Eeuwenoude moord achtervolgt Vaticaan

Ze worden Taborieten genoemd. Of Hussieten. Het waren protestanten avant la lettre. Vanaf een hoge heuvel, waarop nu het stadje Tabor ligt, trokken ze bloedige sporen door het middeleeuwse Europa....

De Tsjechische gids verstart. Twee Nederlanders zijn de de koele Dekansky-kerk uitgeslenterd, steken het verzengend hete Zizkovoplein over en dumpen hun rugzak op een grijze, stenen tafel aan de rand van het hooggelegen marktplein van het stadje Tabor.

De Nederlanders gaan op het tafelblad zitten, genietend van de schaduw van het witte Hussieten Museum. Hun hond snuffelt onder tafel naar de beste plek voor een plasje.

Voor Tsjechen is niet veel heilig, maar de twee eenvoudige tafels bij de museumpoort betekenen veel in Tsjechië. Tomas Masaryk, de eerste president van Tsjechië, zei na zijn benoeming dat wat er in Tabor is gebeurd voor de Tsjechen even wezenlijk is als de Franse revolutie voor de Fransen.

De verontwaardigde gids zou de Nederlanders het verhaal van de twee tafels kunnen vertellen, maar hij houdt zich in. Met een boze blik beent hij verder met een groepje oudere Tsjechen die de 'geheimzinnige' catacomben onder het museum willen zien.

Tabor zit vol nep-mysteries. Er zouden in de diepte gevangenen zijn opgesloten. Vrouwen en kinderen schuilden er als de vijand voor de poort stond. 'Aan die kelders is echt niks bijzonders', zegt Michal Cerny van het museum en haalt zijn schouders op wanneer hij de dagelijkse rij mensen ziet staan voor de trap naar beneden. Cerny: 'Het waren gewoon bierkelders.'

Maar die tafels bij de ingang zijn wél bijzonder. In de late Middeleeuwen is er het avondmaal gevierd, plechtig en met gebed. Maar zonder priester. Dat bracht de kerk tot razernij en daar heeft het Vaticaan spijt van, tot op de dag van vandaag.

De kerkelijke woede is begrijpelijk. Als gelovigen zelf het avondmaal gaan houden - en dat gebeurde aan die twee tafels - zijn priesters overbodig en dat raakte de kerk in het financiële hart.

Bijna elke kerkelijke functie was te koop. Of iemand kardinaal wilde worden, of bisschop, of dorpspastoor, het kon allemaal. Tegen betaling. Er zijn zelfs pausen die op die manier de top bereikten.

Simonie heet het systeem. Maar niemand zou nog een ambt kopen, als collectezakken en offerbussen leeg blijven. Er werd geknaagd aan de wortels van de enige multinational uit de Middeleeuwen.

Maar de paus kon aan de 'verderfelijke praktijken' weinig doen, zeker niet in Tabor. Nu is het een fleurig stadje waar alles wordt gerestaureerd wat te restaureren valt. Maar aan het begin van de 15de eeuw was het de legerplaats van het volk. Uit heel Europa stroomden verarmde boeren en handwerkslieden toe en bouwden er palissaden en ontwierpen hun eigen wapens.

De muren van het museum hangen er vol mee. Een palcat hangt er, een knuppel doorboord met spijkers. En er zijn duplicaten van de eerste pistolen en tekeningen van kanonnen die, voortgeduwd in het terrein, waren gepantserd met dikke balken.

In een hoek hangt een zwaar musket, waarmee ook vrouwen konden schieten. Zij werden in Tabor als volstrekt gelijken beschouwd, hetgeen ze op het slagveld bewezen. Ze konden schieten zonder hun sleutelbeen te breken. Een haak aan de voorkant van de loop ving de terugslag op.

De Taborieten, een gemeenschap zonder priesters waar alle bezit werd gedeeld, was een militaire machtsfactor in woelige tijden. Over hun krijgskunst doen vreemde verhalen de ronde. Bijvoorbeeld over de smalle keienstraatjes die heuvelafwaarts kronkelen, terwijl andere straten vrijwel recht naar beneden leiden.

De kronkelstraatjes moesten vijandelijke binnendringers doen verdwalen, zoals tegenwoordig de toeristen doen. De rechte straten waren exclusief bestemd voor de verdedigers die snel aan de voet van de heuvel waren als de vijand de poort rammeide.

Het is flauwekul, zegt Cerny en voert zijn bezoeker mee door onnavolgbaar kringelende straatjes naar het kantoor van de historicus Zdenak Vybiral. Daar vallen de stukken van de geschiedenis in elkaar.

Het lieflijke, welvarende Bohemen was na 1350 verworden tot een land des doods. Het had een flink deel gekregen van de builenpest die in Europa ruim twintig miljoen mensen velde. En dan waren er nog de plunderende krijgsheren, de misoogsten en de hebberige kerk.

Hemelsbreed, op nog geen honderd kilometer bezuiden Praag, stond voor alle ontheemden Tabor open, een schuilplek gelegen op een machtige heuvel, in de diepte omringd door water. De beek Tismenický en de rivier Luznice komen er samen en in het noorden ligt een meer dat de bijbelse naam de Jordaan kreeg.

Aan de voet van de heuvel staat de stokoude kasteeltoren Kotnov. Die is niet door de Taborieten gebouwd, wel versterkt. In primitieve mijnen uit vergeten tijden werd zilver gewonnen en opgeslagen in de toren, want er was in welvarender tijden behoefte aan kleingeld dat zijn waarde niet ontleende aan het gewicht in goud.

Waar de mijnwerkers zijn gebleven, weet niemand, maar op de heuvel zijn de resten teruggevonden van hun huizen en hun ovens. De plek was vrijwel verlaten, toen de jaren van builenpest en geweld aanbraken. Vluchtelingen stroomden naar de heuvel. Ze bouwden huizen en versterkingen op de restanten van de vroegere woningen.

Een van de belangrijkste groepen vormden de Adamieten, die niet bepaald een kuis leven voorstonden. Dat leven duurde niet lang, maar dat lag niet aan het Vaticaan. Zo rechtlijnig is de geschiedenis niet.

Er waren in die bange tijden priesters die de hebzucht van de kerk verfoeiden en ook de verwaarlozing van de gelovigen en hun noden. Een van de 'ketters' was Jan Hus, rector van de universiteit in Praag. Hij wist wat armoe was.

Bijna op de grens met Beieren, in het lintdorp Husinec, is het kleine, sobere huisje herbouwd waar Hus opgroeide. Daar is de tekst bewaard van een brief die Hus als student in Praag aan een vriend schreef over de honger die hem als kind achtervolgde.

Als 's avonds aan tafel ieder een stuk brood kreeg en een handvol gekookte erwten, moest hij zich bedwingen 'zijn lepel niet door te slikken' om toch iets substantiëels binnen te krijgen.

In Praag kreeg Hus massa's aanhangers, van hoog tot laag. Zijn preken in de Praagse Bethlehemkapel (in 1950 herbouwd) deden het gebouwtje uitpuilen. Tegen hun zin moesten zijn meerderen hem verbannen uit de stad. Het gebeurde op last van hogerhand.

Vanuit Praag zijn Hus' sporen uitgewist, maar ze duiken weer op een kilometer of twintig buiten Tabor. Hus kreeg een half jaar na zijn verbanning onderdak aangeboden in het kasteeltje Kozi Hrádek, nu een ruïne waar vooral Tsjechische mountainbikers komen. Niet alleen voor Hus, maar ook voor de dorstlessende capaciteit van een biertuin waaraan in eeuwen niets lijkt te zijn veranderd.

In mei 1414 moet Hus vanuit het kasteeltje nog een bezoek hebben gebracht aan Praag, misschien om iemand de vier boeken te laten lezen die hij op Kozi Hrádek had geschreven, waaronder zijn pleidooi tegen de simonie. Hus' standpunt was dat tussen God en gelovige geen intermediair (lees: kerk) hoeft te staan.

Die ideeën werden zijn doodvonnis. Hij werd uitgenodigd zijn standpunten te verdedigen op het concilie van Konstanz. Hus twijfelde, maar wilde voorkomen dat de paus in Bohemen een kruistocht zou houden. Hij kreeg een vrijgeleide en maakte de reis toch. Het werd zijn laatste. In de zomer van 1415 werd hij op de brandstapel gezet en zijn as werd in de Rijn gegooid. Veel aanhangers wachtte dezelfde dood.

Het effect was desastreus voor het Vaticaan. Het Boheemse volk was razend. De adel, die sympathie had voor Hus' gematigde ideeën, ventileerde zijn woede openlijk. En edellieden die geen uitgesproken mening hadden, verklaarden zichzelf ineens tot Hussiet. Dat was niet onhandig.

Want in Tabor - en dat is in de geschiedenisboeken weggemoffeld - waaide een nieuwe wind. Temidden van de sociale onrust in Bohemen was een krijgsheer opgestaan uit het gewone volk: de halfblinde smid en ex-huurling Jan Zizka uit Trocov.

Het plein waaraan het Hussieten Museum staat, is naar hem genoemd. Zijn standbeeld staat er ook, zoals in bijna elke Tsjechische stad. Zizka greep naar dezelfde methoden als het Vaticaan. De Adamieten, die in Tabor in de meerderheid waren, werden verjaagd of verbrand op de binnenplaats van een naburig klooster.

Meer naar het westen veroverde hij met coalitiepartners het machtige kasteel in Rabi, hoewel het nog niet zo veel poorten en muren had als nu. Terloops werden negen monniken uit hun nabije klooster gejaagd en op de brandstapel gezet.

In het museum hangen vergeelde kaarten waarop te zien is hoe de Taborieten een verrassingsoorlog voerden. Tot ver buiten Bohemen hielden ze hun 'kruistochten', katholieke vorsten berovend van grond, geld en goed.

Aanvoerder Jan Zizka gunde het veroverde gebied aan adellijke lieden die zijn beweging steunden. De steun was er volop, want elke edelman wist dat hij kansloos was als Zizka's buitengewoon mobiele huifkarren voorreden.

Ongeveer vijf jaar na Zizka's dood werd het vaak belegerde Tabor zelf veroverd. Maar de overwinnaars sloegen niet aan het moorden en plunderen. De bevolking werd met respect behandeld. Wie in Tsjechië langs stille weggetjes en paden wandelt, ontdekt de reden.

In oude kruisbeelden, en ook in minder oude, is vaak een afbeelding gebeiteld van een glas of een hostie. Of allebei. Het zijn de symbolen van de aanhangers van Jan Hus en die aanhangers zijn overal.

Geen Tsjech is verbaasd dat iedereen in de jaren negentig probleemloos de grond terugkreeg die tijdens het communistisch bewind was genationaliseerd. Iedereen, behalve de katholieke kerk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden