Eilanden van monniken en jan-van-genten

Vervolg van pagina 1.

'Jammer', zegt Mary. Ze wijst vanaf de klif naar de grijze brij van water en wolken. 'Daar staat de Fastnet. Die had ik jullie graag willen laten zien.' De Fastnet geeft tegenwoordig de naam aan een zware zeilraceklassieker, maar voorheen was het vooral de traan van Ierland. De kale rots, sinds 1854 voorzien van een vuurtoren, was de laatste glimp die de honderdduizenden emigranten op weg naar een nieuw bestaan in Amerika van hun geboortegrond opvingen.

Vandaag weigert de traan van steen uit de nattigheid tevoorschijn te prikken. Dat heb je nu eenmaal als je hier de uitersten van de oude wereld opzoekt, waar het weer altijd wispelturig is. Vergeet dan ook niet je zegeningen te tellen. Cape Clear was tenminste nog gewoon te bereiken geweest, vanuit de haven van Baltimore met de boot waarmee zoöloog Nic Slocum toeristen langs walvissen en dolfijnen vaart; meer dan 80 procent kans op succes, zegt Slocum. Eerst is er de beschutting van tal van andere eilanden, waarvan er nog twee zijn bewoond: Sherkin Island en Heir Island. Op meer open water begint het te stuiteren. Slocum: 'Dit is iets meer dan het gemiddelde.' De volgende dag terug, zouden de dolfijnen er zijn.

Eerder was er vooral een verlangen naar de rand. Het zit in veel reizigers. Het idee dat je echt niet verder kunt. Dat het doel van de reis is bereikt. Dat het is volbracht. Of lonkt een zeker isolement? Voor de punt van het schiereiland Dingle ligt zo'n bestemming. De Blasket Islands liggen als een flottielje reusachtige galjoens voor de kust. Nee, de pont vaart niet, vandaag niet, en de rest van de week ook niet meer. De restanten van een orkaan zijn zojuist overgetrokken. De tenen van de eilanden steken in opspattend schuim. Wie voet wil zetten op Great Blasket Island, ooit de westelijkste nederzetting van Ierland, moet overstappen in een dinghy, en dat is met een deining van enkele meters een te riskante onderneming.

De laatste bewoners, nog 22 in getal, verlieten in 1953 het eiland. Vanaf Dunquin op Dingle zijn in de schaduw van de bijna 300 meter hoge berghelling de huizen nog te zien - geraamtes van donkere steen, maar een enkele woning nog gepleisterd, zomerhuisjes voor wie de afzondering koestert.

Het was op het laatst toch een volkje van vissers geworden (meer dan 150 hebben er vermoedelijk nooit gewoond), die in hun naomhóg, een kano met ribben van eik of es, overtrokken door geteerd canvas, de netten uitwierp voor zalm en makreel en de fuiken uitzette voor kreeft. In vroegere tijden leefden ze vooral van aardappels en melk, vissen deden ze alleen met lijnen vanaf de rotsen. Later, toen de samenleving van het vasteland langzamerhand de Blaskets op sloop, trokken ze om de zoveel weken naar Dingle, om op het postkantoor post en pensioentjes op te halen, 15 kilometer te voet, een stoet van mannen in donkere wollen kleren. De uren erna zwaaiden ze in de pubs beneveld met de vuisten. Waar anders moesten ze hun geld aan uitgeven dan aan Jameson en Bushmills? Maar de jongeren zagen geen heil in zo'n voorland en trokken steeds meer weg. Ze zochten hun heil meer in Boston dan in Dublin. Vooral de meiden vertrokken, om als huishoudster of oppas in Massachusetts te gaan werken. De school sloot in 1931.

Aan het begin van de 20ste eeuw werd het merkwaardig genoeg alsnog ook een eiland van schrijvers. Linguïsten moedigden bewoners als Tomás Ó Criomhthain, Muiris Ó Súilleabháin en Peig Sayers aan hun verhalen over vroeger op papier te zetten. Het leverde klassiekers in de Ierse literatuur op, verplichte kost in de Gaeltacht.

In januari 1954 was het echt gedaan. Het was een bejaarde vrouw die als laatste vertrok. Ze huilde toen ze de pier van Dunquin opliep. Nu is het eiland van de konijnen, ezels en papegaaiduikers en van de voorbijgangers van wie de meesten hier maar enkele uren rondlopen.

Een schiereiland lager lonken de Skelligs als een alternatief einddoel van de reis. In blauwgrijs vertonen hun puntrotsen zich op de kim vanuit Portmagee. Maar de schippers in het haventje mopperen. Negen dagen aaneen liggen ze al stil, en het ziet ernaar uit dat de overtocht naar de eilanden ook deze hele komende week met aanhoudende windkracht zes of meer er niet inzit.

De verlaten status geldt hier al veel langer. Op het kleinste eiland van de twee hebben altijd alleen maar jan-van-genten gezeten, en stormvogels en zeerobben. Op het grotere Skellig Michael verbleven monniken, van de zesde tot de twaalfde eeuw. Veel waren er niet tegelijkertijd, twaalf hooguit, met een abt. Op een hoogte van bijna 300 meter verbleven ze in hun stenen koepels, opgetrokken in de vorm van een bijenkorf. Drie trappen met zo'n zeshonderd treden hebben ze in de rotsen uitgehouwen. Monnikenwerk, wat u zegt.

Ze zouden in dit zelfverkozen volledige isolement de nabijheid van de Allerhoogste hebben ervaren, in het opspattende schuim van de brekers in de diepte bijvoorbeeld, of een trillende vleugeltip van een jan-van-gent. Naar verluidt spraken ze zelfs niet met elkaar. En dan nog is er iets hogerop een plekje uitgehakt voor de ware heremiet. Maar er doen ook minder romantische interpretaties over hun bestaan de ronde: uitzending naar de barre rotsen kan volgens historici evengoed een straf van de orde zijn geweest.

Als laag avondlicht nog even het water in de haven van Portmagee laat fonkelen en de Skelligs in de beginnende schemering even naderbij lijken gekropen, gloort alsnog de hoop op een overtocht. Maar de mededeling dat de afgelopen jaren twee toeristen met fatale gevolgen van de trap zijn getuimeld en dat de autoriteiten sindsdien voorzichtiger zijn dan ooit, leidt tot het besef dat het wederom bij smachten naar de laatste verte zal moeten blijven. Er zit niets anders op dan 's avonds in The Bridge Bar mee te zingen met de huisvrouw in haar streepjestrui met een prachtstem.

Living on your western shore,

Saw summer sunsets, I asked for more,

I stood by your Atlantic Sea,

And sang a song for Ireland

Aan de iets minder onstuimige zuidkust lukte het wel de laatste schil te bereiken, en zowaar, als Mary O'Driscoll de bezoekers heeft uitgezwaaid, is 'ie buitengaats toch ineens even zichtbaar, de Fastnet, speldenknop over bakboord.

En de traan van Ierland blijkt deze avond toch veel meer onder handbereik te liggen dan die vermaledijde verre rots. Op Sherkin Island spelen Tony en Sean in de pub van het hotel Islander's Rest. Kilkelly bevat de hartverscheurende briefwisseling tussen ouders en hun zonen, die tijdens de hongersnoden tussen 1845 en 1850 hun uitgemergelde land ontvluchtten. Het gaat over het lege huis, de mislukte aardappeloogst, de bezorgdheid over het nieuwe verre leven, vergeefs verlangen naar een weerzien en ten slotte de dood: eerst moeder, dan vader.

De pub wordt stil, de pints blijven even onaangeroerd. Kilkelly mag dan honderden kilometers noordelijker liggen, in Donegal, maar het graafschap West Cork werd destijds net zo hard geraakt, en vanaf dat moment zette ook op Sherkin Island de leegloop in. Tony en Sean weten dat misschien ook, want zij zijn van Skibbereen, West Cork. Of liggen de emoties nu eenmaal wat dichter onder de oppervlakte op een laatste station, zoals deze eilanden in Roaringwater Bay?

De ontnuchtering volgt snel. Tony en Sean zetten de Engelstalige versie van Het kleine café aan de haven in. Zwieren. Handjes in de lucht. Natuurlijk bestaat isolement niet, zelfs niet aan deze rand. We wisten het eigenlijk al. Op de terugweg van de heuveltop met ruïnes op Cape Clear was het oog op een camping gevallen. Het veldje was goeddeels gevuld met tipi's en yurts, de tenten van indianen en Mongolen. En nota bene Mary O'Driscoll zei dat ze ze hartstikke mooi vond.

www.discoverireland.ie

OVERTOCHTEN

Bezoekers van de Ierse eilanden moeten er rekening mee houden dat boten kunnen uitvallen als gevolg van slechte weersomstandigheden. Buiten het seizoen daalt vaak de frequentie van de overtochten. Soms gaan er helemaal geen boten meer, maar kan er bij schippers nog wel privé worden geboekt.

Great Blasket Island

Overtochten vanuit Dunquin op de uiterste punt van het schiereiland Dingle. Duur: 15 minuten. Prijs: volwassenen 25 euro, kinlderen 15 euro. www.blasketislands.ie, www.blaketisland.com

Er vertrekken ook boten vanuit Dingle. Duur: 45 minuten. Prijs: 30 euro per persoon.

www.dinglebaycharters.com

Nabij Dunquin op het vasteland ligt ook een bezoekerscentrum met informatie over de Blaskets. Met maquettes, vaartuigen, film en boeken

Skellig Islands

De meeste maatschappijtjes vertrekken van het haventje van Portmagee. Duur van de overtocht: 45 minuten. Prijs: volwassenen 27,50 euro, kinderen 14,50 euro. Boeken kan bij het bezoekerscentrum aan de overkant, The Skellig Experience op Valentia Island. Film, modellen, foto's, souvenirs, restaurant. www.skelligexperience.com.

Cape Clear

Overtochten vanaf Baltimore (het hele jaar door) en Schull. www.cailinoir.com. www.capeclearferries.com. Vanaf 16 euro retour.

Sherkin Island

Overtochten vanuit Baltimore. Duur: 10 minuten. Prijs: vanaf 10 euro per persoon. www.sherkinisland.eu.

WANDELEN

De ervaren wandelgids John Ahern, die diverse routes heeft uitgezet in het zuidwesten van Ierland, komt er eerlijk voor uit: trekken door Ierland met een tentje op je rug vindt hij minder aantrekkelijk, zo niet eigenlijk maar niks.

'Als je 's morgens opstaat, moet je je geen zorgen maken over zoiets lastigs als natte spullen. Je moet je volledig kunnen concentreren op je route. Tijd hebben om te beseffen dat onder elke voetstap 3000 jaar geschiedenis zit.'

Voor een wandeling over de eilanden in het zuidwesten van Ierland volstaat meestal een stevig dagdeel. Hou rekening met stevige klimmetjes en hier en daar zompige ondergrond. Zeker in de zomermaanden is niet overal voldoende accommodatie voor een overnachting beschikbaar. Let daarom ook goed op de vertrektijden van de laatste ferry's.

Op het vasteland zijn, afgezien van korte lokale routes, ook meerdaagse wandelingen uitgezet en bewegwijzerd. Onderweg staan veel Bed & Breakfast's, maar ze zijn niet allemaal alle seizoenen geopend. Dit zijn de belangrijkste en mooiste wandelroutes:

The Dingle Way

The Dingle Way is 153 kilometer en begint en eindigt in Tralee. De route is onderverdeeld in 15 gedeeltes die elk in een halve dag te belopen zijn.

The Kerry Way

The Kerry Way is 214 kilometer, begin- en eindpunt in Killarney. De route in 21 secties volgt goeddeels op de afstand de 's zomers druk bereden Ring of Kerry, maar kruist die ook hier en daar.

The Beara Way

The Beara Way is 200 kilometer, op te pikken in Kenmare of Glengariff en voert over een wat minder bekend, maar landschappelijk rijk schiereiland. Altijd zicht op zee of berg.

www.irishtrails.ie

www.southwestwalksireland.com

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden