Een zoekende Poesjkin

ONLANGS verscheen bij uitgeverij Papieren Tijger Vroege lyriek van de Russische dichter en prozaschrijver Aleksandr Poesjkin (1799-1837). De bundel is het tweede deel van Poesjkins verzameld werk, dat in Nederlandse vertaling in totaal negen delen zal beslaan....

Deel 2 beslaat de periode 1813-1820, wat neerkomt op Poesjkins schooljaren op het Keizerlijk Lyceum in Tsaardorp en zijn Petersburgse tijd tot aan zijn verbanning uit de stad wegens opruiende gedichten. De lyceumjaren zijn bijzonder belangrijk geweest voor de jonge dichter. Het was een tijd waarin niet alleen het dichterlijk talent van de jongen ontlook, maar waarin hij ook vriendschappen smeedde voor het leven. Sommigen beweren dat Poesjkin, die van jongs af aan in een permanente staat van verliefdheid lijkt te verkeren, zijn echte genegenheid eerder reserveerde voor zijn jeugdvrienden dan voor de al dan niet door hem veroverde vrouwen.

De gedichten uit Vroege lyriek zijn niet wereldschokkend wat hun thematiek of stijl betreft, maar ze getuigen al wel van het lef en de pit van de latere Poesjkin. Het is erg leuk dat de Nederlandse lezer hem nu in zijn ontwikkeling kan volgen. Allerlei genres, versvormen en maten probeert hij uit, hij schrijft in de trant van Ossian, vertaalt Latijnse epigrammen, Rousseau, bezingt Voltaire, Villon en andere geliefde dichters. Op vijftienjarige leeftijd debuteerde Poesjkin in de Bode van Europa en in datzelfde jaar dichtte hij tot de door hem bewonderde dichter Batoejskov: 'Jij filosoof en dartel kind,/ Als Muzenlieveling geboren,/ Voor de Parnassus uitverkoren/ En door de Gratiën bemind:/ Waar is je harp met gouden snaren/ Die zongen van genot en vreugd?/ Heb jij je dromen laten varen,/ Verraad je Phoebus en je jeugd?'

Poesjkins talent werd al in 1815 in bredere kring erkend toen de éminence grise van de Russische poëzie, Gavriíl Derzjavin, hem tijdens de overgangsexamens op het lyceum het gedicht Herinneringen in Tsaardorp hoorde voordragen. In het nogal gezwollen dichtwerk ('. . . Onsterfelijk zijt gij, o Russische giganten,/ In tegenspoed gestaald, geadeld in gevecht./ Heil! Catharina's schaar van trouwe geestverwanten,/ Uw faam zal worden voortgezegd!') zingt Poesjkin de lof van het heroïsche Russische verleden. De hoogbejaarde dichter was er, naar verluidt, enorm door ontroerd, wellicht omdat hij er zelf in voorkwam.

Als zeventienjarige genoot de jonge dichter al zoveel bekendheid dat hij van de keizerin opdracht kreeg een gelegenheidsgedicht te schrijven bij het huwelijk van de latere koning Willem II en en Anna Paulowna, een zus van Alexander I. Het leverde hem een gouden horloge met ketting op. Boland weet te melden dat Poesjkin zijn 'Voor de Prins van Oranje' binnen twee uur af had en dat het resultaat ernaar was: kroonprins Willem mocht zich gelukkig prijzen dat hij geen Russisch kende.

Na het lyceum stortte Poesjkin zich in Petersburg in het uitgaansleven. Zijn gedichten verschenen in tijdschriften of circuleerden (als ze de censuur niet konden passeren) in manuscript. Hij bezong de liefde, zijn vrienden, het vrije leven, en hij schreef gedichten die hem onvermijdelijk in de problemen zouden brengen. Een ervan was zijn ode 'Vrijheid', waaraan de tsaar wel aanstoot móest nemen: 'Haar [de vrijheid] wil ik prijzen, in de geest/ Van Frankrijks glorie, die in tijden/ Van grootse rampspoed onbevreesd/ Juist haar in hymnen bleef belijden./ Tirannen, windbuilengebroed,/ Beef! want de kansen zullen keren:/ Het slavenvolk zal zich verweren./ Gevallenen, sta op, vat moed!'

Poesjkin werd in 1820 uit Petersburg verbannen, drie weken voor de publicatie van het verhalende gedicht 'Roeslan en Ljoedmila' (in vertaling verschenen in deel 1), waarmee hij definitief zou doorbreken.

Boland is duidelijk 'thuis' bij Poesjkin: trouw in rijm en metrum, maar vooral trefzeker in de sfeer en bravoure van Poesjkins versvertellingen, gelegenheidsgedichten, liefdesgedichten en niet te vergeten zijn epigrammen, een genre waar Poesjkin zich graag in mocht uitleven. Een geliefd mikpunt waren de tsaar en zijn hoogwaardigheidsbekleders, maar ook povere dichters zoals zijn mede-lyceïst Wilhelm Küchelbecker, die later wegens deelname aan de decemberopstand van 1825 naar Siberië zou worden verbannen: 'Wim houdt van Amor en van snieren;/ Hij is bepaald niet blo/ En in herculische satiren/ Verliefder dan Boileau.' (Het gerucht ging dat de Franse dichter Boileau impotent was.)

Boland heeft zich kennelijk door Poesjkins spotzucht laten inspireren, want hij grijpt zijn (overigens uitstekende) commentaar bij de gedichten aan om medeslavisten en critici de oren te wassen. Een niet bij name genoemde 'criticastrix' die Boland kennelijk voor de voeten heeft geworpen dat het door hem in een vertaling gebezigde nolens volens geen Nederlands is, moet het herhaaldelijk ontgelden. Andere collega's wordt 'dor-wetenschappelijke pedanterie' verweten. Intrigerend is zijn commentaar bij 'De snor': 'De professoren Wilma Wizzshit en Joséphine Blaaskaak-Braakbal vinden het wijsgerig gehalte van deze Wijsgerige ode ondermaats; de vertaler distantieert zich nadrukkelijk van hun visie. (. . .) De hierboven genoemde hooggeleerden verwijten Poesjkin dubbelzinnig woordgebruik. Zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten.'

Misschien dat Boland in een volgend nawoord een tipje van de sluier zal oplichten: wie is toch die onzalige 'criticastrix'? En wie zijn die onbetrouwbare Wilma Wizzshit en Joséphine Blaaskaak-Braakbal? Het is in ieder geval een extra reden om uit te kijken naar deel 3 van Bolands prachtige Poesjkin-project, Lyriek uit ballingschap.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden