Eerbeton

De sloopkogel draait overuren, want haast geen Brit houdt van de naoorlogse betonnen woontorens in de grote steden.En toch krijgen de bruut betonnen monsters hier en daar eerherstel.

Netten hangen voor de afbrokkelende balkons, uit de keukenramen verspreidt zich een currygeur en betonnen muren moeten het geluid van voorbijrazende auto's tegengehouden. In de moestuintjes van de Robin Hood Gardens, twee karakteristieke flatgebouwen in Oost-Londen, groeien braamstruiken en paardenbloemen. In het zonnetje schuifelt Shafique Hoque na het middaggebed in de moskee met zijn wandelstok naar de ingang van de flat waar hij al twintig jaar woont. Het spannendste deel van zijn missie moet nog komen. 'Eens kijken of de lift werkt', zegt hij, 'het gebeurt nogal eens dat ik niet naar huis kan. Of juist niet naar buiten. Ik woon op de bovenste etage. Op acht hoog.'


Een haperende lift is slechts een van de problemen. Bewoonster Shopna Malik klaagt over een lekkend dak en zwerfvuil. 'Afzichtelijk', zo omschrijft ze het gebouw dat zo geliefd is onder architecten. 'Wat mij betreft mogen de slopers komen. Het zal best een landmark zijn, maar je moet je er ook thuis voelen.' De woorden van de jonge moeder doen denken aan het adagium van Jan Schaefer: 'In geouwehoer kan je niet wonen.' Afbreken is precies wat het stadsdeel Tower Hamlets gaat doen. Na veertig jaar verwaarlozing zouden de gebouwen niet meer te renoveren zijn en afgezien daarvan zien de boekhouders van de gemeente liever een mini-Hongkong op dit veredelde verkeerseiland, gelegen in de schaduw van de zakenwijk Canary Wharf.


De sloop is niet onomstreden. Jarenlang heeft The Twentieth Century Society een strijd gevoerd om deze betonnen handtekening van het bekende architectenechtpaar Alison en Peter Smithson voor het nageslacht te behouden. De Delftse onderzoeker Dirk van den Heuvel, die is gepromoveerd op deze enfants terribles van de Britse architectuur, vindt het jammer dat de strijd verloren is. 'Ik kan me voorstellen dat de bewoners geen architect meer kunnen zien of horen, maar eigenlijk horen de Gardens op een monumentenlijst te staan. Immers, de Smithsons waren de Koolhazen van hun tijd en dit gebouw is uniek, rijk in details. Maar ze staan op een lastige locatie en tegen verwaarlozing kan geen enkele architect op.'


Het debat over Robin Hood Gardens reikt verder dan deze plek in Poplar. De Smithsons waren volgelingen van Le Corbusier. Voor de Tweede Wereldoorlog was er in Groot-Brittannië weinig aandacht voor deze Frans-Zwitserse bouwkundige, maar diens moderne vergezichten bleken wonderwel aan te sluiten bij de naoorlogse wederopbouw en de opkomst van de verzorgingsstaat. Her en der verrezen verticale steden, opgetrokken uit ruw beton, beton brut. De bouwwerken van de Nieuwe Brutalisten zijn nooit met liefde omarmd. Nu luidt de vraag: wat te doen met deze betonnen gedenktekens van het vooruitgangsoptimisme, met het modernisme in het algemeen en het Nieuwe Brutalisme in het bijzonder?


Het populairste antwoord luidt: de sloopkogel. Enkele jaren geleden behaalde Channel 4 hoge kijkcijfers met Demolition, een Idols voor lelijke gebouwen. De eindrangschikking stond vol met brutalistische gebouwen, zoals de ganse binnenstad van het Schotse Cumbernauld en de inmiddels gesloopte parkeergarage in Gateshead, bekend als decor in de gangsterfilm Get Carter. Theatercriticus Rupert Christiansen sprak onlangs de wens uit om 'friendly bombs' te laten neerdalen op de betonblokken langs de Southbank in Londen. De gemeente Glasgow baarde opzien met het inmiddels verlaten plan om de openingsceremonie bij de Gemenebestspelen af te sluiten met het opblazen van vijf torenflats.


De slopers maken overuren. Zo is in Zuidoost-Londen de Ferrier Estate tegen de vlakte gegaan, een soort Bijlmer op steroïden en hetzelfde gebeurt met de Heygate Estate, een groep woonkazernes nabij Waterloo waar Michael Caine in de film Harry Brown joeg op het tuig. Voor Caine, zoon van een Zuid-Londense portier, was de film een aanklacht tegen Heygate en soortgelijke bouwwerken. 'Het is een donker portret, maar helaas wel de waarheid en we zijn er allemaal voor verantwoordelijk', vertelde hij indertijd. 'We hebben de kinderen daar laten stikken en ze groeiden uit tot beesten.' In de unheimische flatgebouwen zijn de afgelopen jaren negentig films en series opgenomen, waaronder de krimi Luther en het apocalyptische World War Z.


De teloorgang van 'betonnen monstruositeiten' als de Ferrier en de Heygate doet denken aan de opmerking van de journalist Jeremy Paxman in The English dat zijn individualistische, aan hoogtevrees lijdende landgenoten, anders dan andere Europeanen, moeite hebben met het wonen in appartementen. Dat heeft mede te maken met hun liefde voor tuinieren en een verlangen naar privacy. Een bijkomend probleem is het klimaat. Een corbusiaanse Unité d'Habitation ziet er onder de strakblauwe hemel van Marseille anders uit dan in de deprimerende miezer van Zuid-Yorkshire. Victoriaanse bakstenen, tierelantijnen en hoge puntdaken passen beter bij het vochtige Britse landschap, alsmede bij de melancholische gesteldheid van haar bewoners.


Niet iedereen deelt die lezing. In het onlangs verschenen boek Concretopia: a Journey Around the Rebuilding of Postwar Britain schrijft John Grindrod dat veel kritiek op het Nieuwe Brutalisme retrospectief is. Tijdens een rondgang langs al die betonnen monsters - voor veel van zijn landgenoten een pleonasme - komt hij te weten dat de oorspronkelijke bewoners blij waren dat ze hun verkrotte 19de-eeuwse woningen hadden kunnen verruilen voor een appartement op tien hoog, met stromend water, verwarming en een toilet binnenshuis. De problemen kwamen later pas, met de komst van zakkenrollers en drugsverslaafden. Liftportieken veranderden in openbare toiletten.


Het ontstaan van deze problemen viel samen met een herwaardering van het victoriaanse erfgoed onder leiding van dichter en architectuurliefhebber John Betjeman, de redder van Covent Garden en St Pancrasstation. Typerend voor de veranderende tijdgeest was het verzet tegen de aanleg van een grote autoweg rondom het centrum van Londen, te vergelijken met het idee van de gemeente Amsterdam indertijd de grachten te dempen en te asfalteren. In Londen is slechts een klein deel van de route er gekomen, onder meer langs de plek waar in 1972 de Robin Hood Gardens zouden worden gebouwd. Het idee was immers om de rondweg te flankeren met flats die een nevenfunctie zouden vertolken als geluidsbarrière. Om die reden verrees in Brixton een neo-middeleeuws fort, de zogeheten Barrier Block.


Als premier zou John Major, geboren in Brixton, dat brutalistische bouwwerk noemen als voorbeeld van 'een grauwe woestenij die het zelfrespect bij mensen wegneemt'. De Conservatieve politicus vertelde er niet bij dat hij de bouw dertig jaar eerder, als raadslid, had goedgekeurd. Volgens Grindrod zijn er, achteraf gezien, fouten gemaakt, maar is het ontstane beeld te eenzijdig, te negatief. 'De architecten en planologen van de wederopbouw verdienen', zo schrijft hij in een hoofdstuk met de titel De droom is voorbij maar de baby is echt, 'een eervolle vermelding in de annalen van de naoorlogse geschiedenis. Dat geldt zeker voor het onvergelijkbare monumentalisme van het Nieuwe Brutalisme, een nationale stijl met een wereldwijde invloed.'


Een brutalistisch succesverhaal, zo toont Grindrod aan, is de Barbican, het cultureel centrum met drie wolkenkrabbers aan de westrand van de Londense City. Ze waren gebouwd om het zakencentrum, waar indertijd amper iemand woonde, nieuw leven in te blazen. De torenflats met hun karakteristieke balkons hebben iets sinisters en onlangs nog stonden ze onderaan op een lijst van geliefde gebouwen in de City. In werkelijkheid zijn de flats van begin af aan uiterst gewild geweest. Er was altijd een receptionist, de liften begaven het nooit en de bewoners behoorden tot de keurige middenklasse. Sinds de verkoop van de flats onder Thatcher wonen er vooral bankiers en ontwerpers, alsmede de ex-mijnwerkerbaas Arthur Scargill.


De Barbican staat nu model voor Park Hill, een groep flatgebouwen die als een muur aan de rand van de oude staalstad Sheffield staan. Ook hier sloeg de verwaarlozing toe en na verloop van tijd durfde de melkboer niet meer over de 'streets in the sky' te rijden. Net als de Heygate Estate werd Park Hill het decor van filmploegen, in dit geval voor de opnamen van de futuristische politieserie Police 2020. Maar in 1998, kort na het aantreden van het progressieve New Labour, gebeurde er iets wonderbaarlijks: mede op aandringen van The Twentieth Century Society belandde Park Hill op de monumentenlijst. Voor de gemeente zat er vervolgens niets anders op dan Europa's grootste rijksmonument te reanimeren.


Deze taak is gedelegeerd aan Urban Splash, een bedrijf dat gespecialiseerd is in stadsvernieuwing. De flats worden gestript en vrijwel opnieuw gebouwd. Beton maakt plaats voor glas. Brutalistisch modernisme voor zacht modernisme. Er zullen conciërges komen, een concept dat indertijd werd afgedaan als te duur en te bourgeois. Daarnaast zal het niet langer dienen als afvoerputje van de maatschappij, als een Benefits Street in the sky. Het idee is nu om yuppen te lokken. De omgeving is groen, het station ligt nabij en het uitzicht is fenomenaal. Architect David Bickle vergeleek het nieuwe Park Hill met marmite: je moet even door een bittere fase heen, daarna kan het best lekker zijn.


Dus de erfenis van het Nieuwe Brutalisme is alleen te redden door er een yuppenkolonie van te maken? Niet per se. Dat bewijst de Trellick Tower in West-Londen, door Grindrod omschreven als 'het arbeideristische broertje van de deftige Barbican'. De 31 verdiepingen tellende betonflat, die gekenmerkt wordt door een losstaande liftschacht, is ontworpen door Ernö Goldfinger. Deze Brits-Hongaarse architect was niet bij iedereen even geliefd. Zo zou Ian Fleming zijn schurk in de gelijknamige Bond-film op deze marxistische sigaarroker hebben gebaseerd en duikt hij in Jim Ballards High Rise op als een cynische architect die zijn gebouwen als een persoonlijk sociaal experiment beschouwt.


Ballard schreef deze apocalyptische roman in de jaren zeventig toen de Trellick bekend stond als The Tower of Terror, een situatie waar Goldfinger de bewoners de schuld van gaf. Het tij keerde in de jaren tachtig toen huurders de gelegenheid kregen de flats te kopen, wat leidde tot het oprichten van een bewonersvereniging die met succes verbeteringen eiste. Wie een tijdje bij de ingang staat, ziet een doorsnee van de Londense bevolking voorbijkomen, van een tandeloze bejaarde die op weg is naar het gokkantoor tot een voetbalvader die met zijn jonge Messi thuiskomt, van een Ghanese familie die naar de kerk gaat tot yuppen die op weg zijn naar Portobello Market. De conciërge vertelt gebarend hoe het gebouw met de wind mee beweegt.


Juist de associatie met 007 is een van de redenen dat huurders tegenwoordig 1.800 pond (2.200 euro) per maand kwijt zijn om in Trellick te kunnen wonen, en kopers tegen de vier ton neerleggen voor een driekamerflat. Het gebouw, dat een prominente rol vervulde in For Queen and Country met Denzel Washington, is een Londens icoon geworden en het silhouet ervan staat zelfs afgebeeld op T-shirts. Mensen komen er speciaal heen om foto's te maken, zoals James, een jongeman uit Islington. 'The sheer brutalness...', zegt hij met ontzag, als gevraagd wordt naar de reden van zijn bewondering. Iets verderop spelen kinderen in de Meanwhile Gardens, lopen jonge vrouwen met hondjes naar modezaak Rellik en staat een groep mannen te roken bij café Redemption.


De verlossing van de Trellick is tevens te danken aan haar strategische locatie. Station Paddington ligt twee metrohaltes verderop, er loopt een pittoresk kanaaltje langs en Notting Hill bevindt zich op loopafstand, de hippe wijk die in Goldfingers tijd nog een achterbuurt was. Hetzelfde geldt voor de Barrier Block bij het coole Brixton Village. De Smithsons omschreven hun architectuur ooit als een 'zoekproces'. Het Nieuwe Brutalisme heeft zijn bestemming inmiddels gevonden. De 'woonmachines', ontworpen door bevlogen en progressieve architecten, lijken alleen nog levensvatbaar als ze zich op de juiste plek bevinden, een cultstatus genieten, architectonisch interessant zijn en een zekere exclusiviteit uitstralen.


Het is wonen voor gevorderden.

EEN BRUTALISTISCHE RONDREIS DOOR LONDEN

Robin Hood Gardens - DLR-station Blackwall Tunnel


Balfron Tower - DLR-station Langdon Park


Barbican Estate - metrostation Barbican


Brunswick Centre - metrostation Russell Square


Centre Point - metrostation Tottenham Court Road


Trellick Tower - metrostation Westbourne Park


Southbank - metrostation Waterloo


Heygate Estate - metrostation Elephant & Castle


Southwyck House (alias Barrier Block) - metrostation Brixton

BETONPOP

Het Nieuwe Brutalisme heeft niet alleen op cineasten, maar ook op musici aantrekkingskracht uitgeoefend, met name in de Britpop. The Arctic Monkeys, afkomstig uit Sheffield, namen de zwartwitte videoclip van The View from the Afternoon op in een koud en nachtelijk Park Hill, terwijl de betonnen trappen van Heygate Estate het decor waren van gymnastische oefeningen in Madonna's Hung Up. Goldfingers Balfron Tower in Oost-Londen is de plaats van handeling in Oasis' Morning Glory. Verreweg het populairste brutalistische gebouw is de grote broer van de Balfron, de Trellick Tower. Onder meer The Verve (This is Music), Depeche Mode (Little 15), Blur (For Tomorrow) en Gorillaz (Tomorrow Comes Today) hebben dit iconische bouwwerk als achtergrond gebruikt. Met de zinsnede Trellick Tower's been calling refereerde Blur er zelfs aan in Best Days.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden