Eindelijk genoegdoening

Voor de nabestaanden die nog in leven zijn, zit er 25 jaar na de Decembermoorden eindelijk schot in de zaak....

Het is de tragiek van Suriname, het land waar iedereen familie van elkaar is of op zijn minst elkaar kent. Politieke moordenaars, die nooit werden gestraft voor hun daden, zijn voor de naasten van hun slachtoffers moeilijk te ontlopen. De militair die op 8 december 1982 kogels in het hoofd of het lichaam van je echtgenoot, zoon, broer of vader joeg, kun je zomaar tegenkomen op straat, op de markt of op een familiefeest.

Irene Gonçalves (72), oud-lerares en zus van de in 1982 geëxecuteerde advocaat Kenneth Gonçalves, gebaart naar buiten, naar de hoek van de straat. Hoe vaak ze daar niet, pal voor haar huis in de binnenstad van Paramaribo, het dochtertje van oud-bevelhebber Desi Bouterse ziet. Wachtend op haar moeder, Ingrid, als de school is afgelopen. En dan ziet ze Ingrid, die ooit bij haar pleegdochter in de klas zat en nu tot de fanatiekste aanhangers behoort van ‘Bevel’, stoppen op die rothoek.

De kleinkinderen van oud-premier Errol Alibux – de man die naar verluidt hielp bij het opstellen van de dodenlijst van de Decembermoorden – heeft ze trouwens ook over de vloer gehad voor bijlessen. Zonder te morren, want je kunt het zo’n kind toch niet kwalijk nemen?

‘Als ik Bouterses dochter zie, schud ik mijn hoofd’, verzucht Gonçalves, die een jaar voor de moorden nog werd gezoend door de legerleider na een toneelstuk van haar leerlingen over de revolutie. ‘Dan denk ik: kind, ik heb medelijden met je, wat voor toekomst zul je hebben?’

Het is even stil in de woonkamer. Gonçalves staart naar haar moeder van 92, die bewegingloos op de bank zit met gesloten ogen. Ze vraagt zich af of ze er ook zo aan toe zou zijn geweest als Kenneth niet was vermoord. ‘Dit heeft het verdriet haar aangedaan. Af en toe herkent ze ons, soms weer niet. Toen ze hoorde dat hij dood was, zei ze: een deel van mij is gestorven. Niets interesseerde haar meer, behalve de berechting van de daders. Nu het eindelijk zover is, kan ze het niet meer bewust meemaken. Mijn vader ook niet, die overleed in 2004.’

Spanning

Suriname telt de dagen in spanning af. Hoewel menig nabestaande van de doden van ‘8 december’ is overleden of al lang geleden het land heeft ontvlucht, kunnen de achterblijvers niet wachten op hét moment van genoegdoening. Eind volgende maand, op de valreep van de 25-jarige herdenking van de Decembermoorden, komen de 25 verdachten voor de rechter.

Dertig nabestaanden, twee per familie, zullen er op 30 november getuige van zijn als hoofdverdachte Desiré Delano Bouterse de zwaarbewaakte rechtszaal op de marinebasis Boxel binnenwandelt. Ze zullen plaatsnemen vlak achter de verdachten en voor het eerst zonder schroom hun blikken kunnen richten op de oud-militairen die in Fort Zeelandia huishielden. Met Bouterse voorop. Als hij tenminste op komt dagen. Want tot nu toe heeft hij altijd gezegd dat hij niet zal komen. In dat geval zal Justitie moeten beslissen Bouterse te arresteren.

Diens advocaat, Irwin Kanhai, doet er nogal laconiek over. ‘Waarom is het zo belangrijk voor jullie in het buitenland? Heeft u de opiniepeilingen niet gezien waaruit blijkt dat een flink deel van de bevolking geen rechtszaak wil? Surinamers zijn er niet in geïnteresseerd. Het kan ze geen moer schelen.’

Het uitblijven van de berechting van de daders, al die jaren lang, kon in de kleine Surinaamse gemeenschap tot bizarre situaties leiden. Familieleden uit beide kampen – van nabestaanden van de vijftien slachtoffers en van aanhangers van het militaire regime – trouwden met elkaar. Zo is Jenny Karamat Ali, de vrouw van de in Fort Zeelandia terechtgestelde advocaat Harold Riedewald, al jaren de partner van Henk Goedschalk van de Centrale Bank van Suriname – een van Bouterses vroegere aanhangers. Tot afgrijzen uiteraard van de andere nabestaanden die haar geen blik meer waardig gunnen. De kinderen die ze met Riedewald kreeg, moesten toezien hoe ze thuis hoge militairen van weleer ontving. Karamat Ali is nu ook de schoonmoeder van een zoon van Ampie Kamperveen, de bekendste van de journalisten die op 8 december werden vermoord.

Winston Jesserun voert al 25 jaar oppositie tegen Bouterse, maar hij is ook innig bevriend met Ramon Abrahams, oud-militair en naaste vertrouweling van de ex-legerleider. Op school worden kinderen en kleinkinderen van de daders door klasgenoten uitgescholden voor ‘moordenaarskind’ .

Gevoelens van wraak waren er de laatste 25 jaar uiteraard volop bij de nabestaanden. Maar het tekent de situatie in Suriname, waar de oud-militairen nog altijd een machtsfactor van betekenis zijn, dat het nooit ook maar tot een incident is gekomen.

Sluopmoordenaar

Johnny Kamperveen, zoon van Ampie en een van de bekendste pleitbezorgers van Bouterses berechting, vertelde in 2002 in de Volkskrant hoe hij samen met de oud-bevelhebber in de deuropening stond bij een persconferentie van toenmalig president Jules Wijdenbosch. ‘We keken elkaar aan en ik dacht: dit is een mooi moment om hem neer te halen’, zei Kamperveen. ‘Zo werkt het niet. Ik ben geen sluipmoordenaar.’ Ook Kamperveen maakt het verschijnen van Bouterse voor de krijgsraad niet meer mee. Hij overleed in 2003.

Vakbondsleider Marius Roosburg, die in de media geen blad voor de mond neemt over de ex-legerleider, begrijpt het allemaal wel. ‘Surinamers zijn nog steeds bang om over hem te praten’, vertelt hij op het erf van zijn moeder in de volkswijk Abra Broki. ‘Ze kunnen niet geloven dat Bouterse kan worden opgesloten. Ze willen wel de waarheid horen, maar durven het niet hardop te vragen. En Bouterse buit die angst uit. Zo is al jaren de sfeer in het land.’

Niet ver van Fort Zeelandia, op een druk terras legt Winston Jessurun uit dat de ooit zo machtige Bouterse een bange man is geworden. ‘Zijn grootste angst is dat eindelijk de waarheid aan het licht komt. Hij weet dat zijn aanhangers zich wel drie keer zullen bedenken om nog langer achter hem aan te lopen, als dat gebeurt. Hij zal dan ook alles doen om de rechtszaak te verstoren.’

Met Bram Behr, een van de terechtgestelde journalisten, zat Jessurun op school. Een andere journalist, Frank Wijngaarde, was een goede vriend van zijn vader. Toch heeft hij geen moeite met het contact met Ramon Abrahams die bij de laatste twee verkiezingen Bouterses campagne leidde. ‘Over bepaalde dingen praten we niet diepgaand. Doe je dat niet, dan loop je vast in dit land.’

Eddy Daal (65) is de broer van vakbondsleider Cyrill Daal. Met zichtbare tegenzin wandelt hij op deze prachtige ochtend de binnenplaats op van Fort Zeelandia. Het is pas de tweede keer sinds de moorden dat hij de plek bezoekt waar zijn broer werd omgebracht. ‘Zijn dit de kogelgaten?’, vraagt hij boven, waar de kogelgaten nog zijn te zien in de muur. De radio speelt toepasselijk Wan Gado De (‘Er is een God’).

In de nacht van 7 op 8 december werd Daal er mishandeld door militairen die wilden weten waar Cyrill was. Een militair doofde een sigaret op zijn tong, de lopen van Uzi’s werden in zijn oren geduwd. Boven, in een hoek van het complex, hoorde hij Bouterse onafgebroken praten, maar hij zag hem niet. Hij zag wel Arthy Gorre, een vroegere schoolvriend, die de commando’s leidde.

Leidende rol

Daal vertelt hoe Roy Horb, de tweede man van het leger, wanhopig heen en weer liep, de handen om het hoofd geklemd. Tegen een militair die zei dat Bouterse hem wilde spreken, schreeuwde Horb: ‘Zeg tegen de bevelhebber dat hij mijn mars kan eten!’ (Surinaams voor: hij kan oprotten - red.) Paul Baghwandas, die een leidende rol had bij de executies, zei tegen Daal: ‘Zo, dus jij bent die Daal, hè? Jij en je broer willen de revolutie verstoren.’

Daal: ‘Hij sloeg mij tegen mijn oren en schopte me. Daarna gaf hij militairen de opdracht om met mij mee te gaan om Cyrill te gaan zoeken. Als het niet zou lukken, zei Baghwandas, dan zouden ze met mij afrekenen.’

Daal pauzeert even. ‘Vroeger kon ik niet eens langs Fort Zeelandia rijden’, zegt hij zenuwachtig rokend. Hij vertelt hoe hij Bouterse, die na de coup van 1980 bij hem thuis kwam en met wie hij vaak kaartte, dit jaar weer tegenkwam in het parlement. ‘Hij keek naar mij. Maar ik heb niets gezegd. Zijn mensen proberen ons al jaren te verzoenen. Nooit, meneer, nooit! Direct na de moorden heeft een militair tegen mij gezegd: ik zeg u, meneer Daal, Bouterse heeft persoonlijk je broer vermoord.

Tegen half vijf ’s nachts, vond hij Cyrill bij zijn buitenvrouw. Daal: ‘Toen de militairen hem afvoerden, zei hij tegen mij: Eddy, ik ben de sigaar. Ik moest huilen. Thuis had mijn vrouw de koffers al gepakt. Maar ik riep: ik ga niet weg, dit is mijn land.’

De volgende ochtend kreeg hij van een huilende vakbondsfunctionaris te horen ‘dat ze Cyrill hadden vermoord’. Zijn moeder had het ook gehoord. Daal: ‘Het enige wat ze zei, was: ik laat het verder aan God over.’ Maar ook zij zal de gang van Bouterse naar de rechtszaal niet meer meemaken. Twee jaar geleden stierf ze, op 85-jarige leeftijd.

Daal: ‘Veel mensen vragen mij hoe ik de afgelopen 25 jaar heb overleefd, waarom ik niet gek ben geworden. Ik heb gebeden dat er ooit gerechtigheid komt. Dit hoofdstuk kan alleen worden afgesloten als alle daders vastzitten. Weet u, ik kan nog steeds niet geloven dat Bouterse dit heeft gedaan. Hij was zo’n sportieve, aardige man. Ik keek naar hem op, hij was een politieke vriend.’

Ook Irene Gonçalves vraagt zich geregeld af hoe ze in hemelsnaam deze 25 jaar is doorgekomen. ‘We hebben nooit psychische hulp gekregen. Op 3 januari 1983 zat ik weer gewoon voor de klas.’ Haar vader vermeed het onderwerp tot zijn dood in 2004. Nooit sprak hij erover. In die 22 jaar lag hij op 8 december liefst in bed. In de week voor zijn dood spuwde hij eindelijk zijn gal. Gonçalves: ‘Hij vertelde hoe hij Kenneths lijk had gezien. Hij had geen enkel geloof in een proces tegen de daders.’

Dat Desi Bouterse straks in de cel belandt, vindt ze eigenlijk helemaal niet zo belangrijk. Ze wil maar een ding van hem horen: waarom moest Kenneth dood? Als Deken van de Orde van Advocaten stuurde hij brieven naar Bouterse dat de rechtsstaat in gevaar was. Was dat de reden om hem te executeren? Was Kenneth, die al direct na de coup van 1980 tegen haar zei dat Suriname ‘in een diep zwart gat zonk’, nou zo’n groot gevaar voor de militairen?

Gonçalves: ‘Waarom ook die geestelijke mishandeling na de moorden. Waarom die vreselijke onzekerheid of we Kenneths lichaam mochten zien. Toen we uiteindelijk toestemming kregen, werd een vuil lijk getoond met zand en gestold bloed.

‘Kenneth had vier kogelgaten in zijn hoofd. Waarom vier? Mijn moeder voelde op zijn borst. Er waren twaalf kogelgaten. Waarom?! En waarom moesten de kisten verzegeld blijven bij de begrafenis. Dat zou ik aan de hoofddader willen vragen. Want tot het laatst heeft hij ons geestelijk mishandeld.’

Uit diverse onderzoeken blijkt dat de vijftien slachtoffers, die volgens het militaire regime een coup planden en op de vlucht waren doodgeschoten, frontale schotwonden hadden en waren mishandeld.

John Baboeram (advocaat) – kogelinslag naast de neus, gebroken kaak, tanden weggeslagen.

Bram Behr (journalist) – kogelinslagen in borst en voeten, verwondingen gezicht.

Cyrill Daal (vakbondsleider) – mogelijk gecastreerd, kogelinslagen in de buik.

Kenneth Gonçalves (advocaat) – gebroken neus, zeker zestien kogelinslagen in gezicht en borst.

Andre Kamperveen (journalist) – achtien kogelinslagen in de borst, gebroken arm.

Gerard Leckie (universiteitsdocent) – kogelinslagen in de borst.

Suchrin Oemrawsingh (universiteitsdocent) – twee kogelgaten, onder andere in de wang.

Leslie Rahman (journalist) – snijwonden in het gezicht.

Surindre Rambocus (militair) – doorzeefd met kogels, opgezwollen gezicht.

Harold Riedewald ( advocaat) – doorzeefd met kogels.

Jiwansingh Sheombar (militair) – kogelinslagen in borst en buik in de vorm van een kruis.

Josef Slagveer (journalist) – opgezwollen gezicht, kaakverwonding.

Robbie Sohansingh (ondernemer) – tanden weggeslagen, kogelinslagen in borst en buik.

Frank Wijngaarde (journalist) – gebroken kaak, tanden weggeslagen, kogelinslagen in gezicht en borst.

De 25 verdachten die op 30 november voor de krijgsraad moeten verschijnen, wordt moord ten laste gelegd. Ze zouden op 8 december 1982 vijftien opposanten van het militaire regime hebben geëxecuteerd. Daarvoor waren gebouwen van radiostations, kranten en vakbonden door het leger in brand geschoten. Pas in 2000 besloot het Openbaar Ministerie de moorden te onderzoeken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.