Eenzaam aan de top

Je vindt het geweldig, of je vindt het niks. Zoek in het werk van Pippo Delbono niet naar ratio, je moet het ondergaan. Dat kan vanavond in Breda.

Een donderend geraas deed de Amsterdamse Gashouder trillen op zijn grondvesten, die zomer van 2005. Binnenin het ronde gebouw trad vervolgens een oorverdovende stilte in - en toen begon het leven voorzichtig opnieuw. Compagnia Pippo Delbono presenteerde zich, met Il Silenzio. Een voorstelling onontkoombaar bijna als de aardbeving waarop zij was geïnspireerd, op Sicilië, in 1968, waarbij het plaatsje Gibellina met de grond gelijk werd gemaakt. In 2005 deed ze het Holland Festival aan. Het was een gedenkwaardige kennismaking met een eigenzinnig Italiaans gezelschap rond de illustere theatermaker Pippo Delbono.


Deze week staat hij opnieuw in Nederland, in het Chassé Theater en in de Stadsschouwburg Amsterdam, nu met Questo buio feroce. Het belooft weer een interessante ontmoeting te worden - want hoe de reacties op zijn werk wereldwijd ook uiteenlopen (het Holland Festival-publiek viel destijds ook uiteen in een razend enthousiast deel en zij die er niks in zagen), een voorstelling van zijn hand is hoe dan ook iets bijzonders. 'Zoek geen logica', schrijft de Vlaamse criticus en Delbono-volger Wouter Hillaert. 'Je kan de zin van de gemaakte regiekeuzes in het beste geval alleen maar voelen. Veel ratio is daar niet bij. Oergevoel des te meer.'


Het werk van Pippo Delbono moet je, met andere woorden, ondergaan. Dans (hij werkte samen met Pina Bausch), muziek, circus, commedia dell'arte, het is het allemaal. Hijzelf: 'Je moet naar een voorstelling kijken alsof je naar muziek zou luisteren. De empathie van het moment is cruciaal. Daarom is mijn overkoepelende dramaturgie steeds emotioneel van aard.'


Pippo Delbono (Varazze, 1959) is in een vrij conservatief theaterlandschap als het Italiaanse een uitzonderlijke verschijning. Hij begon aan een reguliere theaterschool in Savona, maar trok begin jaren tachtig de wijde wereld in: via Scandinavië naar India, China en Thailand, waar hij oosterse theatervormen bestudeerde. Bij terugkeer in Italië zet hij zich aan zijn eerste voorstelling met zijn Compagnia Pippo Delbono, Il tempo degli assassini (1987). In dezelfde gedreven, karakteristieke stijl maakt hij vervolgens het ene na het andere stuk, die in meer dan vijftig landen te zien waren. Ze ontstaan, zoals een Franse krant schreef, steeds op basis van een sterke ingeving van de meester zelf: wat hem op een bepaald moment treft, moet het toneel op, van een ode aan Pasolini (La rabbia) tot en met Gente di Plastica, met muziek van Frank Zappa en verwijzingen naar Sarah Kane. Het enige werk dat hij maakte op basis van een traditionele theatertekst is Enrico V (Henry V van Shakespeare), dat naar verluidt als enige Italiaanse enscenering ooit werd gespeeld bij The Royal Shakespeare Company.


Eind jaren negentig begint zijn Compagnia de bijzondere vorm en samenstelling te krijgen die het nog steeds kenmerkt: naast acteurs neemt Delbono ook niet-professionele spelers op. Bobò, bejaard inmiddels, die hij in 1996 ontmoette in een psychiatrische instelling; doofstom geboren, had hij er 45 jaar doorgebracht. En zo is daar Gianluca Ballaré, voormalige leerling van Delbono's moeder, met het syndroom van Down, en Nelson Lariccia, dakloze. Inmiddels zijn het bekende figuren in het gezelschap, door Delbono steevast als zijn 'familie' betiteld.


'Virtuositeit staat voor mij gelijk aan de dood van de kunst', zegt hij zelf. 'Vóór alles telt menselijkheid: het zijn menselijke wezens die ik op het toneel wil zien.' 'Zijn personages komen uit de gekte, en van nergens anders. Maar het zijn figuren die die gekte te boven gekomen zijn', merkte de Franse criticus Bruno Tackels daarbij op.


Mogelijk een reden dat het werk van Delbono soms in de verte doet denken aan dat van de Duitser Christoph Schlingensief, maker met een keur aan spelers rond zich, professioneel of niet, gezond en ongezond, recht of krom van lijf en leden. In een van zijn laatste producties Eine Kirche der Angst vor dem Fremden in mir kwam er een fellinistische stoet aan types voorbij waar Delbono goed raad mee zou weten. Schlingensief maakte de voorstelling nadat er bij hem longkanker was geconstateerd; hij werkte met de dood op de hielen, en dat voelde je. Bij Delbono, seropositief, is het sterven misschien minder manifest, maar in Questo buio feroce wel heel erg aanwezig. Het grondgegeven komt uit This Wild Darkness van de Amerikaanse schrijver Harold Brodkey. Hierin vertelt hij over zijn slopende ziekte aids, waaraan hij in 2006 zou overlijden.


In afwisselend spierwitte en duistere decors plaatst Delbono zijn personages, mager, gemaskerd, haast losgezongen van de buitenwereld. Voor Questo buio feroce geldt bij uitstek zijn eigen omschrijving: 'Mijn voorstellingen moeten voelen als mozaïeken¿ van eenzaamheid. De personages passeren of ontmoeten elkaar, maar zelden wisselen ze dialogen uit, omdat in zo'n verbale uitwisseling een psychologie en een illusie van gedeelde emotie ontstaat, waar ik niet van houd. Mijn figuren kruisen elkaar, maar het blijven twee eenzame levens die samen op toneel een tekening maken. Het is als de liefde: twee dansende eenzaamheden.'


Questo buio feroce is vanavond te zien in het Chassé Theater, Breda. Op vrijdag 13/4 in de Stadsschouwburg Amsterdam.

Naast theatermaker is Pippo Delbono regisseur van een films als Guerra, Grido en Amore carne. In de Italiaanse film Io sono l'amore (I Am Love uit 2009, ook in Nederland goed ontvangen) speelde hij naast Tilda Swinton.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.