EERST DE STAAT, DAN DE NATIE

HET debat over hoe het met Europa verder moet, is volop aan de gang. Is een Europese identiteit op langere termijn mogelijk?...

Communicatie, en dus ook taal, is in de geïndustrialiseerde wereld inderdaad van centraal belang geworden. Toch is het niet zo dat meertalige maatschappijen per definitie onregeerbaar, laat staan ondemocratisch zouden zijn. Kijk maar naar het oerstabiele Zwitserland. Bovendien heeft taal geen rol gespeeld in enkele van Europa's grootste etnische conflicten. Men denke aan ex-Joegoslavië of aan Noord-Ierland: daar kwam religie centraal te staan in een neotribale terugval. Het is niet zo dat taal per se de centrale as vormt waaromheen een identiteit wordt opgebouwd. In een tijd van xenofobe oprispingen wordt dat weleens vergeten. De historische ervaring van de Elzas, waar de bevolking in grote meerderheid een Germaans dialect sprak, maar zich uiteindelijk toch sterk identificeerde met de Franse Republiek, kan hier als tegenvoorbeeld en tegengif dienen.

Wel heeft de Franse Republiek de dialecten gewantrouwd als vehikels van obscurantisme en achterlijkheid; zodra ze daartoe de middelen had, heeft Frankrijk de dialecten dan ook zo efficiënt mogelijk teruggedrongen, voornamelijk met behulp van spoorwegaanleg, schoolplicht en dienstplicht. Maar dat bevestigt opnieuw dat nation-building een proces is, geen vanzelfsprekendheid: naties worden gevormd door staten - en niet omgekeerd.

De grootste verwoesters van culturele verscheidenheid zijn de nationale staten. Dat ziet men duidelijk bij laat-gecreëerde naties zoals Italië: ten tijde van de eenwording, het Risorgimento, kende slechts een zeer kleine minderheid het Florentijnse Italiaans dat we nu gewend zijn als de nationale taal te beschouwen. Taalkundige verscheidenheid bleef de regel tot diep in de twintigste eeuw. Eigenlijk werd Italië pas in het televisietijdperk tot een natie gesmeed waar echter - en dat hoeft niet te verbazen - centrifugale tendensen blijven leven.

In oudere staten heeft dat culturele samensmeden vroeger plaatsgevonden. Maar ook in Frankrijk moest het Frans er bij de mensen in geramd worden. Rond het midden van de negentiende eeuw was nog ongeveer de helft van de Fransen het Frans niet machtig. Ook later in de eeuw rapporteerde de auteur Guy de Maupassant dat hij wekenlang door Bretagne reisde zonder een sterveling te ontmoeten met wie hij in het Frans kon communiceren. Tijdens het eeuwenlange staatsvormingsproces was het Frans dus niet doorgedrongen in grote delen van Frankrijk, vooral op het platteland, ook niet onder druk van de Revolutie die de natie en het Frans nochtans hoog in het vaandel droeg.

Dat lijkt nu allemaal zeer ver weg, maar verleden zomer ontmoette ik in het dorpje Beauville, in de Quercy-streek ten zuidoosten van Bordeaux, een oude man die alleen zijn moedertaal kon spreken, het plaatselijke dialect. De burgemeester vertelde me dat hij door familie-omstandigheden al vroeg uit school en aan het werk moest. Zo ging dat vroeger vaker.

De Franse natie lijkt ons zo vanzelfsprekend, toch is dat beeld niet juist. Na de zware nederlaag in de Frans-Pruisische oorlog (1870), die gepaard ging met de eenwording van Duitsland en de annexatie van Elzas-Lotharingen door Duitsland, begon een bewuste campagne om alle Fransen ertoe te brengen Frans te leren en zich als Fransen te beschouwen: hun pays mocht zich niet meer beperken tot de streek rond het dorp, maar moest uitgebreid worden tot l'Hexagone - tot de staat in zijn geheel, inclusief het aan Duitsland verloren Elzas-Lotharingen, dat voor de gemiddelde boer erg ver van het bed lag.

Zelfs de best gevestigde identiteiten zijn dus gecreeërd, ook de Nederlandse, de eerste stappen van die identiteit heeft Simon Schama zeer mooi beschreven in zijn Overvloed en Onbehagen. De Nederlands-Duitse grens, waaraan soms zo zwaar wordt getild, heeft slechts geleidelijk een 'nationale' inhoud gekregen, vooral door invloed van bovenaf: in de plaatselijke dialecten, met hun zeer geleidelijke overgangen, was die grens niet merkbaar.

Dat betekent niet dat de gevestigde identiteiten naar believen kunnen worden gedemonteerd: het betekent wel dat die identiteiten niet eeuwig zijn, dat ze vatbaar zijn voor verandering - een zeer geleidelijk, doorgaans onbewust proces.

Op de lange termijn is de vorming van een Europese identiteit dus zeer goed mogelijk. Nationaal bewustzijn werd oorspronkelijk vooral gedragen door elites; met het Europese bewustzijn is dat niet anders. Wel zal het Europese bewustzijn zich eerder volgens een Zwitsers dan volgens een Frans patroon ontwikkelen. 'Subsidiariteit' heet dat tegenwoordig. Zonder sterke centralisering en homogenisering kan het dus ook, zelfs beter.

Jacobus Delwaide is politicoloog en hoofddocent aan de Katholieke Universiteit Brussel. Vanaf heden schrijft hij regelmatig een column op deze pagina.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.