Eens per jaar mag het, huilen bij de Matthäus

Als alles zinloos lijkt, is er toch nog iets: de liefde. Voor wie wil, van God.

Tegenwoordig laat ik de tranen vrijelijk biggelen als ik naar de Matthäus luister. Ik ben ook weleens betrapt op krankzinnig meedeinen op de muzikale stuwingen van onheil en hoop. Dat was vroeger wel anders, toen ik nog bij mijn gelovige ouders thuis woonde. De christelijke feestdagen, o god, die bedrukte, plechtige sfeer, zwanger van hogere Hoop, obees van impliciete verboden, gek werd ik ervan. In de kerk keek ik strak voor me uit. Net als het lente werd, kreeg je Pasen, eerst droefenis en dan krampachtige vreugde, tegen Hemelvaart.


Jaren van atheïsme hebben eindelijk de ruimte geschapen om Bachs passie als een universeel verhaal van lijden, lafheid en moed, hoop en liefde te zien dat ieder mens diep kan raken. Dat menig gelovige het areligieuze gedweep met de Matthäus een deftige variant vindt van shoppen op de meubelboulevard op Tweede Paasdag, begrijp ik. Dat is ook zo. Maar ook de niet-gelovige wil wel eens wat anders dan troostshoppen; en bikram yoga geeft wel zweet, maar geen tranen. Dat mis je als mens, want er valt heus nog wel eens wat te huilen.


Dus ben ook ik blij eens per jaar met Bachs religieuze opera te verwijlen in een verloren bestaan, waar God de mens een dak verschaft, een beetje met hem meeleeft en het leed verzacht. Heel kinderachtig, maar daar gaat geloof over, het idee of de illusie van bescherming en troost. En als alles zinloos lijkt, is er dan toch nog iets: de liefde. Voor wie wil, van God.


Veel Matthäus-liefhebbers zijn het werk pas door de jaren heen gaan waarderen. Logisch, wie jong is heeft meestal nog weinig voor de kiezen gehad. De ouderejaars kan bij Bach eens per jaar zomaar doen wat ze je in de Velthuis-kliniek juist uit je hoofd willen praten en spuiten: treuren om het voorbijgaan der jaren. In Naarden, of waar dan ook, staat een huis met een kruis waar je tussen alle dagelijkse topprestaties door even mag zijn wat ieder mens ook is: een verliezer.


Er is voor mij, en voor velen, meer verloren dan het geloof. Ook de veiligheid van de verzorgingsstaat waarin ik ben opgegroeid en waarmee ik met huid en haar verweven ben, is niet meer. Die hele onbekommerde tijd, waarin het consumptieniveau nog niet zo hoog was als nu, maar waarin je door je ouders werd uitgelegd dat het er elders in de wereld lang niet zo fijn aan toe ging en het dus zaak was voor armen en ontrechten op te komen. Vader was geen verontruste zzp'er, moeder vreesde niet voor haar baan, de ziektekosten werden elders geadministreerd en de toekomst lachte je toe, vol academische kansen en steeds meer rechtvaardigheid. Wat een weelde, achteraf gezien.


Freek de Jonge nam onlangs afscheid van de media uit zijn tijd: de onthullers van het democratisch tekort, de controleurs van de macht, de verheffers van het volk (O&D, 23 maart). Pathetisch en ouderwets gezeur, zal her en der zijn gedacht. Ik voelde met hem mee. Je eigen tijd is altijd beter, want hij was van jou.


Er hoeft dan nog maar een dakje van je privéleven af te waaien of het wordt rennen naar de schuilkerk. 'Wir setzen uns mit Tränen nieder.' Eens per jaar mag het.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden