Eerherstel voor luchtige engelen

De schilder Tiepolo heeft geen goede naam onder kunstkenners: te druk, te briljant, te frivool. Zijn ‘duistere’ voorganger Caravaggio wordt meer inhoud toegedicht....

Roberto Longhi heeft het gedaan. Hij was ‘de onrechtvaardigste criticus’ van kunstenaar Giambattista Tiepolo. Zonder hem hadden we Tiepolo nu niet gezien als een einde, maar een begin van een tijdperk. Niet als een Leugen, maar als de ontsluierde Waarheid.

Longhi was een 20ste-eeuwse Italiaanse kunstkenner. In een van zijn publicaties voert hij een hemelse dialoog op tussen de 18de-eeuwse schilder Giambattista Tiepolo en de beroemde laat-maniërist Michelangelo Merisi da Caravaggio (1571-1610). Inzet: de waarheid. Caravaggio tiert als een bootwerker tegen zijn latere collega – die zou zijn waarheidsdrang niet delen. Tiepolo had er beter aan gedaan het gebekvecht tussen een paar bruinverbrande gondeliers in Venetië te schilderen dan zijn blozende Armida, Danaë, Daphne en andere weelderige mythologische dames, vond Caravaggio. Caravaggio beschuldigt Tiepolo ervan te behoren tot die Venetianen die er zo van houden zich te vermommen, in plaats van de waarheid te laten zien.

En dan deelt Tiepolo de genadeslag uit in deze hemelse battle. De schilder herinnert Caravaggio er kalm aan dat in Venetië zelfs de bedelaars zich vermommen. Waarheid komt niet onverhuld. Althans, zo wordt geschetst door Roberto Calasso, Italiaans auteur die zich met zijn net vertaalde boek Het roze van Tiepolo ontpopt tot pleitbezorger van Tiepolo’s waarachtigheid.

Eerherstel voor Giambattista Tiepolo en minder niet, daar is het Calasso om te doen. En daar valt wel wat voor te zeggen. Tiepolo (1696-1770) is vandaag nog maar een weinig bekende schilder. En voor wie hem kent, niet eens zeer geliefd. Hij wordt veelal gezien als het einde van de Venetiaanse ketting Titiaan-Tintoretto-Veronese-Tiepolo, met Tiepolo als doorgeslepen diamant, onwaardig bungelend aan het einde. Te schitterend, te vrolijk, te graag, te druk, te dramatisch. Rococo als kunststroming en Tiepolo’s schilderingen in de Residenz van Würzberg in het bijzonder zijn het hysterische einde van wat ooit mooi begon: de herontdekking van de klassieken, de ‘Renaissance’, vier eeuwen eerder. Na Tiepolo de zondvloed, ofwel de Franse Revolutie en het gezond verstand. Zelfs een gezaghebbend historicus als Ernst Gombrich heeft in zijn overzicht van de kunstgeschiedenis niet meer dan twee zinnen en één afbeelding aan Tiepolo gegeven. Beleefd genoeg om niet te rellen, noemt Gombrich Tiepolo’s werk decoratief en frivool – alsof dat kunstliefhebbers enthousiast maakt.

Het door Longhi beschreven debat in het hiernamaals is typerend voor de communis opinio die er nu nog heerst rondom beide schilders. Terwijl Tiepolo in onmin raakte wegens zijn overdaad, rees de ster van Michelangelo Merisi da Caravaggio. Dat zette vooral door aan het begin van de 20ste eeuw, toen ook Longhi publiceerde. Tiepolo, zo luchtig als de engeltjes die gewichtloos in zijn plafondschilderingen zweven, kon maar weinig enthousiasmeren.

Er ontstond waardering voor het duistere, het alledaagse, de eenvoud en waarachtigheid – een gevolg van sociale en artistieke revoluties in de 19de eeuw. Aardappeleters willen we zien, en de kunstenaar dient ongelukkig te zijn, getergd het liefst. Dat beeld is nagenoeg onveranderd gebleven. Caravaggio past er naadloos in, zo wordt nu opnieuw bevestigd door de Britse Andrew Graham-Dixon in zijn boek Caravaggio A Life Sacred and Profane.

Vervolg op p3

Caravaggio’s vieze voeten
Vervolg van p1

De Caravaggio van Graham-Dixon is de ultieme geniale maniak. De onhandelbare held, die nog Robin Hood-achtige trekjes heeft ook.

Graham-Dixon is een kunsthistorische mogol die vele series voor de BBC maakte en een hele boekenreeks over de schilders van de Renaissance schreef. ‘Na tien jaar onderzoek’ is er nu zijn boek – heel handig op het moment dat Caravaggio’s 400ste sterfjaar uitbundig wordt gevierd. De auteur kan weinig fout doen in Groot-Brittannië, zo blijkt uit de reacties, en dat is begrijpelijk als je Caravaggio’s biografie leest.

Het handelsmerk van Graham-Dixon is de kunst te plaatsen in een meeslepende (quasi-)historische context, gelardeerd met uitgebreide beschrijvingen van de kunstwerken. Weinigen zullen het hem nadoen; niet alleen een kunstwerk laten opzwellen uit de tekst, maar ook alle emoties die gepaard kunnen gaan bij het zien van dat kunstwerk. Ik geloof dat een lezer zonder één schilderij van Caravaggio te hebben gezien, overtuigd kan worden door de biograaf.

Als ie geduld heeft. Want af en toe krijg je het idee dat de auteur zich voorgenomen had 514 pagina’s te schrijven en niet minder. En die moesten nou eenmaal gevuld. Misschien uit gebrek aan directe bronnen wordt het leven van iedere opdrachtgever, model of schilder met wie Caravaggio mogelijk ooit contact heeft gehad, uitgeplozen tot diens grootmoeder in de vierde graad. Iedere scheldpartij die in Romeinse archieven gevonden is en enigszins te linken is aan de schilder, lijkt te vinden in het boek.

Dat Caravaggio zich begaf in lagere én hogere kringen is goed gedocumenteerd. Hij werkte voor kardinalen en schilderde hoeren, hij converseerde met kardinaal Del Montes hoveling Vincenzo Giustiniani en sloeg met zijn zwaard een man dood op straat na een tennispartij. Zijn schilderijen zijn een weerslag van die dubbele loyaliteit. De al in zijn eigen tijd geroemde vieze voeten die Caravaggio schilderde, zijn volgens Graham-Dixon een steunbetuiging aan de gezichtsloze arbeider, de arme in de straten van Rome. Terwijl tegelijkertijd de ‘gewone’ Romeinen die model stonden in zijn schilderijen omhuld zijn door hogere mythologische en religieuze symboliek, soms zo subtiel dat het je zo zou ontgaan, afgeleid als je wordt door de mooie straatjongens en -meiden

Terwijl Graham-Dixon geen vinger uitsteekt om het prototypische beeld van Caravaggio te weerspreken, wringt Calasso zich in bochten om Tiepolo te rehabiliteren. Daarbij heeft hij één sterk argument: in de afgelopen eeuwen heeft iedereen de decoratieve waarde van Tiepolo geroemd, terwijl niemand over de inhoud sprak. Of dat zo is weet ik niet, want ik heb niet álle literatuur over Tiepolo gelezen. Maar typerend is wel dat zelfs belangrijke, veelgelezen kunsthistorici vooral de vrolijke kleuren en weelderige decoraties roemen, zonder verder op de iconografie in te gaan.

Voor Calasso is de inhoud niet ondergeschikt aan de stijl. Hij gaat er uitgebreid op in. Hij herkent patronen, zoals een terugkerende combinatie van het duo oude man/jong meisje in schilderijen: Pluto en Proserpina, Neptunus en Venetië, Tijd en Venus, en ziet daar een onlosmakelijkheid en ‘circulaire beweging’ in. Hij constateert de overvloedige aanwezigheid van oosterlingen, uilen en slangen in het werk en neemt dat extreem serieus, in een mogelijke poging in te halen wat zijn voorgangers lieten liggen.

Van Tiepolo’s leven is nauwelijks iets bekend. Maar geen nood, we hebben de kunstwerken. Om aan te tonen dat Tiepolo niet zomaar een frivool schilder was, benadrukt Calasso de ‘duistere kant’ van de schilder – een occulte kant die ‘het Westen’ volgens hem negeert. Hij neemt vooral de tijd voor twee etsenseries, de zogenoemde Capricci en de Scherzi di fantasia. Verzinsels en Grappen. Dromerige, vaak wat grimmige beelden, die een voorbeeld waren voor Goya’s beroemde Caprichos. Met mannelijke en vrouwelijke saters, botten, gieren, baby’s, slangen, mogelijk lijken, wapens – ‘Verzinsels’ zeker, maar ‘Grappen’ is nog maar de vraag.

Er valt moeilijk samenhang in te ontdekken. Calasso doet een poging de etsen uit te leggen als waren het verschillende hoofdstukken uit een roman. Een boeiend uitgangspunt, totdat hij uitglijdt. Zonder gevoel voor proporties haalt Calasso het hele mondiale scala aan occulte rituelen erbij: Tao, Zarathoestra, Porphyrius en Mozes gaan hand in hand.

Calasso heeft een multiculturele missie. De etsenseries zijn het ‘heidense, joodse, christelijke en het islamitische, geschiedenis, mythe en legende tot één substantie versmolten’. Er wordt met het grootste gemak gestrooid met namen en termen uit minstens vijf culturen. Pierius Valerianus, de Rig Veda, asjera-palen, hypsoo, potestas, hup, alsof het klare wijn is. Een nodeloze taalkluwen, en dat van iemand die zegt de etsen toegankelijk te willen maken.

De auteurs van beide biografieën lezen bijzonder veel in de kunstwerken. Alsof het glazen bollen zijn die toegang geven tot het leven van de kunstenaars. En zo is Caravaggio met dit nieuwe boek een socialist geworden, en Tiepolo een holist met occulte trekken. Daarmee breken de auteurs met verve een gulden basisprincipe van de kunsthistoricus: gebruik nooit de kunstwerken als historische bron. Dat doet namelijk, altijd, de kunst tekort.

Longhi vond vieze voeten waarachtig. Graham-Dixon sluit zich hierbij aan. Calasso vindt de waarheid juist in de symboliek. Als er één ding is dat – bedoeld of onbedoeld – uit beide boeken naar boven borrelt, dan is het juist de kunstmatigheid van de kunst. Caravaggio voert zijn figuren op als toneelspelers, die wellicht een stukje Romeinse realiteit verraden, maar vooral toch theater zijn. Tiepolo geeft een carnavaleske schwung, duister en licht tegelijk, aan zijn mythologische figuren. Bij Tiepolo ziet iedereen er rijk en weldadig uit, bij Caravaggio is iedereen gewoon, ‘van de straat geplukt’. Verder verschillen de kunstenaars niet eens zo veel – beiden tonen hun boodschap, hun ‘waarheid’, met drama.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden