Eindstation Athene

Griekenland hanteert een streng toegangsbeleid, maar toch komen jaarlijks 150 duizend vluchtelingen binnen, in de hoop elders in Europa een leven te kunnen opbouwen....

Een morsig straatje in Noord-Athene. Op de stoep liggen twee matrassen en een kapotte sofa, de muren zijn bedekt met graffiti. Hier stapt Shan (22) een appartementsblok binnen, daalt de trap af, langs de gasmeters en vuilnisbakken, naar het dompige souterrain. ‘Snel, haast je’, zegt hij zenuwachtig, terwijl hij een deur opent. ‘Dat niemand je naar binnen ziet gaan.’

Achter de deur prijkt een grote schoenenkast, met twintig, dertig paar schoenen. Rond middernacht worden dat er nog meer. Hier, op een oppervlakte van ruwweg 100 vierkante meter, wonen vijftig à zestig mensen. Allemaal Afghanen, allemaal illegaal in Griekenland.

Ze slapen in drie kamers – twee voor de mannen, één voor de vrouwen – op het versleten tapijt, dat ooit rood moet zijn geweest. In de hoeken van de halfduistere kamers liggen enkele dekens en kussens.

Haastig zet Shan de rondleiding voort. Naar de keuken, waar een roestig fornuis staat. Naar de badkamer, met een toilet zonder bril en zonder spoelknop. Het tapijt is doordrenkt. ‘Ik ga liever naar het park dan dat ik hier het toilet gebruik’, fluistert Shan. ‘Om me te wassen ga ik naar de zee.’ Hij schaamt zich – net als voor zijn gescheurde broek. Die zou hij willen vervangen, maar ja, geen geld.

En dan – net als je denkt dat je het ergste hebt gezien – gaat de deur van de vestibule open: een kamertje van 1 bij 2 meter, verscholen achter de voordeur. Op de grond ligt een slapende baby, ongezond bleek. Ernaast zit de moeder, die haastig haar hoofddoek omslaat, en haar 4-jarige zoontje. In deze kamer, eigenlijk meer een bezemkast, slapen vijf personen: de moeder, haar broer, de vader en de twee kinderen. De huur bedraagt maandelijks 60 euro.

In dit krocht woont Shan, een 22-jarige Afghaan uit de provincie Laghman, op zijn 18de gevlucht na de moord op zijn vader en broer. Shan – die niet met zijn echte naam in de krant wil – is een echte spraakwaterval. Hij is klein, en als hij zijn woorden kracht wil bijzetten, gaat hij op zijn tenen staan.

Aanvankelijk wilde Shan zijn woning niet tonen. Hij was bang, net als alle andere illegalen aan wie we vroegen hun slaapplaats te tonen. Bang dat de huiseigenaar, een mensenhandelaar/huisjesmelker, er achter zou komen. Bang dat de medehuurders, die geen pottenkijkers dulden, hem zouden verwijderen.

Buitenland
Uiteindelijk zwicht Shan, want een interview levert hem mogelijk ‘een vriend’ op in het buitenland. Het buitenland, waar hij zo graag heen wil.

Want hiervan is Shan overtuigd: ‘Griekenland is het slechtste land van Europa. Dit land geeft mij geen asiel, geen werk, geen geld. Dit land doet niets voor mij. Ik heb vrienden in Noorwegen, Duitsland en Frankrijk. Daar is het veel beter. Daar krijg je papieren, een huis en werk. Ik wil hier weg. Maar ja, die vingerafdrukken. Die verdomde vingerafdrukken.’

Het is een nieuwe Griekse tragedie: tienduizenden illegale en semilegale immigranten willen weg uit Griekenland, en Griekenland wil hen kwijt. Maar ze zitten vast in een overbelast land, een uitzichtloze situatie.

Het probleem wordt almaar erger. Door de strengere controles in Italië en Spanje en door de poreuze Griekse grens – ruim tweeduizend eilandjes, sommige met een rubberboot bereikbaar vanuit Turkije – komt tegenwoordig meer dan de helft van de immigranten de EU hier binnen. Vorig jaar waren het volgens de Griekse politie 150 duizend, eenderde meer dan het jaar ervoor. Dit jaar zou dat aantal nog gestegen zijn.

De immigranten willen doorreizen naar de rest van de EU, want in Griekenland krijgen ze minder hulp en hebben ze minder kans op een verblijfsvergunning. Terwijl in de EU in 2007 gemiddeld 20 procent van de asielvragen werd goedgekeurd, was dat in Griekenland amper 2 procent. Maar wie in de EU asiel aanvraagt, wordt teruggestuurd naar het EU-land van aankomst. In de meeste gevallen dus Griekenland, waar van alle immigranten vingerafdrukken worden afgenomen.

Griekenland, zwaar getroffen door de economische crisis, kan de zorg voor al die migranten geenszins aan. De opvangcentra op de eilanden puilen uit. Als de immigranten uit het opvangkamp worden gezet, met een bevel binnen drie maanden het land te verlaten (niemand doet dat overigens), trekken ze naar de steden, op zoek naar werk, onderdak en smokkelaars, om hen naar het beloofde land te brengen.

Vooral de hoofdstad Athene is geliefd. Rond de toeristische bezienswaardigheden struikel je over de handeltjes in tassen, zonnebrillen en andere namaakspullen. In oktober, als de toeristenstroom al flink is uitgedund, zijn er soms meer verkopers dan toeristen. Er wordt amper iets verkocht. Een Afghaanse schoenenverkoper zegt 8 à 9 euro per dag te verdienen, onvoldoende om te overleven.

De grootste problemen in Athene doen zich voor rond het plein Omonia, waar de meeste immigranten wonen. Omonia, amper één metrohalte van de belangrijkste bezienswaardigheden, is het zakencentrum van Athene, met grote hotels, een grand café, een tien verdiepingen tellend winkelcentrum en grijze kantoorgebouwen.

Tien jaar geleden begonnen Pakistaanse, Indische en Chinese immigranten – mét visum – zich hier te vestigen, en kreeg de buurt een multicultureel karakter. Maar sinds een paar jaar vestigen ook Afrikaanse, Afghaanse, Irakese immigranten – zonder visum, zonder geld – zich hier, in leegstaande panden, parken en overbevolkte huurappartementen.

‘Omonia is een getto geworden’, zegt Yiannis Sgouros, prefect van de regio Athene. Hij zegt de problemen niet meer aan te kunnen. ‘Griekenland is een klein land, we kunnen niet voor zoveel mensen zorgen. De EU moet ons helpen, maar doet niets.’

Telefoonwinkels
In de straten rond Omonia, tussen de Pakistaanse telefoonwinkels en Indische kruidenierszaken, verzamelen zich nu zoveel immigranten, dat een auto er vaak niet meer doorheen kan. De mannen hangen rond, kletsen, onderhandelen over de prijs van namaakartikelen of van een slaapplaats. Velen doden gewoon de tijd. De geur van de Indische kruiden vermengt zich met een geur van urine en ongewassen mensen.

Af en toe zie je een groepje mannen om zich heen spieden, heimelijk pakjes uitwisselen. Drugsdealers. Door de concentratie van wanhopige mensen is Omonia nu ook het centrum van de drugshandel geworden. Vooral jonge Afrikaanse immigranten raken erin betrokken. ’s Nachts staan de straten vol Afrikaanse prostituees.

De politie is volop aanwezig, te voet, op motoren en in grote gepantserde bussen, maar ze grijpen niet of nauwelijks in. Vorige maand waren er wel grote ‘schoonmaakacties’, waarbij illegalen uit bepaalde straten en gebouwen werden weggejaagd.

‘Het begint hier gevaarlijk te worden, ook voor ons’, zegt Nikitas Kanakis (42), arts en directeur van het medisch centrum van Médecins du Monde, waar illegalen en bijstandsgerechtigde Grieken gratis medische, psychologische en sociale hulp kunnen krijgen. ‘De immigranten veranderen. Er zitten jongens tussen die tot alles bereid zijn om te overleven.’

Kanakis, een dokter die in zowat alle crisisgebieden ter wereld heeft gewerkt, komt met vier plastic tassen babyvoeding het medisch centrum vlakbij Omonia binnenlopen. Aan de balie staat een lange rij wachtenden. Het medisch centrum merkt een stijging van het aantal immigranten. ‘Vorig jaar hadden we zevenduizend nieuwe patiënten, dit jaar hebben we er al tienduizend.’

Op twee verdiepingen van het medisch centrum is een opvangtehuis ingericht, waar tachtig immigranten, vooral families, verblijven. Ze krijgen onderdak, voedsel, Griekse taalles en hulp bij het regelen van het papierwerk en het vinden van werk en een huis.

‘We proberen hen vooral duidelijk te maken dat ze zelf moeite moeten doen’, zegt Kanakis. ‘Veel immigranten kennen tegenwoordig hun rechten en eisen die ook op. Ze vragen veel, maar nemen zelf geen initiatief.’

Kanakis kan zich eraan ergeren. ‘Iedereen hier wil naar het buitenland, omdat ze denken dat ze daar een verblijfsvergunning zullen krijgen. Maar als immigrant heb je het niet voor het kiezen, je moet elke kans grijpen die je krijgt, ook al is het niet wat je had gewild. Ik zie hier geen immigranten die in een olijfboomgaard willen werken, die in Griekenland proberen te integreren. Ik kan me daar boos over maken: als je met drie kinderen uit Afghanistan naar hier bent gekomen, heb je de plicht voor hen een goed leven te creëren.’

Maar de meeste immigranten blijven ervan overtuigd dat een goed leven alleen buiten Griekenland gevonden kan worden. Zelfs de Afghaanse Ali (19), die vier maanden geleden in het opvangtehuis van Médecins du Monde werd opgenomen, schippert tussen tevredenheid over deze buitenkans en verlangen naar het buitenland.

Zwaar verleden
Met zijn zachte lach, jeugdpuistjes en stuntelige houding lijkt de tengere Ali een verlegen puber, maar hij torst een zwaar verleden met zich mee. Bij een gewapende aanval op zijn huis in de Afghaanse provincie Ghazni kwamen zijn ouders om. Hij ontsnapte en vluchtte. Na een jaar in Iran kwam hij via Griekenland, Italië en Frankrijk naar het Verenigd Koninkrijk.

Negen maanden verbleef hij daar, in een tentenkamp voor asielzoekers, waar hij niets anders deed dan televisiekijken, slapen en wachten op de uitkomst van zijn asielaanvraag. Toch krijgt hij een twinkeling in zijn ogen als hij over het Verenigd Koninkrijk praat. ‘Ik zou daar een verblijfsvergunning krijgen, de procedure was bijna afgerond. Maar toen ontdekten ze dat mijn vingerafdrukken al in Griekenland waren afgenomen.’

Ali, en met hem veel immigranten, heeft zich al honderden keren beklaagd dat hij ooit zijn vingerafdrukken heeft laten afnemen. ‘Dat hebben ze gedaan in een opvangkamp op een Grieks eiland’, zegt hij. ‘Ik kende de wetten van Europa toen nog niet, anders had ik geweigerd.’ In Frankrijk ziet Médecins du Monde zelfs gevallen waar immigranten hun vingertoppen opzettelijk verbranden, zodat die niet meer herkenbaar zijn.

Ali werd op het vliegtuig gezet. Terug in Griekenland kreeg hij, ook al was hij toen minderjarig, geen hulp. ‘Ik stond op een lijst voor opvang, maar er was nooit iets vrij. Ik sliep in een park. Er waren dronken mensen, vechtende mensen, je wist nooit of je veilig was. En je moest vroeg opstaan voor de voedseluitdeling van de kerk. Ik had die jaren altijd hoofdpijn, ik kon niet lachen. Ik werd langzaam gek.’

Vier maanden geleden kon hij terecht in het opvangtehuis van Médecins du Monde, dat door de EU en Griekenland wordt gefinancierd. Hij leert nu Grieks, oriënteert zich op werk, probeert tot rust te komen. Maar hij blijft bitter over zijn gedwongen terugkeer naar Griekenland.

‘Meteen na mijn aankomst in Griekenland, twee jaar geleden, heb ik asiel aangevraagd. Sindsdien is er geen enkele vooruitgang in de procedure. Mijn toekomst is onbekend. Hoe kan ik zo leven? Ik snap het niet: als ze me niet willen in Griekenland, waarom hebben ze me dan teruggehaald? Ze willen me niet hier, maar ze willen ook niet dat ik naar een ander land ga. Ze willen gewoon niet dat ik besta.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden