Eindelijk schrijver

Ooit schrijft peter middendorp het boekenweekgeschenk. Eerst maar eens kijken hoe z'n roman noordeloos wordt ontvangen. lotgevallen van een schrijver op weg naar zijn debuut....

Misschien mist Berenice een botje in haar neus. Ze heeft een sapfles meegenomen, met sinaasappelsap en appelcider. Steeds als ze een slokje neemt, drukt de flessenhals haar neusje plat. Wat minder leuk is aan haar: ze zegt onophoudelijk: 'I love life.' Ook houdt ze van de mensheid. 'Humanity, etcetera' je kunt haar niet aankijken of ze begint erover. Misschien vindt ze het woorden die lekker in de mond liggen.

Het is eind augustus 2001. We drinken bier bij een kampvuur aan een Frans riviertje en het gesprek wil nog niet boeien. Hollywood komt voorbij, hoe toevallig het is dat wij elkaar hier hebben ontmoet, het lot van beroemde rappers en de mensheid. Heb ik toevallig Mis daad en straf van Dosto jevski gelezen? Dan begrijp ik hoe belangrijk het is dat zij haar leven in dienst van de humanity gaat stellen. Dan zijn gelukkig de vloeitjes op. De vriendin van Berenice loopt wel even mee naar de tent.

Bij de schommel vraagt ze of ik belangstelling voor een vakantievriendinnetje heb; bij de tennisbaan of ik in dat opzicht eens aan Berenice wil denken. En op de terugweg vraagt ze naar mijn bezigheden. Juist heb ik een contract getekend voor m'n debuutroman Noordeloos. Ik ben schrijver, zeg ik voorzichtig, een écrivain. De vriendin van Berenice gaat sprongetjes maken en gilletjes slaken. Ze rent naar Berenice om te vertellen dat die daar een echte écrivain is en nu gaat zij ook al sprongetjes maken en gilletjes slaken.

Schrijver zijn is het mooiste wat er is. Je kunt de hele dag lezen en schrijven. Als je 's ochtends wakker wordt, kun je over dingen na denk en en met een kopje thee in je hand uit het raam fantaseren. Het is niet erg als het een dagje niet wil lukken en je moeder reageert mild als je haar verjaardag eens vergeet. Sommige mensen hebben sympathie voor je bezigheden of hopen op een boeiende persoonlijkheid. Op vakantie en in het café komen ze weleens met vrolijke vragen op je af.

Soms kijk je op van een toetsenbord en zijn zes uren verschreven. In die tijd ben je met een leuk personage uit winkelen geweest, heb je samen een zieke moeder verschoond of hield Petrus een surpriseparty achter de hemelpoort. Flaubert schreef in een brief aan een minnares: 'Het is iets heerlijks, schrijven, niet meer jezelf te zijn, maar ronddwalen in de hele schepping waarover je spreekt.' Het is jammer dat hierna de vergelijking ophoudt, maar dat vind ik nou ook.

Ooit beginnen de oriënterende broodjes met invloedrijke mensen, de nieuwjaarsborrels met schrijvers en beroemde aanhang, de eerste interviews op de lokale radio. Vanzelf komen ook de voorleesavonden, fotosessies en contracten. Maar eerst begint nog een lange reis door de uitgeverijen. Soms blijft een manuscript liggen tot iemand eens per ongeluk de stapel omstoot, soms moet je een jaartje wachten. Hoopvol klim je de trappen op naar een directiekamer om een uur later ontmoedigd weer af te dalen; de eerste uren niet tot praten in staat. Dan ben je bijvoorbeeld bij Tilly Hermans van, toen nog, uitgeverij Meulenhoff langsgeweest.

Mijn familie kent een lange geschiedenis van geestelijke crises. Vooral jongens van tegen de dertig storten in bij bosjes. Ik weet niet wat het is. De één is opeens bang voor van alles en nog wat regen, steden, buitenlanders de ander verliest plotseling zijn identiteit. Ze vallen om, komen hun kamertjes niet meer uit, zetten kelen op, verstoppen zich in verre landen of gaan aan de cocaïne in de grote stad. Er gaan veel tips en zelfhulpboeken door de familie.

Ik ben 27 als ik de weg kwijtraak. Ik ren 's nachts redeloos over straat en vind mezelf met grote ogen terug in een hoekje van de kamer. Het is maar beter dat ik tijdelijk van Amsterdam terugverhuis naar Emmen. Bij m'n ouders krijg ik een kamer met een computer en uitzicht op de es je kunt er mooi de laatste bolling van De Honds rug zien. Het is de zomer van 1999, er zijn plannen en probeersels genoeg, ik denk: nu ik toch geestelijk ben ingestort, kan ik mij mooi een beetje verdienstelijk maken.

Noordeloos moet een tragikomedie worden over een bange dorpswinkelier van 28. Bart trekt zich op aan zijn grootvader, een overenthousiaste oud-verzetsstrijder, om zijn enige wens in vervulling te laten gaan: samenwonen met Anna, met haar een gezin te vormen als alle andere. Anna is prachtig, lief; ze heeft een kuikenbuik met een navel in het midden waar een kokindje in past, een televisie met teletekst en helaas ook huwelijksplannen met de voorzitter van Dorps belang. Als een leerling-verzetsheld gaat Bart daarom op zijn geluk af. In een loopgraaf achter de duiventil heeft opa hem al geleerd hoe verzetshelden zich gedragen.

Ik typ en ik typ, maanden achtereen, alles gaat ervoor opzij. En op woensdag zuip ik me te pletter met neef Daniël. Calvados, dat smeert de versnellingsbak beter dan goed voor je is. Met je gat langs de muur kom je binnengeschuifeld en één, twee, drie glaasjes verder ben je de goedgemutste stamgast, die meteen maar even een gedichtje voor de serveerster schrijft: 'Twaalf sproeten, dertien Calvados'. Intussen houdt Daniël me voor hoe briljant ik ben. Voordat er een cd van zijn popgroep Skik in de winkel lag, had hij er ook vaak genoeg zo bijgezeten als ik nu, zegt hij.

Maar eigenlijk werk ik in het geheim. Ik ga niet in het openbaar de schrijver uithangen. Van horecabaantjes heb ik geleerd dat het lelijk staat: moeilijk denkende mannen aan de bar met een pen tussen de tanden. Zo wil ik niet zijn. Ze merken het wel, als het boekje in de winkel ligt. En anders maar niet. Misschien toch wat minder drinken. Als ik het buurtcafé binnenkom, worden de stamgasten ineens vrolijk: 'Hé Peter', gaat het, 'hoe is het met de roman?'

Schrijvers zijn om te lachen ik wel, tenminste. Alle clichés gaan op. Het geploeter, getwijfel en gepanikeer. Het zuchten, opgeven en opnieuw beginnen. Na weken in afzondering in eigen verzinsels te geloven, vervreemd ik een beetje van de wereld en barst bij de bakker in huilen uit. Thuis hangt nog een mooi schilderijtje boven de schouw. Van mij. Met m'n rechterarm in een mitella. Ik wilde het toetsenbord van me afgooien en bleef ergens achter haken. Toen wilde het even niet zo lukken. Achter een heel dikke duim loop ik 's nachts de Eerste Hulp van het ziekenhuis binnen.

Ik weet niet hoe bevredigend het normaal gesproken is, maar wat ik wel weet: als gesprekspartner ben ik in het voorjaar van 2001 niet te harden. Wat humanity is voor Berenice, is uitgeverij voor mij. Elk gesprek komt op hetzelfde neer: hoe en door wie krijg ik mijn boek uitgegeven? Vooral vriend Stijn Aerden is hiervan het slachtoffer. Hij is schrijver en journalist, slim en hulpvaardig. Als het gesprek eens ergens anders over gaat, heb ik mijn gedachten er niet bij. Of breng het met een narratieve bocht alsnog op mijn lievelingsonderwerp. Hij wordt zelf uitgegeven door Nijgh & Van Ditmar. Iemand van Nijgh mailt iets positiefs over de eerste 20 pagina's, ik stuur de rest van het boek en hoor nooit meer iets van mijn favoriete uitgeverij.

Hij kent Adriaan, toen redacteur van uitgeverij Thomas Rap. Ik stuur het boek en, op verzoek van Adriaan, een paar reportages. Een maand of drie later komen ze elkaar tegen op de gracht. Adriaan schudt zijn hoofd. Hij ziet er geen kaftje om, zegt hij. Later wordt duidelijk dat de sufferd heeft gedacht dat ik de reportages wilde bundelen. Het manuscript moet dan ergens eenzaam in een laatje liggen, in een klam kamertje hoog in het gebouw aan de Amsterdamse Van Miere veld straat.

Maar weet je wie ik leuk zal vinden? Thomas Verbogt van L.J. Veen. Dat is nog eens een lieve man. Stijn heeft gelijk: Thomas leest het boek razendsnel, stuurt bemoedigende mailtjes en vriendelijke kaartjes. Maar ik ga niet naar L.J. Veen. Ik ga naar J.M. Meulenhoff, dat klinkt een stuk belangrijker. Voor een televisiegids heb ik iemand geïnterviewd die me bij Tilly Hermans zal introduceren.

Tilly ziet eruit als een tante die op latere leeftijd linkser is gaan stemmen. Ze heeft een rommelig kamertje, met een kleine witte tafel waarop behalve manuscripten ook twee kopjes koffie passen: eentje voor Tilly en eentje voor mij. Ze ziet wel iets in het boek. Ze zegt dat ik mooi kan schrijven. Wel moet er nog wat aan het boek gebeuren, maar dat is geen probleem. In het Amsterdamse souterrain van een reizende vriend zal ik me daartoe een paar maanden opsluiten. Buiten blijf ik nog even kijken naar het mooie uitgeverspand.

Wat gaat het nu ontzettend goed met mij. Ik huppel, straal, glim en heb weer alle belangstelling voor andermans sores. Tilly Hermans is de beste redactrice van het hele land. Allerlei belangrijke auteurs lopen met haar weg. Als zij zich persoonlijk met het boek gaat bemoeien, moet het wel bijzonder zijn. Iemand die er verstand van heeft, vraagt: 'Wat moet je bij die ouwe taartenclub?' Maar ik hoor alleen mezelf.

Ik moet voorlezen, voor het eerst, in een theaterzaaltje aan de Ro zen gracht in Amsterdam. Van verschillende kanten heb ik het advies gekregen om het vooraf niet op een zuipen te zetten. Dat advies heb ik in de wind geslagen. Wat me verder op de been moet houden: een Maria-plaatje uit Mexico dat ik van een vriendin heb gekregen. Ik draag het op mijn hart. En voor het geval dat mensen 'boe' gaan roepen of pinda's naar de schrijver gaan gooien, heb ik nog wat kalmeringstabletten meegebracht.

Nu is het gemakkelijk: aan de mijne gingen zes geestige voordrachten vooraf. De gasten hadden al naar mooie muziek kunnen luisteren en twee pauzes beleefd waarin gedronken mocht worden. Maar tijdens de borrel achteraf sta ik al met een been in de finale van een literaire prijs. Ik word op de schouders geslagen, neem hartelijke gelukwensen in ontvangst en een huiverige jongen gedraagt zich zoals ik normaal gesproken doe: de complimenten komen maar moeizaam uit zijn mond. Met m'n favoriete dichter rook ik jointjes op de gang. Ik zeg dat hij mooie gedichten heeft voorgelezen. Hij zegt dat ik mooie verhalen heb voorgelezen. Wij kijken elkaar aan. Wij menen wat we zeggen.

De volgende avond hangen Stijn en ik tevreden in de bank. Er schommelt rioja in de glazen. Buiten valt verse sneeuw. De kachel pruttelt en Stijn heeft zijn slofjes aan. Dan belt Kiki, vertaalster van mooie Franse boeken. Ze zit in een café ergens in Zuid, aan een tafel met Jasper Henderson, redacteur van De Bezige Bij. Hij vertelde dat hij iemand iets moois had horen voorlezen en Kiki zei: 'Peter? O, ik bel hem wel even.' Stijn wil niet naar dat café. Hij zegt: 'Nu gaan we vijf kilometer door de sneeuw lopen, alleen voor een visitekaartje van nóg een uitgeverij.' Ik zeg maar niets. Ik geef hem zijn muts.

Met de auto gaat het van Amsterdam terug naar Groningen, waar ik woon. Het is maandag 1 februari 2000 en niet zo'n leuke dag. Ik kom uit een gesprek met Tilly Hermans. Dat was geen pretje. Het is negen maanden sinds ons eerste contact. Nu heeft Tilly ontdekt dat wij niet bij elkaar passen. Vergeefs proberen vriendinnen in de auto vrolijke onderwerpen op me uit. Ik straal veel negativiteit terug bij Amersfoort hebben ze er stijve schouders van gekregen.

Dat Tilly mij had verboden met andere uitgevers te onderhandelen en vervolgens in negen maanden hooguit een half uur aan het manuscript heeft besteed, moet zij weten. Dat ik me dit had laten overkomen, was wel iets om over na te denken. Zij wilde m'n favoriete scènes schrappen en andere met psycho-causale draden aan elkaar rijgen. Wat erger was: ze kon niet ophouden met over Marcel Möring te praten. Marcel, Marcel, Marcel. Ik ken de arme man niet eens, maar van de weeromstuit krijg ik een diepe, fysieke afkeer van hem.

Kijk alleen maar naar de eerste zin van zijn novelle Modelvliegen. Die is zo slecht dat ie een nationale discussie ontketende over het belang van openingsregels in literatuur: 'Toen hij zijn oude baan in een opwelling van plotselinge trots had opgezegd en nog geen nieuwe had, besloot mijn vader modelvliegtuigen te bouwen.' Marcel zei niet: 'Opwelling én plotseling is inderdaad wel een beetje dubbelop.' Hij probeerde zich liever te verdedigen per drie grote artikelen in Vrij Ne derland. Het is maar goed dat ik niet meer bij Meulenhoff zit, houd ik mezelf voor. Mijn uitgeverij moet er eentje zijn waar de mensen aan zelfspot doen. Net als ik. Toch?

Gelukkig dat ik m'n computer niet in brand steek en uit het raam gooi. Er zit een mailtje in van Jasper. Hij heeft het manuscript van Adriaan gekregen en gelezen. Als ik nog geen uitgeverij heb, mag ik komen praten bij De Bezige Bij. Nu kan ik weer lachen. Nog dagen blijft het gesprek met Tilly zeuren. Tot in mijn dromen aan toe. Tilly: 'Hoe ben je ertoe gekomen om te gaan schrijven?' Ik: 'In een opwelling van plotselinge trots, mevrouw.' Tilly: 'Wat wil je in de koffie?' Ik: 'Wat doet Marcel?'

Jan Mulder is geen man van parkeerproblemen precies voor de deur van de uitgeverij vindt hij een plekje voor zijn mooie Jaguar en wandelt binnen om met Jules Deelder een vrolijk gesprek over Feyenoord te beginnen. Daar, in de gang, leunen Leon de Winter en Jessica Durlacher ontspannen tegen de schouw en probeert Remco Campert een jas aan een haakje te krijgen. Alle gezichten draaien naar de ingang als Hans van Mierlo en Connie Palmen gearmd komen binnenlopen.

Het is begin februari 2001 en bij De Bezige Bij houden ze een borrel voor het nieuwe jaar. Ik ben niet meer van de straat en heb Jasper gemaand snel tot zaken te komen. Jasper kijkt niet stoer terug. Hij lacht, ik moet me geen zorgen maken. En weet ik wat ook leuk is? Intussen ben ik alvast van harte welkom op dit feestje.

Ze hebben het pand gezellig gemaakt. Eén ruimte is met een draaitafel en lichteffecten tot een hip soort disco omgebouwd. Als ze zijn uitgedansd, kunnen de auteurs naar boven en in de kamer van uitgeverij Thomas Rap uitrusten op roodfluwelen kussens. Op de grote wenteltrap kun je iedereen bekijken. En als je de eregalerij foto's van Reve, Mulisch en Hermans volgt, kom je vanzelf in de kamer van de grote uitgever, Robbert Ammerlaan. Bij het raam, aan waarschijnlijk een groot bureau, worden de belangrijke contracten getekend. Met een cappuccinootje erbij voor vieren wordt hier tegenwoordig niet meer gedronken.

Met mij wil steeds dezelfde jongen praten. Hij heeft een bundel verhalen geschreven dat bij Thomas Rap zal verschijnen en zegt dat schrijven een hobby is, zo helemaal naast een drukke baan en dito gezin. Hij vraagt: 'Ken jij hier ook niemand?' Nee. Daarom wil ik rondkijken en luisteren misschien wordt er wel weer gevochten, net als vorig jaar, toen twee schrijvers er verschillende literatuuropvattingen op na bleken te houden. Als de verhalenschrijver spaatjes gaat halen, ben ik weg. De rest van de avond zal hij achter ruggen en planten tevoorschijn piepen en vrolijk naar me zwaaien.

Ik kijk even naar Remco Campert zijn gesprekken willen maar niet haperen. Van een afstandje lijkt het allemaal coherent en niks geen gestotter wat er uit zijn mond komt. Aan de muur hangt een levensgroot portret van Harry Mulisch. De schrijver staat er in ribfluwelen pak op afgebeeld. Hij kijkt opzij en leunt met één hand op de schouw. De echte Harry Mulisch staat precies onder het schilderij. Hij draagt een ribfluwelen pak, kijkt opzij en leunt met één hand op de schouw. Een prachtige uitgeverij is het, met een geweldige geschiedenis en de allerbeste schrijvers. De volgende dag belt Jasper. Hij wordt hoofdredacteur van Thomas Rap; een imprint, zoals dat heet. Jasper is jong, 29, energiek en enthousiast. Hij heeft zin om van Rap het allermooiste fonds te maken. En ik verhuis met hem mee.

Er moeten ook foto's komen. Van mij. In het weiland. Tegen Jasper zeg ik: 'Waarom moeten Groningers altijd in het weiland? Ik ben toch geen boer?' Het is een tijdje stil aan de andere kant van de lijn. Dan brengt hij het gesprek voorzichtig op leuke boeren. Dat mijn praten op dat van Jan Mulder lijkt, bijvoorbeeld. De volgende dag word ik gefotografeerd tussen de paarden in Dorkwerd, een plaatsje kort ten noorden van de stad Groningen. Vrouwen op de uitgeverij zien een gewone jongen op de foto's. Ik schijn er guitig op te kijken.

Op een boekenbeurs worden beginnende schrijvers niet vrolijk. Ik niet. Uitgeverijen stallen er uit wat ze de volgende maanden uitbrengen. Het zijn er veel te veel. Wat moet mijn arme boekje daar straks tussen? Dat wordt verzuipen, zo helemaal zonder mij. Onderweg naar de uitgang zie ik het rode brilletje van Tilly Hermans. Ik recht m'n rug, zet een glimlach op, klaar voor een praatje. Maar Tilly wendt haar gezicht af en beent naar de uitgang. 'Misschien had ze wel iets anders aan haar hoofd', zegt vriend Bert Nijmeijer later een beetje vermoeid. En zo is het. Het is de dag voor '4 september', de dag dat Tilly vertrekt bij Meulenhoff. Alle belangrijke auteurs lopen met haar mee. Marcel voorop.

De mensen zeggen dat ik nog veel moet leren. Voortaan als ik wordt voorgesteld aan een recensent, houd ik niet langer netjes mijn mond tot iemand mij wat vraagt. Ik zal niet meer, om een interviewer een plezier te doen, op onnozele vragen antwoorden: 'Daar zit misschien wel wat in.' Dan heb je de boel namelijk bevestigd en staat er later in de tekst: 'Ik ben een echte binnenvetter', en: 'Ik begrijp gewoon niet wat er binnenin mij gebeurt.'

Aan de mensen ligt het niet. Tips en adviezen genoeg. Ik moet een zonnebril kopen (hoofdredacteur) geen zonnebril kopen (moeder); de keuze maken: topjournalist worden of middelmatig schrijver (columnist); geen keuze maken, mooi doordoen (neef Daniël); mezelf blijven (vriendin); een leuker iemand worden (ik); stoppen met drinken (psychiater); een andere psychiater nemen (kroegbaas).

Ik moet in de media aanwezig blijven, genieten van wat er gebeurt. Ik moet naar de kapper, niet meer van zulke uitdragerijtjes aantrekken. Ik moet vroeg naar bed. Veel schrijven. Ik mag best lachen op foto's, moet niet te veel verwachten, zorgen dat ik op televisie kom, overal bovenop zitten, dingen over me heen laten komen, niet bang zijn, met gedichten naar buiten treden, een mediatraining overwegen, het vraagteken boven mijn hoofd weghalen. En ik moet rustig blijven, vooral rustig blijven, dat is heel belangrijk. Waarom doe ik nou zo druk?

Sasja Jansen debuteerde vorig jaar met de roman De kamerling. Een van de weinigen die dat opviel was een recensent van de Volks krant, Arjan Peters, die het boek helaas nogal overtuigend de grond inboorde. Andere debutanten zijn jaloers dat Sasja wél in de krant staat. Sasja's lot in gedachten houden, neem ik mezelf voor, in gevallen van opwellingen van plotselinge trots.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden