Elite in de klei

Wie uit Flevoland komt, kan zomaar afstammen van een elite die speciaal werd geselecteerd. Met een methode geïnspireerd door eugenetica kozen ambtenaren de 'besten van de besten' om het nieuwe land te bewonen. Door

EVA VRIEND

Mijn opa wordt goedgekeurd. Hij wel. Op een aprilmaandag in 1952 mag Gert Vriend een prachtboerderij in Luttelgeest in de Noordoostpolder betrekken. Mijn vader Frits, dan 11 jaar, gaat mee, want die kan melken. En aangezien dezelfde dag ook de 22 koeien overgaan, moet er iemand zijn die daarmee helpt.

De anderen van het gezin blijven achter in Noord-Holland om de huisraad in te pakken. Zo gaat dat: eerst de koeien, dan de rest.

Het transport verloopt voorspoedig. De eerste melkbeurt op het nieuwe land - dan nog buiten - geeft geen problemen. Het koppel koeien is rustig. Het enige wat opvalt op deze bijzondere dag, zeggen mijn opa en vader tegen elkaar: het gras in de polder is best, lang gras.

Zonder het te weten ondergaat mijn familie de grootste en meest vergaande selectieprocedure die de Nederlandse overheid ooit voor nieuw grondgebied heeft uitgevoerd. Vanaf de Tweede Wereldoorlog dingen tienduizenden mensen naar een boerderij of een woning in de IJsselmeerpolders, die in 1986 samen de provincie Flevoland vormen. Tot in de jaren zeventig ondergaan gegadigden een intensieve screening, inclusief een onverwacht inspectiebezoek thuis om te controleren of de huishouding wel op orde is: waar slapen de kinderen? Worden de kamers voldoende gelucht? Zijn de bedden al opgemaakt? Waar wast het gezin zich? Dit soort vragen stellen de selectieambtenaren zich over de kandidaat-polderbewoners. Het moeten bovenal opperbeste boeren zijn, maar daarnaast ook eerzame, nette burgers.

De selectieambtenaren werken voor de Directie van de Wieringermeer, de rijksdienst die door de regering speciaal in het leven is geroepen voor het droogleggen, inrichten en besturen van de IJsselmeerpolders.

Voortgedreven door het vooruitgangsgeloof dat zich na de Tweede Wereldoorlog verdiept, pakken de polderbestuurders van de speciale rijksdienst de selectieklus aan. Die past ook in de ontwikkeling van social engineering: de notie dat de mens - net als een polder - grotendeels maakbaar is.

En de mensen om wie het gaat, de poldersollicitanten, laten het zich allemaal welgevallen. Het zijn de jaren vijftig. Het komt niet in ze op om autoriteiten tegen te spreken. Als ze al bij zichzelf denken dat het wat ver gaat, selectieambtenaren die ook in de slaapkamer komen, dan houden ze dat voor zich. Als je je mond opentrekt, kun je een boerderij in de polder vergeten.

Het is de Amsterdamse professor sociografie Henri Nicolaas ter Veen die in de jaren twintig van de vorige eeuw voor het eerst theoretiseert over het 'zeven' van de polderbewoners. Hij laat zich daarbij inspireren door eugenetici, aanhangers van de leer van de rasverbetering, die stellen dat menselijke eigenschappen erfelijk overdraagbaar zijn. Op basis van dit idee voeren bijvoorbeeld de Verenigde Staten en Zweden in de eerste helft van de vorige eeuw sterilisatiewetten in voor verstandelijk gehandicapten en andere 'minusvarianten' als criminelen en psychopaten.

In de IJsselmeerpolders wil Ter Veen het eugenetisch gedachtegoed tegengesteld uitvoeren: de 'plusvarianten' bij elkaar zetten om zo tot een sterker nageslacht te komen. Ook om de polderbewoners tegen zichzelf in bescherming te nemen. Zwakkelingen zouden het nu eenmaal onverantwoord zwaar krijgen in het nieuwe land.

Na deze 'positieve selectie' blijven de 'flinkere, kloekere' kandidaten over, voorspelt professor Ter Veen. 'Zij worden weldra zelfbewuste, vooruitstrevende wegbereiders, maatschappelijke voortrekkers, ook op andere dan economisch terrein. Hierin ligt hun grote economische en culturele waarde voor een volk als geheel.'

Geen vrijgezellen

In het najaar van 1951 loopt een selectieambtenaar bij mijn grootvader het erf op om te bepalen of hij zo'n 'plusvariant' is. Onaangekondigd. Geen tijd om op te ruimen. Om je beter voor te doen dan je bent. Opa Vriend is dat jaar één van de 3.018 kandidaten die azen op de 135 fonkelnieuwe polderboerderijen.

Hij heeft de eerste, papieren selectieronde dan al overleefd, wat betekent dat hij voldoet aan basiscriteria als voldoende opleiding en ervaring. En, niet onbelangrijk, hij is getrouwd. Vrijgezellen moeten ze niet in de polder. Die zijn te wispelturig. Een echtpaar is beter bestand tegen de ontberingen van het kale land, zo is het idee, en kan meer bijdragen aan de nog op te bouwen gemeenschap.

Tijdens het thuisbezoek vindt de zwaarste toets plaats van de selectieprocedure: beschikt mijn grootvader over de pioniersmentaliteit die professor Ter Veen heeft voorgeschreven? Dit belangrijkste criterium laat zich niet in een rijtje kenmerken vangen. Bij het bepalen of een poldersollicitant over voldoende pioniersgeest beschikt, gaan de selectieambtenaren af op hun intuïtie.

Over ieder selectiebezoek vullen de ambtenaren een uitgebreid beoordelingsformulier in. Het zijn er duizenden geweest. Maar omwille van de Archiefwet worden de formulieren vernietigd. In de archieven van de Directie van de Wieringermeer zijn er slechts een paar terug te vinden, vermoedelijk omdat ambtenaren vergeten zijn ze in de papierversnipperaar te doen. En wat blijkt? De selectieambtenaren gingen nietsontziend te werk.

Over een 34-jarige kandidaat: 'Als persoon lijkt hij mij een inhalige schraper die altijd ongerust is te weinig te ontvangen en steeds er voor klaar staat om overal te gaan protesteren en klagen. Geen sympathieke man.' En dus niet welkom in de polder.

Of deze 26-jarige sollicitant, die weliswaar 'een stevig gebouwde, goedwillende, plichtsgetrouwe jonge man' is, maar 'slecht ontwikkeld en dom'. Afgewezen.

Ook deze 44-jarige belangstellende kan het wel vergeten: ''t Is een ploeteraar. Een matig ontwikkelde man. Hij lijkt niet lui en wel eerlijk en betrouwbaar. Zijn vee is maar van heel gewone kwaliteit en ziet er niet erg verzorgd uit. Om huis is het rommelig en slordig. Hij zal geen brokken maken, maar we kunnen er wel beter krijgen.'

De kandidaten krijgen deze reden van de afwijzing nooit te horen. De rijksdienst volstaat met een kort, kil briefje. Juist door dat gebrek aan motivering voelen de sollicitanten zich gekrenkt, vaak levenslang. Al zit het verdriet veelal diep weggestopt. 'Maar vergeten doe je het nooit', bekent Bertus Lokhorst uit Emmeloord, een inmiddels hoogbejaarde, afgewezen kandidaat. Er is een zinnetje op rijm dat telkens terugkeert in het gesprek dat ik met hem heb: 'De polder heeft mij niet gebracht wat ik had verwacht.'

Siem Meijers uit Dronten, een Zeeuwse kandidaat die in de jaren vijftig en zestig tevergeefs zeven keer meedingt naar een boerderij, vertelt hoe hij nu nog altijd het ploegwerk inspecteert van degenen die wél polderboer mochten worden. Groot is zijn ergernis als hij tussen de kaarsrechte strepen een ploegspoor met een kronkel ontwaart. Wat is dat voor een prutsboer! Bij een kromme voor bromt hij dat hij het beter had gekund. 'En het wordt elk jaar erger', zegt hij zelf.

Standenmaatschappij

Vaak zijn de afgewezen kandidaten wel welkom als boerenknecht, maar dat maakt de vernedering er alleen maar groter op. Elke zondag na de kerkdienst drinkt iedere 'stand' koffie aan een aparte tafel. De mannen die door de selectieambtenaren goed genoeg zijn bevonden voor het grootste type boerderij zitten bij elkaar, de mannen met een kleiner bedrijf verderop. Boerenarbeiders gaan vaak ook meteen naar huis. Een huwelijk tussen de zoon van een boer en de dochter van een knecht? Uitgesloten. Kinderen van de arbeider en de boer op één kinderfeestje? Taboe.

Het oude land kent in de naoorlogse decennia natuurlijk ook standsverschillen, maar door de selectieprocedure wordt het onderscheid in de IJsselmeerpolders sterker gevoeld. Het resultaat is een verscherpte standenmaatschappij, waarin de uitverkorenen met de borst vooruit rondstappen en de afgewezenen nederig hun plek weten.

Superboeren

Toch is de rijksdienst best tevreden. De agrarische productiecijfers zijn hoog in de IJsselmeerpolders. De geselecteerde superboeren pronken bovenaan alle lijstjes. De uitverkorenen maken de beloftes waar. Tegelijkertijd is er nauwelijks werkloosheid, want je krijgt alleen een woning in de polder als je er werk hebt. Dus er is ook geen armoede, en nauwelijks criminaliteit. De 'nieuwe orde' van polderprofessor Ter Veen lijkt gerealiseerd.

Waarmee de vraag zich opdringt in hoeverre de selectie van de eerste generatie de bewoners van de jongste provincie van Nederland tot op de dag van vandaag heeft gevormd? Ontstaat er een Homo Zuiderzeelandicus, zoals een collega van professor Ter Veen het in de beginjaren noemt. Of nu misschien beter, een Homo Flevolandicus?

Het is natuurlijk moeilijk, zo niet onmogelijk, om daar een sluitend antwoord op te geven, omdat ook de IJsselmeerpolders een open samenleving zijn, geen reservaat met een hek eromheen.

Feit is dat Flevoland nog altijd agrarisch succesvol is. Al houdt de voorsprong van de beginjaren geen stand. Boeren uit de rest van het land lopen in als, jawel, de eerste generatie geselecteerde boeren in de jaren tachtig stopt. Hun opvolgers torenen niet meer hoog boven iedereen uit, maar ze doen wel nog steeds bovenin mee, dus die winst is, hoe dan ook, binnen.

En de identiteit die de jonge provincie begint te ontwikkelen, baseert zich voor een deel op de geschiedenis van de 'uitverkorenen'. Gemeentelijke en provinciale toeristenorganisaties verkopen zich met 'het karakter van de avonturier en de pioniers. Immers, de visie en motivatie van avonturiers en pioniers hebben mogelijk gemaakt dat Flevoland überhaupt bestaat. Het avontuur zit in de genen van Flevoland.'

Ook buiten de provincie werkt de selectiemethode door. Veel zonen van de eerste generatie agrariërs nemen het polderbedrijf van hun vader niet over, omdat ze intelligent genoeg zijn om te gaan studeren. Veelal aan de landbouwuniversiteit van Wageningen, of aan de Technische Universiteit Delft. De knapste koppen verlaten de polder en dat is weliswaar een ware braindrain, een bekend fenomeen ook elders op het platteland. Maar déze boerenzonen werken zich op en krijgen veelal een leidinggevende functie in 'het groene domein'. Een nieuwe landbouwelite.

Het maakt de Flevolanders een beetje tot de corpsballen van het Nederlandse platteland. Om een vlotte babbel of een goede grap zitten ze niet snel verlegen. 'Ons kent ons' speelt nog steeds een rol. Net niet arrogant, maar enige zelfgenoegzaamheid is ze vaak niet vreemd. Met dank, misschien, aan de selectiemethode.

De standsverschillen vlakken in de loop van de tijd wel af. Mijn generatiegenoten in de polder interesseert het echt niet meer dat ik een kleindochter ben van een goedgekeurde, katholieke boer met 24 hectare grond.

Maar de eerste generatie, die weet het nog dondersgoed, en schroomt niet het ter sprake ter brengen. Mijn 91-jarige overbuurman bijvoorbeeld. Als we op een mooie zondagmorgen wat staan te babbelen over het weer, onderbreekt hij me plotseling: 'Dat heb ik nou nooit begrepen, waarom heeft jouw opa eigenlijk ooit een boerderij gekregen?' Eva Vriend (Noordoostpolder, 1973) is historicus en journalist.

voorpublicatie

een streven naar perfectie

Dit artikel is een voorpublicatie van Eva Vriends boek Het Nieuwe Land. Het verhaal van een polder die perfect moest zijn, dat maandag verschijnt bij Balans. Morgen besteedt Andere Tijden aandacht aan de superboeren in de polder (Ned. 2, 21:20 uur).

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden