Een zwemparadijs in het oude Rome

De thermen van Caracalla boden de bewoners van het oude Rome verschillende vormen van vermaak, maar centraal stond de reeks warm- en koudwaterbaden....

DAGELIJKS aantal bezoekers: tien- à vijftienduizend. Gemiddeld watergebruik per seconde: 175 liter. Lengte van het waterleidingnet: 3,5 kilometer. Benodigde hoeveel hout voor de verwarmingsovens: tien ton per dag. Alles was gigantisch aan dit gebouw, dat voor zijn tijd een wonder van techniek was: de Thermen van Caracalla in Rome.

Archeologie gaat over meer dan ruïnes van tempels en paleizen, oude vazen en standbeelden, wandschilderingen en sieraden, verdwenen steden en desnoods gezonken schepen. Voor klassieke archeologen die in hoge esthetische sferen zijn opgevoed, zal het moeilijk zijn te erkennen dat hun vak ook gaat over zoiets profaans als techniek.

Voor hun terugkeer op aarde kunnen ze gebruik maken van twee ervaren gidsen: de hydrologen Leonardo Lombardi en Angelo Corazza, auteurs van het in Italië verschenen boek Le Terme di Caracalla. Mogelijk wantrouwen in die gidsen wordt weggenomen door de schrijver van de inleiding, Filippo Coarelli, een van Italiës meest vooraanstaande archeologen en waarschijnlijk de beste kenner van het antieke Rome.

De auteurs houden zich doorgaans bezig met het zoeken naar water, vooral in Afrika en Zuid-Amerika. In hun vrije tijd hebben ze de laatste tien jaar de technische infrastructuur achterhaald en in kaart gebracht van het best bewaarde badhuis uit de oudheid. Generaties archeologen hebben zich met de architectuur en de decoraties van dit antieke pretpark beziggehouden, maar de manier waarop het werkte, schijnen ze nauwelijks interessant te hebben gevonden.

In de Thermen van Caracalla ligt de fenomenale kennis opgeslagen die de Romeinen hadden over de hydraulica en de verwarmingstechniek. Om die kennis bloot te leggen, hebben Lombardi en Corazza zich laten leiden door eerdere publikaties, door de regels van de hydraulica en de verwarmingstechniek - die tot de jaren vijftig van deze eeuw niet veel afweken van die welke de Romeinen toepasten - en vooral door hun eigen waarnemingen en naspeuringen ter plekke.

De twee hydrologen hebben voor hun onderzoek kunnen profiteren van het omstreden besluit van twee jaar geleden om de zomervoorstellingen van de Opera van Rome niet meer te houden in Caracalla's thermen. De toeloop van zoveel publiek, de olifanten van de Aïda, de technische installaties; het deed de conservering van de bijna achttien eeuwen oude ruïnes allemaal geen goed.

Het idee om in deze suggestieve omgeving de Romeinse opera onder te brengen, kwam van iemand die zichzelf beschouwde als een moderne Romeinse keizer: Benito Mussolini. Voor de bouw van het operapodium in de thermen van zijn 'voorganger' Caracalla liet hij lustig op de oude fundamenten en muren inhakken. De opera bedekte een deel van de thermen. De verdwijning van dit obstakel heeft het hele gebouw toegankelijk gemaakt voor onderzoek.

De naam van het complex was Thermae Antoninianae (Antoniniaanse thermen), naar Caracalla's officiële naam Marcus Aurelius Severus Antoninus Bassianus. De bouw begon in 212, kort nadat Caracalla op 24-jarige leeftijd keizer was geworden. Die datum blijkt uit stempels in de gebruikte bakstenen. Daarmee is de versie doorgeprikt dat de bouw is begonnen in 206 onder Caracalla's vader, Septimius Severus. Het centrale gebouw werd ingewijd in 216. De omringende zuilengang dateert van de laatste keizers van de Severi-dynastie, Heliogabalus en Alexander Severus (218-235).

Vijf jaar heeft de megalomane broeder- en massamoordenaar Caracalla geregeerd. Het leger hield hij te vriend met geschenken, het volk met populistische maatregelen. De bekendste waren de uitvaardiging van de Constitutio Antoniniana, die alle bewoners van de provincies het Romeinse burgerrecht gaf - en hen daardoor verplichtte belasting te betalen - en de bouw van de thermen.

Tijdens de Republiek (509-27 voor Christus) was de wekelijkse wasbeurt haast een noodzakelijk kwaad. Alleen de rijken hadden thuis een badkamer, een primitief hok waarin het niet prettig toeven was. In reactie hierop ontstond een badhuiscultuur. Een thermenbezoek werd in het Romeinse rijk een geliefde vrijetijdsbesteding voor mensen van alle standen en leeftijden.

De thermen hebben een essentiële rol gespeeld bij de romanisering van het rijk. Ze werden een sociale ontmoetingsplaats, bedoeld voor de onstpanning van lichaam en geest. Om het badhuisgebouw heen waren grote tuinen om te wandelen, te spelen, te sporten en te zonnebaden, er waren plaatsen voor vergaderingen, banketten en voorstellingen, kraampjes voor de verkoop van eten en drank, en er was een bibliotheek. De thermen waren een ideale plek om mensen te leren kennen en te discussiëren, om zaken te doen, te wedden, te stelen of te hoereren.

In het midden van de vierde eeuw telde Rome bijna duizend balnea (badgelegenheden) en elf grote keizersthermen. De oudste waren de Thermen van Agrippa, ingewijd in 19 vóór Christus. De grootste waren de Thermen van Diocletianus, gebouwd tussen 298 en 306. En de thermen waarover wij het meest weten, waren die van Caracalla, aangelegd op de oostelijke helling van de Kleine Aventijn. Dat is vlakbij de plaats waar Mussolini zijn ministerie van Koloniën zou bouwen, dat na de oorlog onderdak bood aan de FAO.

Voor de aanleg van de thermen moest een deel van de helling worden afgegraven. Ruim een half miljoen kubieke meter grond werd weggehaald. Er ontstond een terras van drie niveaus, met een verschil van veertien meter tussen het hoogste en het laagste. Op het hoogste niveau werden de waterreservoirs gebouwd, het middelste diende voor de aanleg van de tuinen en grote ondergrondse ruimten, het laagste voor de fundamenten van het centrale gebouw en de centrale afvoer. De gebouwen waren 25 tot 40 meter hoog. Onder het centrale gebouw en de tuin loopt op verschillende niveaus een netwerk van galerijen en gangetjes.

Het thermencomplex beslaat ruim tien hectare. Het meet 337 bij 328 meter, de grandioze halfronde uitbouwen aan de beide zijkanten niet inbegrepen. Het centrale badhuis is 220 meter breed en 114 meter diep. Het is vrijwel symmetrisch gebouwd, met rechts en links vertrekken die elkaars spiegelbeeld zijn. De beide 'badroutes' kwamen achter, in het midden van het gebouw samen in een ronde zaal met warmwaterbaden, die een halfronde uitstulping van de achtergevel vormt.

Alle keizersthermen waren volgens een vast schema ingericht: ingang; kleedkamer; vertrekken waar de bezoekers met olie werden ingewreven en de worstelaars onder hen ook met zand; binnenplaats voor worstelen, schermen, balspelen en andere wedstrijden; ruimte voor het afkrabben van olie en zand; halfwarm lokaal met lauwwaterbassins (tepidarium); sauna (laconicum); verwarmde ruimte met warmwaterbassins (caldarium); opnieuw een ruimte met lauwwaterbassins; koud lokaal met koudwaterbassins (frigidarium); zwembad; zalen voor massage en parfumering; kleedkamer.

Al deze vertrekken moesten worden voorzien van water op de juiste temperatuur en van afwateringsinstallaties. Water was ook nodig voor de fonteinen, drinkplaatsen, latrines en de bijgebouwen in de tuinen en uitbouwen. En natuurlijk moesten er kranen zijn om de tuin te sproeien en de installaties schoon te maken. Lombardi en Corazza hebben die systemen zorgvuldig gereconstrueerd.

Onder de grond functioneerde een aparte stad, bevolkt door een paar duizend arbeiders, die verboden was voor het publiek. Delen van de tuin zijn nog steeds niet opgegraven, en enkele ondergrondse gangen zijn versperd. Maar dank zij de symmetrische opzet is het niet nodig alles bloot te leggen om te weten hoe de systemen er uit hebben gezien.

Er zijn vier soorten ondergrondse gangen. Een eerste groep diende als opslagplaats van het hout voor de ovens en als dienstruimten. Het zijn drie parallelle gangen van zes meter breed en zes meter hoog, onderling verbonden en toegankelijk via twee galerijen die aan de rand van het complex beginnen.

De gangen zijn voorzien van openingen voor licht en lucht. In nissen stonden kuipen met drinkwater voor de paarden die het hout afleverden.

Een tweede groep gangen diende voor de bediening van de verwarmingsinstallaties. Deze gangen lopen onder alle ruimten waar warm water of warme lucht was vereist. Die zijn niet voor niets aan één kant van het gebouw gegroepeerd. De belangrijkste gang loopt parallel met de galerijen voor de houtopslag en is daarmee aan één kant verbonden. Onder het caldarium komen op deze gang zijgangetjes uit, in de vorm van een kruis.

Aan elk van de vier armen staan twee ovens. In totaal waren er onder het caldarium twintig koepelvorminge ovens, elk met een in de muur ingebouwde schoorsteen. Ze stonden op verschillende niveaus. De hoogst geplaatste ovens droegen hun warmte direct over op de ruimte onder de vloer van de badzaal. De lager geplaatste ovens verwarmden metalen ketels, voorlopers van de moderne boilers. Daarop wijzen de nissen in de muren vlakbij het vuur van de ovens. In totaal waren er 49 ondergrondse ovens, waarvan er 24 nog waarneembaar zijn. Per dag waren ze tien uur volop in bedrijf, waarvoor ze ruim tien ton hout nodig hadden. Er waren houtvoorraden voor zeven maanden.

Door een derde groep gangen liepen loden buizen voor de watervoorziening. De toevoer kwam van achttien met elkaar communicerende reservoirs waarvan de resten op het bovenste niveau van het complex nog goed zichtbaar zijn. Ze hadden een gezamenlijke capaciteit van tien miljoen liter en ze werden gevoed door een speciaal voor deze thermen aangelegd aquaduct, de Aqua Marcia. Deze vijf kilometer lange zijtak van het aquaduct Aqua Antoniniana Iovia voerde gemiddeld vijftien miljoen liter per dag aan.

Aan weerszijden van de rijen reservoirs was een controlekamer voor de regeling van de centrale watertoevoer. Dat gebeurde met grote bronzen kranen, die niet veel van de huidige afwijken. Vervolgens stroomde het water in twee grote leidingen, die onderweg op veel plaatsen werden afgetapt, langs de beide zijkanten van het complex naar het badhuisgebouw. Daaronder liepen over de volle breedte twee dikke dwarsleidingen. Op die buizen waren alle waterinstallaties aangesloten.

Een vierde gangensysteem was voor de afvoer. De buizen van de centrale afvoer liepen onder de lengte-as van het centrale gebouw. Daarop kwamen alle afvoerkanalen uit, ook van het regenwater. In het complex lag ondergronds ook een Mithrastempel, de grootste van Rome. Daar zijn zoveel resten van waterinstallaties gevonden, dat de onderzoekers aannemen dat er vroeger latrines zijn geweest.

Hoeveel mensen maakten van de thermen gebruik? De auteurs hebben daarvoor een even simpele als vernuftige berekening gebruikt. De duur van het verblijf in de acht hoofdvertrekken werd bepaald door de hitte in de sauna, waar men niet langer dan een kwartier kon blijven, waarna moest worden doorgeschoven. Een compleet 'parcours' duurde dus twee uur. Het aantal bezoekers per zaal werd bepaald door de capaciteit van de zeven badkuipen in het caldarium. In elke kuip pasten gemakkelijk dertig mensen, dus in de hele zaal zonder moeite tweehonderd, dus in het hele badhuis acht maal zoveel: zestienhonderd.

Dat bevestigt de melding uit een oude bron, dat de Thermen van Caracalla een capaciteit hadden van zestienhonderd bezoekers. Maar dan niet per dag, maar per shift van twee uur. Per dag waren er vier à vijf ploegen. Voeg daarbij de mensen die ook, of uitsluitend, van de andere faciliteiten gebruik maakten, en je komt op een dagelijks bezoekersaantal van tien- tot vijftienduizend.

Jan van der Putten

Leonardo Lombardi en Angelo Corazza: Le Terme di Caracalla

Fratelli Palombi; 40.000 Lire

ISBN 88 7621 795 9

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden