Nieuws

Eerste waterstoffabriek nog dit jaar de Noordzee op

Een gasboorplatform in de Noordzee, vlak bij de kust van Ameland. Beeld Joost van den Broek

Waterstofproductie op zee kan overbelasting van het hoogspanningsnet voorkomen en overbodige olie- en gasplatformen nieuw leven inblazen. De Noordzee krijgt eind dit jaar een eerste fabriekje.

De toekomst van de Noordzee als waterstofakker begint eind dit jaar. Dan zet een consortium van bedrijven een zeecontainer met daarin een waterstoffabriekje op een oud olie- of gasplatform. Stekker erin, en met de windstroom van een naburig windpark maakt het fabriekje waterstof, de brandstof van de toekomst.

Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft voor dit plan eind vorig jaar het groene licht én het benodigde geld gegeven. Nog geen twee ton, maar een aardig beginnetje voor wat een miljardenindustrie moet worden. Met dat geld gaat het waterstofconsortium North Sea Energy drie dingen uitzoeken. In de eerste plaats: welke techniek is nu eigenlijk het meest geschikt om op zee waterstof te maken? En in de tweede plaats: op welk platform komt hij te staan? En hoe gedragen hydrolyzers zich in de rauwe condities op zee?

Zeecontainer

Die eerste hydrolyzer, zoals de waterstoffabriek heet, is nog wel een overzichtelijk ding. Hij zal passen in een zeecontainer, en als hij straks is geïnstalleerd op een van de oude gasplatforms die daarvoor in aanmerking komen, zal hij met zijn vermogen van één, hooguit enkele megawatten, vanaf eind dit jaar 17 kilo waterstof per minuut gaan maken. Of misschien 34 kilo: in ieder geval geen hoeveelheden die de Nederlandse energievoorziening op zijn kop gaan zetten.

Nog niet. Maar op termijn is precies dat de bedoeling. De Noordzee zal in hoog tempo worden volgebouwd. Nu is nog maar 1 procent van het Nederlandse deel van de Noordzee in gebruik voor windparken, maar rond 2030 zal dit een aanzienlijk deel zijn. Het vermogen van die molens bij elkaar zal dan zijn opgelopen van één gigawatt nu naar 12 gigawatt. Die molens produceren zoveel stroom dat hoogspanningsbedrijf Tennet het nog net aankan. Komen er nog meer molens, en die komen er, dan ontstaat er na 2030 op weg naar de kust een file, niet van badgasten op weg naar zee maar van elektronen op weg naar land. En dan moeten de machtige molens worden stilgezet.

Natuurlijk kan Tennet als een razende dure hoogspanningsleidingen aanleggen, diep het land in. Maar het kan ook anders. Als we die overvloed aan goedkope energie nu eens zouden gebruiken om waterstof te maken? René Peters van TNO is er, in samenwerking met de industrie, al jaren mee bezig. ‘Van alle energie die we gebruiken is maar 20 procent elektriciteit. De rest is voornamelijk warmte, voor de industrie en voor verwarming, vooral van woningen. Daarvoor kun je uitstekend waterstof gebruiken, en dat kun je op zee maken uit windstroom.’ Dat is veel goedkoper dan de stroom naar land te brengen en er daar waterstof mee te maken. ‘Het is tien maal duurder om energie te transporteren in de vorm van elektriciteit dan in de vorm van waterstof’, zegt Peters.

Samenwerking

De proef met het waterstoffabriekje wordt uitgevoerd door een groep bedrijven en instellingen onder de naam 3P2GO: Power To Gas Offshore. De groep bestaat uit TNO, Energie Beheer Nederland EBN (voor de staat aandeelhouder in alle winningslocaties van olie en gas), Nexstep (de organisaties van de offshore industrie om de kosten van het slopen van Noordzee-platforms te drukken), en de platformexploitanten NAM, Total, Taqa en Neptune.

Dunkelflaute

Een waterstofindustrie op zee kan bovendien de oplossing zijn voor een van de grote problemen in een toekomst met vooral hernieuwbare, weersafhankelijk energie van zon en wind. De Dunkelflaute. Het gaat om de winterse (dus op zich al relatief donkere) periodes van dagen, soms weken, waarin geen glimp zon te zien is en waarin de wind nagenoeg afwezig is. Sta je daar met je zonne- en windparken.

Een van de oplossingen is elektriciteit op te slaan in grote batterijen, maar dat is niet te betalen. Nog wel als het gaat om dagelijkse dipjes van minuten, uren desnoods op te vangen, maar niet om hele landen dagenlang van stroom te kunnen voorzien. Energie opslaan in batterijen is honderd maal duurder dan opslaan in de vorm van waterstof, zo brekende certificeringsinstituut Kiwa vorig jaar.

Het geld is er, nu moet het consortium gaan kiezen op welk platform het eerste waterstoffabriekje komt te staan. Er zijn vier kandidaten: een van de NAM, een van Taqa, een van Total en een van Neptune. De gelukkige winnaar moet liefst op het stroomnet op zee worden aangesloten, want stroom is essentieel.

Plaatsing van de hydrolyzer is een betrekkelijk eenvoudige klus. De pilot is bedoeld om te zien hoe de hydrolyzer zich op zee gedraagt. Want het moge simpele techniek zijn, je moet bijvoorbeeld wel heel schoon water gebruiken. Zout water kan niet: dat levert bij elektrolyse geen waterstof op maar chloorgas. ‘Misschien gaan we zeewater ontzilten, misschien is het opvangen van regenwater al voldoende’, zegt René Peters van TNO.

Eiland in de Noordzee

Binnen enkele jaren verwacht hij hydrolyzers van tientallen, uiteindelijk van honderd megawatt op gasplatforms te kunnen plaatsen. Maar om het echt groot aan te pakken, is het wachten op iets anders: een eiland in de Noordzee. Aan dat idee wordt al hard gewerkt. Het Nederlandse hoogspanningsbedrijf Tennet, de inititiatiefnemer die het eiland de doopnaam North Sea Wind Power Hub gaf, werkt daartoe al samen met zijn gelijken in Denemarken en Duitsland en met Gasunie.

Maar realisatie daarvan duurt nog wel tot 2040.

Sloop gasplatforms kost miljarden

Als er één bedrijfstak is die niet kan wachten tot die waterstofrevolutie op de Noordzee alle fossiele energie overbodig komt maken, dan is het wel die fossiele industrie zelf. De olie- en gasmaatschappijen staan te dringen om mee te doen. Vier van hen, NAM, Total, Neptune en Taqa, dingen naar het voorrecht om als eerste een waterstoffabriekje op één van hun gasplatforms te mogen huisvesten.

Dat lijkt raar, want het doel van waterstofproductie is juist om hún aardgas uit de markt te drukken. Maar voor de energiemaatschappijen staat er iets heel anders op het spel: miljarden aan sloopkosten. Een groot deel van de olie- en gasplatforms op de Noordzee zal de komende jaren overbodig worden. De meeste olie- en gasputten lopen op hun einde. Voor 2030 zal een groot deel gesloten zijn. En op het moment dat de exploitant besluit de productie te staken, is die verplicht om het gevaarte te verwijderen, inclusief de overbodig geworden pijpleidingen. Tenzij ze voor andere doelen kunnen worden gebruikt.

Op de hele Noordzee staan zeshonderd van die installaties, die genoeg staal bevatten om zeven jaar lang alle nieuwe auto’s voor de Nederlandse markt van te maken. De kosten van de sloop van al die installaties komen volgens Energie Beheer Nederland EBN uit op 100 miljard euro.

De sloop van alle rond 150 installaties op het Nederlandse deel, gaat volgens schattingen van dit staatsbedrijf 5 miljard euro kosten. De rekening daarvoor komt echter grotendeels niet terecht bij de exploitanten. Een onevenredig groot deel van die kosten zijn voor rekening van staatsonderneming EBN zelf, en dus in feite voor rekening van de schatkist.

70 procent sloopkosten voor Staat

EBN heeft in elk van de platforms een belang van 40 procent, en moet uit dien hoofde dus al 40 procent van de kosten betalen. Je zou denken dat de exploitanten dus 60 procent moeten betalen, maar zo werkt het niet. Dankzij fiscale regels (de exploitanten kunnen deze kosten aftrekken van hun winst en betalen daardoor minder belasting) zal uiteindelijk 70 procent van de sloopkosten voor rekening komen van de staat, zo becijfert EBN. En dat komt dus neer op rond 3,5 miljard euro.

Resteert voor de olie- en gasmaatschappijen een kostenpost van rond 1,5 miljard. Die zijn er niet erg happig op om die kosten te nemen, erkent Jo Peters van Nogepa. Nogepa is de belangenorganisatie van de veertien bedrijven die in Nederland olie en gas produceren. ‘Onze leden kijken in de eerste plaats of sloop wel nodig is. Kan zo’n platform niet op een alternatieve manier worden gebruikt?’

Daar zijn niet veel mogelijkheden voor, maar de energietransitie biedt twee lonkende perspectieven. Het kabinet wil CO2 onderzees opslaan. Iedere operator is aan het onderzoeken of zijn platform niet kan worden ingezet voor dit doel. De andere kans is het huisvesten van een waterstoffabriekje. Misschien zijn daarvoor uiteindelijk maar tien platforms nodig, maar dat zou al enkele honderden miljoenen aan sloopkosten kunnen schelen.

De geproduceerde waterstof kan voorlopig gemakkelijk worden gemengd met de stroom aardgas die nog altijd stroomt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.