Eerst maar proberen om weer te lopen

Ernstig gewonde militairen uit Uruzgan leren in het militair revalidatiecentrum in Doorn wat ze nog kunnen. ‘Bij het trappenlopen blokkeren mijn enkels....

Militair invaliditeitspensioen
JEROEN JANSSEN (22)

Korporaal, plaatsvervangend groepscommandant infanterie.

Uitgezonden van 9 juli 2009 tot 26 augustus.

‘We waren net begonnen aan een achtdaagse patrouille rondom Deh Rawod. Ik rij normaal in een Bushmaster, maar daarvan had de motor het begeven nadat we te diep door de Helmand-rivier waren gereden. Daarom stond ik nu voor dezelfde oever in een Benz.

Tijdens die oversteek ging het mis. De voertuigen voor me hadden de bodem flink uitgediept. Ik kreeg over de radio het advies naar links te gaan en het daar te proberen. Dat vond ik geen goed idee. Ik ging te voet naar voren, ik dacht dat het wel kon.

Maar we hadden al een voertuig en veel tijd verloren. Ik kreeg toch het advies naar links te gaan. Na tien meter rijden, nog voor de waterkant, was het al raak. Ik voelde een harde dreun op mijn lichaam, en ik zag niets door stof. Ik wilde uitstappen, maar dat ging niet.

Ik viel uit het voertuig op mijn zij. Ik maakte me zorgen om de rest, maar kon niet opstaan. Mijn benen lagen in de kreukels. Ik zag een flinke bloeding aan mijn arm. Ik legde een tourniquet rond mijn been en vertelde toegesnelde collega’s – ik ben geneeskundig opgeleid – hoe mijn arm moest worden verbonden.

In de heli realiseerde ik mij dat mijn uitzetting er alweer op zat. Dat was een triest gevoel. Je laat toch je collega’s in de steek. ‘We gaan meteen opereren!’, riep iemand in het ziekenhuis op Kamp Holland. Toen ik weer bijkwam, vertelde de arts dat mijn rechtervoet was verbrijzeld en mijn onderbeen op twee plaatsen gebroken. Mijn andere enkel was ook gebroken.

In een Engels vliegtuig vol gewonden werd ik teruggebracht naar Europa. In het militair hospitaal in Utrecht zag ik voor het eerst mijn familie weer. Ze schrokken toen ik op een brancard werd binnengereden. Mijn beide voeten zijn daar weer rechtgebroken en in gips gezet. Ik heb toen het hele ziekenhuis bij elkaar geschreeuwd.

Daar bleek ook dat een belangrijke zenuw in mijn arm was beschadigd. Mijn rechterhand werd een soort klauw. Mijn vingers gingen steeds krommer staan. Ik baalde. Mijn uitzending was nog maar net begonnen. De jongens belden me iedere dag om te vertellen wat ze die dag hadden beleefd. Het was fijn dat ze aan me dachten, maar daardoor baalde ik des te meer.

In het ziekenhuis bleek ook dat ik twee soorten bacteriën had meegenomen uit Afghanistan. Waaronder een vleesetende bacterie die moest worden bestreden met azijnzuur. Daarmee werden iedere dag mijn open wonden geschrobd. Ook toen heb ik veel geschreeuwd.

Ik heb nog steeds pijn als ik loop. Twee tenen liggen voor altijd uit de kom en zullen pijnlijk blijven. Voor lange stukken gebruik ik een kruk. Ik fiets ook zo veel mogelijk. Dan heb ik eigenlijk geen last. Het bataljon stuurde me een mountainbike. Ik heb alleen nu even een lekke band.

Bij het trappenlopen blokkeren mijn enkels. Dan moet ik op mijn tenen gaan staan. Daarom word ik voor de negende keer geopereerd. Dan gaan ze weer botsplinters verwijderen. Ik heb ook een nieuwe zenuw gekregen in mijn onderarm. Die was helemaal dood. Nu voel ik weer enige tinteling als ik daarop tik. Ik hoop dat die zenuw aanslaat, want die komt uit mijn linkerenkel. Daar heb ik dus nu geen gevoel meer. Om te voorkomen dat mijn vingers krom groeien, draag ik een nucklebender. Een soort armband over mijn vingers, gemaakt door een sieradenmaker.

Inmiddels zit ik hier alweer een jaar. Ja, dat is lang. In de weekends ga ik naar mijn ouders in Grave. Dan probeer ik weer zo veel mogelijk dingen te doen. Waaronder stappen met vrienden. Ik heb ook een nieuwe vriendin. Zij kent me alleen zo, met mijn beperkingen.

Ik heb een gesprek gehad met mijn bataljonscommandant. Ik zei dat ik weer een uitdagende functie wilde. Plus tijd om te studeren. Hij deed me vier voorstellen Ik heb gekozen voor de afdeling operatiën. Daar kan ik helpen bij de invoering van het nieuwe gevechtsvoertuig, de CV90.

Waarschijnlijk word ik voor een deel dienstongeschikt verklaard. Dan krijg ik recht op een militair invaliditeitspensioen, waarvan de hoogte afhankelijk is van het percentage waarop ik word afgekeurd. Dan kan het interessant worden toch de dienst te verlaten. Dat pensioen houd je dan, naast je burgersalaris.

Daarnaast ga ik studeren. Ik denk aan een mbo-opleiding tot sociaal-pedagogisch werker. Uit een beroepskeuzetest bleek dat ik wat met sport zou moeten gaan doen, met militaire dienst of met sociaal werk. Ja, daar keek ik ook van op.

Ik denk nu aan werken met gedetineerde jongeren. Of met probleemjongeren. Of misschien als maatschappelijk werker bij defensie.’

Een rijdende doodskist
RONALD VAN DORT (28)

Huzaar, chauffeur Fennek-verkenningsvoertuig.

Uitgezonden 20 dec 2007 tot 30 maart 2008.

‘Het was onze laatste patrouille. Ik geloof dat we een doorwaadbare plek in een rivier moesten zoeken voor de rest van de Taskforce. We reden langs een politiepost om advies te vragen over de beste route. Zij wezen naar een bergpas die uitkwam op Mirabad. Een gevaarlijk gebied.

We gingen als derde bak omhoog. Net over de pas sta ik opeens midden in een stofwolk. Ik hoor geen klap. Over de radio wordt gevraagd welk voertuig op een bermbom was gereden. Ik zoek de radio, maar ontdek dat alles om me heen kapot is. Ik probeer mijn dakluik te openen, maar dat is verbogen. Een gepantserd zijraampje ligt eruit.

Daar probeer ik uit te klimmen. Maar als ik tot mijn middel uit het raam hang, merk ik dat ik vastzit. Mijn onderbenen lijken versmolten met kapotte aandrijfassen en stuurstangen die uit de vloer steken. Ik laat me weer terugvallen, ik voel geen pijn. Een medic steekt een infuus in mijn arm, een ander knipt mijn vest los.

Liggend naast het voertuig krijg ik een ampul morfine. Ik kijk naar mijn voeten: de ene kist is helemaal opgezwollen, de andere lijkt door de gehaktmolen gehaald. In de heli krijg ik nog drie ampullen en raak ik weg.

Drieënhalve maand later word ik wakker. In het ziekenhuis in Utrecht. Ze hadden mij in een kunstmatig coma gehouden. Ik was wazig. Het leek alsof ik alles had gedroomd. ‘Kijk!’, riep ik tegen mijn familie, ‘ik heb mijn benen nog’, en ik lichtte het laken op. Nou, dat klopte dus niet.

Ik heb 29 operaties gehad. Alleen mijn moeder weet wat ze precies hebben gedaan. Ik kwam terug in een soort kooiconstructie om mijn bekken te fixeren. Mijn voeten waren op Kamp Holland al geamputeerd. In mijn buik zat een gat van 20 bij 25 centimeter. Ze hadden 129 zakken bloed nodig voordat ze de bloeding vonden.

Mijn bekken was op vier plaatsen gebroken, mijn kaak was gebroken, ik had een scheur in mijn schedel, en mijn trommelvliezen waren kapot. Het medische wonder noemen ze me hier.

Ik was boos. Ik had alles goed gedaan. In Afghanistan kreeg ik een tevredenheidsbetuiging, en ik zat niet voor niks op de romeo-bak. Een luitenant kiest meestal de beste chauffeur voor zichzelf. En toch rijd ik op een bermbom.

In Nederland begon mijn bilspier af te sterven, waardoor mijn nieren ermee ophielden. Mijn hele linkerbeen moest eraf, inclusief een deel van mijn bil. Mijn rechterbeen werd langzaam aangevreten door een Afghaanse bacterie. Steeds weer moest er een stuk af, totdat ik uiteindelijk dit stompje overhield. Als ik ga zitten, val ik om naar links.

Jij zult nooit meer lopen, zeiden de artsen. Nou, dat moet je dus niet tegen mij zeggen. Ik kreeg toen ook bezoek van Jaaike en Marc. De laatste had ook beide benen verloren in Uruzgan. Wat die allemaal niet kan met zijn rolstoel! Zij vertelden mij dat ik moest doorgaan. Dat de wereld niet stopt als je benen weg zijn.

Ik woon met mijn vriendin in Ridderkerk. Zij is gelukkig bij me gebleven. Drie dagen per week revalideer ik. Thuis doe ik het huishouden. Stofzuigen en de hond uitlaten. Mijn vader wast iedere zaterdag mijn auto, omdat ik zelf niet meer bij het dak kan. Zonder vrienden en familie had ik dit niet gekund.

Ik denk niet zo aan de toekomst. Ik ben honderd procent afgekeurd en leef van dag tot dag. Ik wilde ooit doorgunner in een helikopter worden. Maar dat kan niet meer. Ik ga eerst proberen weer te lopen. Ik wil niet mijn hele leven hoeven opkijken. Ik was ooit 1,80 meter en ik wil mijn vriendin weer recht in de ogen kijken. Bovendien: als ik het nu niet leer, krijg ik spijt. Spieren die je niet gebruikt, verdwijnen gewoon.

Geen idee of ik militair blijf. Ik ben al even wapenhersteller bij het KCT geweest. De commando’s hebben de mooiste wapens, dus dat was wel mooi. Ik ben ook een tijdje Fennek-instructeur geweest, het verkenningsvoertuig waarmee ik door Uruzgan reed. Dat was geen succes. Leerlingen durfden mij niks te vragen.

De Fennek noemen ze ook wel de rijdende doodskist. Vanwege de platte bodemplaat. We zeiden nog: het is onverstandig om daarmee naar Mirabad te gaan. Daar ligt een dubbele rij ied’s! We stelden een minder voorspelbare route voor. Maar de commandant zei: ‘Jullie gaan gewoon.’

Volgens mijn ouders heeft hij nog jankend aan mijn bed gestaan. Ik heb hem niet gezien, ik was in coma. Later heb ik niks meer gehoord van de commandanten die mij op pad hebben gestuurd. Ze hadden toch wel even kunnen bellen?

Inmiddels zijn de luiken van de Fennek gehaald. Zodat een drukgolf kan ontsnappen. Was het toch nog ergens goed voor, denk ik dan maar.’

Alleen murmelen en soep eten
ROB (37) (wil niet met zijn achternaam in krant)

Sergeant der mariniers, teamleider verkenningseenheid.

Uitgezonden van 2 november 2009 tot 15 december 2009.

‘We waren bezig met een tiendaagse operatie in de Derafshan-regio. Er was al het een en ander gebeurd: een ied-strike waarbij een collega gewond was geraakt, een vuurgevecht. Op 15 december verlieten we onze overnachtingslocatie in de woestijn. Ik zat in een van de laatste voertuigen. Een open Mercedes 280, voorin als bijrijder.

We reden in het spoor van een Bushmaster-pantserwagen en zelfs van een Viking-rupsvoertuig. Maar toch reden wíj op een bermbom. Daar kun je je gek over piekeren. Maar dat doe ik niet.

Ik kwam op de grond terecht, vijf meter van het voertuig. Ik had veel pijn. Mijn chauffeur kroop mijn kant op en legde zijn tourniquet rond mijn been. Zo redde hij mijn leven. Ook andere collega's kwamen aanrennen, ondanks het risico van een tweede ied.

Ik keek naar beneden en zag dat mijn broekspijp was gescheurd. Mijn voet lag in een hele rare hoek. Eigenlijk hing ie er een beetje bij. Mijn andere been, bleek later, was op meerdere plekken verbrijzeld, en mijn schouder was gebroken.

Ik dacht dat mijn tanden los zaten. Ik voelde en ontdekte dat mijn hele kaak los hing. Later is mij uitgelegd dat de borstplaat in mijn kogelwerende vest omhoog is geschoten door de explosie.

Ik riep om de luitenant; die toevallig ook een afgestudeerde arts is. ‘Ze kunnen tegenwoordig heel veel’, verzekerde hij. Ik legde mijn hoofd in de schoot van mijn boordschutter. Die had zelf een hersenschudding. Hij hield me aan de praat tot de helikopter kwam.

Een half uur na de klap lag ik in het veldhospitaal. Daar heb ik min of meer een arts bedreigd: dat hij mijn been moest redden. En toen ging het lichtje uit.

Negen dagen later werd ik wakker. Ik lag vastgebonden op een bed. Ik dacht: ze hebben me krijgsgevangene gemaakt. Ik had waanbeelden door de morfine. Later hoorde ik dat ze gewonde soldaten soms vastbinden. Voor het geval ze wakker worden en denken dat ze nog midden in een oorlog zitten.

Toen zag ik mijn vriendin zitten. Ik was verbaasd en blij haar te zien. Ik kon nog kijken, horen, mijn handen bewegen. Ik voelde aan mijn benen, maar kwam niet verder dan de knieën. Ik zag alleen mijn linkervoet onder het laken omhoog steken. Waar is mijn rechtervoet?, vroeg ik mijn vriendin. Die durfde dat niet te vertellen. Een verpleegkundige kwam binnen en zei: er is een onderbeen geamputeerd.

Ik was niet boos. Ik was blij dat ik nog leefde, en ik dacht: ik ga alles weer doen.

In het ziekenhuis kreeg ik bezoek van Rob, een overste van de marine die ook een been mist. Hij was zó positief. Hij vertelde wat hij allemaal gedaan had, op olympisch niveau gesport en opgeklommen tot overste. Ik had zoiets voor ogen, maar nu hoorde ik dat het ook kan.

Later kwam ook Jaaike langs met haar moeder. Zij verloor ook een been in Uruzgan. Ze legde uit hoe het revalidatiecentrum werkte. Ze vertelde ook dat ze een nieuwe prothese had gekregen om weer op hoge hakken te kunnen lopen. En dat ze net een wildwaterbaan af was geweest in het zwembad.

Na zeveneenhalve week mocht ik naar het militair revalidatiecentrum. Ik was strijdvaardig. Op Discovery Channel had ik gezien hoe een man met twee beenprotheses de Mount Everest beklom. Zelf wil ik ook weer de bergen in en parachutespringen.

In het begin kon ik niet veel. Ik mocht mijn benen niet belasten, en mijn kaken waren vastgeschroefd met metalen platen. Ik kon alleen murmelen en soep eten. Om mijn nek hing zes maanden een tang, voor het geval ik zou moeten overgeven. Ik had permanent honger.

Een fijn moment was de eerste keer in het hydrobad. Daar rij je je rolstoel in, waarna de vloer zakt. Toen stond ik voor het eerst weer rechtop. Na drie maanden kreeg ik mijn eerste prothese. Ik heb nog een kniegewricht, dus eigenlijk heb ik nog, eh, een goede amputatie gehad.

Langzaam leer je vertrouwen op dat ding. Als je bijvoorbeeld gaat stofzuigen, voel je niet dat het koord om je voet is gewikkeld. Dat merk je pas als je languit in de kamer ligt. Op 1 oktober ben ik klaar met revalideren, zegt de dokter.

Ik heb mijn bataljonscommandant gezegd dat ik para-instructeur wil blijven. Ik heb al een sprong gemaakt met collega’s. Zesenhalve maand na het incident. Een tandemsprong, maar toch. Mijn vriendin en familie hebben mij geweldig gesteund.

Defensie heeft nog geen aanbod gedaan. Ik heb de indruk dat ze wel willen, maar het is allemaal nieuw voor ze. Ze maken zich zorgen over de verzekeringen. Kan ik begrijpen. Ik wacht het af.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden