Eigenzinnig met zijn allen

De Nederlander verzet zich haast ritueel tegen door de overheid opgelegde regels. Fietshelm? Belachelijk. Totdat het 'mag' van de groep, betoogt Sander van Walsum.

Een helmplicht voor gewone fietsers. In Duitsland geeft het thema nu vanwege een letselschadezaak aanleiding tot een geanimeerde discussie. En Nederlanders reageren dan, vanzelfsprekend, geamuseerd. Britten, Fransen, wie zijn hoofd op de fiets ook beschermd, in Nederland kan hij gepaste hoon verwachten. Niet nodig, zeker niet voor ons, want wij kunnen fietsen.

Wat is dat? Zijn wij Nederlanders zulke waaghalzen?

Een jaar of twintig geleden gingen in Nederland ook stemmen op voor de invoering van een helmplicht. Deskundigen voorzagen massale weerstand tegen de helm - hoe hip die er ook mocht uitzien. Daarbij verwezen zij naar onze mooie fietspaden, die zo'n helmplicht volkomen overbodig zouden maken. En naar de vrijheidsliefde van de Nederlander, die kennelijk onverenigbaar werd geacht met een kunststof helm.

Het voornaamste bezwaar klonk door in de reactie van kinderen die aan een proef met een fietshelm hadden deelgenomen: ze waren bang ermee voor joker te lopen. Met de uitvoering of de kleurstelling van het ding had dat niets te maken, maar des te meer met de overweging dat zij als helmdrager tot een minderheid hadden behoord. En dat wil de vrijheidminnende individualist waarvoor de Nederlander doorgaat graag voorkomen. Individualisme? Prima, maar dan wel in groepsverband - binnen een veilige bandbreedte van conventies. Zoals ook motorrijders in het weekeinde de vrijheid doorgaans in colonne vieren. Voor hen staat de helm daarmee overigens niet op gespannen voet. Integendeel: die is een deel van hun groepsidentiteit.

Want dat is op die vermeende Nederlandse vrijheidsliefde wel af te dingen. De acceptatie van overheidsvoorschriften die inbreuk maken op de keuzevrijheid van het individu is afhankelijk van het oordeel van de groep. De invoering van de helmplicht voor bromfietsers, in 1975, riep aanvankelijk ook enige weerstand op bij de blije vrije rijder. Totdat diens modegevoeligheid het aflegde tegen een hoger gebod: dat van het lijfsbehoud. De helmplicht leidde immers evident tot minder verkeersdoden.

De helm was in een mum van tijd een geaccepteerd verschijnsel. Net als de bob achter het stuur en de autogordel op de achterbank. De rituele weerstand die zij eerst opriepen - wat in het geval van de bob ook samenhing met het feit dat het verschijnsel zijn origine vond in België - legde het spoedig af tegen gezond eigenbelang. Dat liep synchroon met het overheids- en collectief belang.

undefined

Collectief plezier

Dat is natuurlijk ook het geval bij het rookverbod in de horeca en het alcoholverbod voor jongeren onder de 18 jaar, al is hier het gezamenlijk belang minder evident. De schade die roken en overmatig alcoholgebruik teweegbrengen, wordt pas op termijn zichtbaar. Gebruikers nemen welbewust een risico - dat ze beheersbaar achten. En, belangrijker, roken en drinken zijn bepalend voor een groepsidentiteit. Ze zijn onlosmakelijk verbonden met collectief plezier, of wat daarvoor doorgaat. Zo moest in mijn woonplaats, Haarlem, een feest voor de bovenbouw van een middelbare school worden afgelast vanwege het alcoholverbod voor jongeren. Geen alcohol, geen feest. Zolang innemers de behoefte voelen op te snijden over de houten kop na een avondje stappen en zolang roken sociaal prestige verschaft, zal dit consumptiepatroon moeilijk te doorbreken zijn.

Temeer daar dat op voorspraak van een overheid gebeurt. Als een overheid zich met de geneugten van de burger gaat bemoeien, vervalt de laatste al snel in de contramine. Dat heeft de Nederlander het imago van eigenzinnigheid verschaft. Hij verzette zich in 1886 tegen het voornemen van de overheid een einde te maken aan het palingtrekken, een volksvermaak waartegen de goede smaak van de elite zich verzette. Bij dat oproer vielen 26 doden. En hij maakt vandaag de dag zelf wel uit of hij zich iets aantrekt van een rood voetgangerslicht of van het bordje 'verboden het gras te betreden'.

Met deze trek onderscheiden we ons inderdaad wel wat van de Duitsers. Daarvan was Theobald von Bethmann Hollweg, rijkskanselier tijdens de Eerste Wereldoorlog, zich terdege bewust. In september 1914 ontvouwde hij plannen voor een soort Europese Unie waarvan ook Nederland deel zou moeten uitmaken. Dit arrangement zou 'met het oog op de bijzondere aard van de Nederlanders gespeend moeten zijn van ieder gevoel van dwang', schreef hij. Tegenwoordig staan die ongezeglijke Nederlanders te boek als locker, een positieve kwalificatie van Duitsers die zelf menen dat ze te veel aan het lijntje lopen. Inderdaad respecteren ze 's winters zelfs in het recalcitrante Berlijn het verbod om op bevroren oppervlaktewateren te schaatsen, ook al is de ijsvloer een halve meter dik. Op plaatsen die voor deze liefhebberij zijn opengesteld, schaatsen ze in groepsverband - mét een valhelm op. Voor hen getuigt de neiging van Nederlanders om na een paar nachten matige vorst het krakende ijs met priemen te betreden van een ware doodsverachting.

undefined

Veiligheidsutopie

Maar de weerspannigheid van de Nederlander is slechts heel betrekkelijk. Een zekere mate van ongehoorzaamheid is vooral cool - al zou niet iedereen het zo wensen te noemen. Maar daarin overdrijven we in de regel ook weer niet: het lijntje met de overheid moet niet breken. Uiteindelijk zijn we aan een zekere consensus gehecht. En we mopperen graag over de overheid omdat we ook iets van haar verwachten. Sterker: we verwachten meer van de overheid dan ooit tevoren. Vroeger hoefde de overheid ons niet te beteugelen omdat de meesten van ons dat zelf wel deden. Maar nu leven we, in de woorden van de criminoloog Hans Boutellier, in 'een samenleving met een hoog niveau van normoverschrijding, een relatief onmachtige nationale overheid en een afname van civiele samenhang'.

De burger eist maximale vrijheid, maar ook optimale bescherming tegen de risico's die zijn vitaliteit met zich meebrengt. 'Veiligheidsutopie', noemde Boutellier deze paradox in zijn gelijknamige boek. Die heeft vele verschijningsvormen: het elastiek van de bungeejumper op het omslag van Boutelliers boek dat de betrokkene voor een dodelijke val behoedt, stoplichten, eenrichtingsborden, flitspalen, bromfietshelmen, veiligheidsriemen en, in de nabije toekomst, fietshelmen. Want die zullen zeker gemeengoed worden. Zodra het 'mag' van de groep. Zo raar als het was voor de kinderen van twintig jaar geleden, zo veel gebruikelijker is het nu al voor de kleintjes - net als voor racefietsers trouwens. Als het aantal dodelijke fietsongelukken daar aanleiding toe geeft en als we niet langer het idee hebben met zo'n ding voor joker te lopen, hebben wij een helm op.

undefined

GEACCEPTEERDE GEBODEN

BROMMERHELM

Sinds 1 februari 1975 is het dragen van een goedgekeurde helm voor bromfietsers verplicht. Vanaf de jaren zestig nam het vrijwillig gebruik al toe. Na de invoering van de draagplicht werd deze snel algemeen geaccepteerd. Negen op de tien bromfietsers draagt nu een helm.

AUTOGORDELS

In 1972 droeg 20 procent van de voorinzittenden een gordel. Het was het jaar met het hoogste aantal verkeersdoden onder automobilisten. Sinds de verplichting in 1975 neemt het gordelgebruik toe en het aantal dodelijke ongelukken af. De gordelplicht voor alle passagiers ging per 1 mei 2008 in. In 1990 was het draagpercentage op de achterbank 20 procent, in 2010 82 procent.

BOB

Het succes van de bob-campagne is af te lezen aan een sterke daling van het aantal alcoholincidenten in het verkeer sinds de start ervan in 2001. Het aantal automobilisten dat met een slok te veel achter het stuur kruipt, is vergeleken met tien jaar geleden bijna gehalveerd. Dat geldt ook voor het aantal gewonde bestuurders met een promille van 0,5 of meer.

ROOKVERBOD

Sinds de invoering van de tabakswet in 1990 is deze herhaaldelijk aangescherpt, onder meer met een verbod op reclame en sponsoring, inperking van verkooppunten en verplichte waarschuwingen op de verpakking. Met succes: het aantal rokers is sinds de jaren tachtig bijna gehalveerd en daalt nog elk jaar. Het rookverbod in de horeca vanaf 1 juli 2008 is inmiddels ingeburgerd.

ALCOHOLVERBOD

Sinds 2003 neemt het alcoholgebruik onder minderjarige jongeren langzaam af. 'Binge drinking' is echter nauwelijks verminderd. Het verhogen van de leeftijdsgrens voor alcoholgebruik naar 18 jaar op 1 januari van dit jaar moet nu zijn vruchten gaan afwerpen.

Bronnen: SWOV, STIVA en Nationaal Kompas Volksgezondheid.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden