Eindelijk kan de SER aan het werk

De Tweede Kamer schrapte deze week de verplichting voorafgaand aan sociaal-economische besluiten de SER om advies te vragen. Daardoor is de SER niet monddood gemaakt....

'HIJ ROERT en beroert weinig. De leden blijven hun lidmaatschap op prijs stellen en wonen redelijk getrouw de vergaderingen bij. De SER functioneert.'

De econoom Arjo Klamer toont vertedering en verbazing als hij in 1990 is uitgenodigd als feestschrijver om de veertigste verjaardag van de Sociaal Economische Raad luister bij te zetten. Verzuilde dromen, de titel van zijn boek, doet vermoeden dat de mantel der liefde om de benige schouders van een grijsaard wordt gevleid. Maar Klamer, toen al vele jaren in de VS werkzaam, raakt verrukt van die merkwaardige praatcultuur, waarmee Nederland vorm geeft aan zijn economische structuren.

'Zo christelijk als dit land is en vooral: zo katholiek', verzuchtte hij. 'Als je de SER wilt analyseren kun je niet om de katholieken heen. Het was een katholieke gedachte, voortkomend uit de katholieke traditie en uitgevoerd door de katholieken.'

De SER is de vrucht van een discussie die al in de vorige eeuw is begonnen en tussen de beide wereldoorlogen een hoogtepunt bereikte. Het ging om de toen zeer vèrstrekkende gedachte de Nederlandse economie om te vormen van een puur kapitalistisch stelsel tot een gereguleerd mechanisme dat overeen kwam met een geïdealiseerde versie van corporatieve economische organisatie.

Het corporatisme is het streven naar een staatsvorm, waarin de overheid bevoegdheden overdraagt aan belangengroeperingen, waardoor de macht van het parlement wordt beperkt. Pleitbezorger van dit stelsel was aanvankelijk een kleine groep katholieke intellectuelen. De door hen bepleite publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (PBO) kreeg aanhang onder de meerderheid van de katholieken. Bij hen voegden zich, zij het niet zonder onderlinge onenigheid, de protestanten en socialisten.

De liberalen echter konden niet worden overtuigd. Hoofdzakelijk omdat zij het meest te verliezen hadden bij de beperkingen op de vrije onderneming en de rechten van de leiding. Het is dus wel consistent dat de macht van de SER deze week is beknot door een amendement van de VVD.

De gebeurtenissen en belevenissen in de Tweede Wereldoorlog veroorzaakten in brede kring een grote drang naar vernieuwing. Het verlangen naar vrijheid ging verder dan alleen de verlossing van het juk van de Duitse bezetting. De wens ging uit naar een moderne samenleving, zonder de oude rigide machtsstructuren in de politiek, in de samenleving, in de fabriek en - hier en daar - ook in het huisgezin. In brede lagen van de bevolking werden idealen gekoesterd, over sociale rechtvaardigheid en industriële democratie. Maar voor zover het ging om de vrijheid van de burger moest het volk nog twintig jaar wachten. Want de regenten van weleer namen het roer over alsof er niets was gepasseerd.

Met uitzondering van het bedrijfsleven. Want de leiders van de organisaties van werkgevers en werknemers haden voor zichzelf, nog tijdens de oorlogsjaren, een belangrijke positie uitgedacht. Als vrucht daarvan werd op 17 mei 1945 de Stichting van de Arbeid geboren. Een privaatrechtelijke organisatie van werknemers, industriële werkgevers, boeren en middenstanders.

De stichting maakte aanspraak op een deel van de macht, want zij stelde te spreken namens het gehele particuliere bedrijfsleven. De statuten maakten melding van mede beslissen in 'alle belangrijke organen van besluitvorming' en 'beleidsbepaling op het gebied van de sociale politiek'.

Dit was de regering, die ook de draad van vóór 1940 wilde oppakken, te gortig. Als compromis werd de Stichting van de Arbeid erkend als 'elementair adviserend lichaam'. In luttele jaren stond de stichting centraal bij de vorming van het regeringsbeleid.

Een merkwaardige vorm van corporatisme, want de Stichting van de Arbeid was privaatrechtelijk, niet publiekrechtelijk. Het bestuur van de stichting was autonoom, zij stond niet onder controle van het parlement. De SER daarentegen is een publiekrechtelijk lichaam, dat is gebaseerd op een wet, en staat dus wel onder controle van het parlement.

Dit machtsvacuüm werd vijf jaar na de bevrijding, in 1950, gevuld door de Wet op de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, de PBO, waarvan de SER het belangrijkste orgaan werd. En daarmee ook, zoals het nog steeds heet, de belangrijkste adviseur van regering en parlement inzake sociaal-economische aangelegenheden. Vakbeweging, werkgevers en door de regering benoemde kroonleden bezetten ieder eenderde van de zetels.

De PBO moest dienen om de tegenstellingen tussen werknemers en werkgevers toe te dekken, al te grote concurrentie tussen ondernemingen te voorkomen, de medezeggenschap van de vakbeweging te bevorderen en, zoals de socialisten graag zagen, de invloed van de overheid te vergroten.

Het werd een droevige mislukking, want de PBO kreeg (en heeft) slechts gestalte in de landbouwsector. De industrie hield zich afzijdig. De leiders van het verzet, die een belangrijke stem hadden in de inrichting van het Nederland van na de oorlog, hadden bedoeld dat met de komst van de SER de Stichting van de Arbeid zou verdwijnen.

Maar de Stichting van de Arbeid bleef, en viert op 7 mei haar vijftigste verjaardag. Zeker tot 1960 konden werkgevers en werknemers, als zij tot overeenstemming kwamen binnen de Stichting van de Arbeid, hun mening zonder veel moeite opleggen aan de SER, waarin zij immers tweederde van de stemmen hebben. Sindsdien leidt de stichting naar buiten toe een sluimerend bestaan. Haar rol is diffuus, omdat de bestuursleden van de stichting ook een zetel hebben in de SER.

DE RESULTATEN van 45 jaar SER worden gemengd beoordeeld. Sommigen menen dat het enige belangrijke is geweest het SER-advies van 1951, toen de raad de vijf centrale doelstellingen van het sociaal-economisch beleid formuleerde: maximale economische groei en volledige werkgelegenheid, een evenwichtige betalingsbalans, verhoging van de levensstandaard, een aanvaardbare verdeling van het nationaal inkomen, en een stabiel prijsniveau. Geen van deze doelstellingen is gerealiseerd, verklaarde in 1985 de econoom D.B.J. Schouten.

J. van den Brink, KVP-minister van Economische Zaken die van 1945 tot 1952 de stuwende kracht was achter de naoorlogse industrialisatie, noemt echter het advies van 1982 over de economische structuurpolitiek 'het eerste, echt belangrijke, unanieme advies'. Het is het advies over het schrappen van regels en procedures, de befaamde deregulering.

Juist de SER, 'het admiraalsschip van de PBO, het vlaggeschip van het corporatisme' heeft op niet mis te verstane wijze en in een vroeg stadium de vinger gelegd op een van de meest dringende behoeften van de marktsector: de behoefte aan ruimte voor dynamisch ondernemerschap, de behoefte om te kappen in al die aangroeisels die per saldo geen wezenlijke bijdrage aan 'sociale maximalisering van de welvaart' opleveren, aldus Van den Brink.

In hun studie over de eerste 35 jaar van de SER constateren de co-auteurs Dercksen, Fortuyn en Jaspers dat de SER veeleer 'een nauwkeurig en gewetensvol administrateur is geweest en een plaats voor uitwisseling van informatie, dan de bruggenbouwer die ons in de literatuur dijkwijls wordt getoond'.

In zijn begintijd werd de SER bezet door mannen van gezag die, als ze het eens waren, regering en parlement voor voldongen feiten plaatsten. Hun woord was wet in die bloeitijd van het corporatisme.

Eind jaren zestig vertoonde hun eenheid deeerste barsten. Het grote aantal verdeelde adviezen, juist over belangrijke onderwerpen, begon op te vallen. De vakbonden begonnen te morren als hun centrales hen bonden aan centrale afspraken, de werkgevers vertoonden een vergelijkbaar opstandig gedrag als hun voormannen een deal sloten.

De jaren zeventig werden gekenmerkt door een steeds heviger polarisatie. Politici hadden snel ontdekt dat het handig was de SER om advies te vragen als zij er zelf niet uitkwamen, want de SER nam vaak geruime tijd. De SER diende als ijskast, desgewenst als schuilkelder.

Begin jaren tachtig kantelt het beeld opnieuw. Neo-realisme verdringt radicalisme, ideologie wijkt voor pragmatiek. Terug naar de markt, verkondigt het kabinet Lubbers. 'De ondernemers triomferen. Zij halen met volle maat het gelijk binnen dat hen lang was onthouden', beschreef de Tilburgse econoom W. Reynaerts. 'Een gewijzigde regeringscombinatie en een gunstiger economisch gesternte zouden op zich bronnen kunnen zijn van een verschuiving van de decentralisatie- en differentiatie-tendens', oppert hij in 1986.

Beide voorwaarden zijn thans vervuld, maar de Tweede Kamer schrapt de wettelijke plicht voor de regering om steeds het advies van de SER te vragen in belangrijke sociaal-economische aangelegenheden. De vakbeweging en de industriewerkgevers huiveren: een 'onverwacht en ondoordacht' besluit.

De SER heeft van oudsher het recht ongevraagd zelf met adviezen te komen. Opmerkelijk, zegt Fortuyn in 1982, dat de raad hiervan weinig tot geen gebruik heeft gemaakt. Een medebewind van de SER 'zou zich kunnen uitstrekken tot het ontwikkelen van beleid op het terrein van de ordening der economie en sturing daarvan'. Dat zou vooral voor de vakbeweging een vergroting van haar invloed kunnen betekenen.

MET NAME het parlement heeft zichzelf deze week een grote dienst bewezen. Het overgrote deel van de afgelopen vijfenveertig jaar is de sociaal-economische ontwikkeling van Nederland geregeld geweest door een handjevol mannen en een enkele vrouw, terwijl de regeringsfracties zonder één uitzondering hun leiders volgden als makke schapen. Zij hebben daarmee de parlementaire democratie een slechte dienst bewezen.

Het schrappen van de adviesverplichting opent een gezondere relatie tussen regering en parlement enerzijds en de belangengroepen anderzijds. De verhoudingen komen zuiverder te liggen. Het primaat van de politiek is hersteld.

Dit is niet te danken aan de misbruikers van de SER bij uitstek, het CDA en de PvdA. Zij stemden tegen het VVD-amendement. Het was zoveel hoopvoller geweest als het initiatief was gekomen uit de koker van het paarse kabinet.

In de visie van de VVD ligt het afschaffen van de adviesplicht op één lijn met het terugdringen van de overlegeconomie. Zij kiest voor het primaat van de markt.

De Nederlandse welvaartsstaat is echter gestoeld op de overtuiging dat gezamenlijk overleg tussen overheid en sociale partners kan leiden tot consensus en dat de samenleving functioneert dank zij deze consensus. De weg is nu vrij voor een volwassen overlegeconomie waarin het primaat berust bij regering en gekozen volksvertegenwoordiging. Na vijftig jaar doemt zo alsnog een kans op om de idealen van toen te verwezenlijken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.