis.

Zolang er geen leider was, en geen doel, zei hij, had het ook weinig zin om te demonstreren - je bracht jezelf voor niets in gevaar. Op internet moedigde de zoon van de sjah de Iraniërs aan de straat op te gaan, maar dat werkte niet, hij moest er zelf naartoe, persoonlijk, dan durfden de mensen vanzelf.

Het was een goed idee, ik hoopte maar dat het tot uitvoering kwam. Pahlavi die uit het vliegtuig stapte, vrijheid op de lippen, het volk droeg de mullahs boven de hoofden door de stad. Een paar goeie rukken en de deken was van het land, de Perzische cultuur zou weer zichtbaar zijn. Ik werd er langzamerhand nieuwsgierig naar.