Een zijderups op de kraaienheuvel

Eertijds was het de 'heuvel van de kraaien'. Zeventien eeuwen later maakte de zijderups Lyon tot eerste industriestad van Frankrijk....

Lyon: verkeersknoop in de Autoroute du Soleil, industriestad onder de rook van chemie-gigant Poulenc. Lyon, daar moet je zo snel mogelijk doorheen, want eronder begint Zuid-Frankrijk.

Het lijkt wel of de Lyonezen dat zelf ook vinden: het kost moeite om uit de tunnel te blijven en in het oude centrum te geraken. Als dat eenmaal gelukt is, opent zich een soort Parijs, maar dan kleiner. En goedkoper. Neem het restaurant in de koepel van de Opera, een van de meest spectaculaire eetgelegenheden van Lyon. Voor 150 franc (ongeveer vijftig gulden) eet je er twee verfijnde gerechten, in een spannend high tech-interieur, met uitzicht op het achttiende-eeuwse stadhuis en het plein vol fonteinen daarvoor. Theedrinken kan er ook, in de namiddag, met bijvoorbeeld madeleines, de favoriete cakejes van Proust, voor vijf franc per stuk. Overigens passen de Parijse couturiers die rond opera en stadhuis hun Lyonese vestigingen hebben, zich niet aan wat betreft prijzen.

Een - kleinere - kopie van de Eiffeltoren bewijst dat de derde stad van Frankrijk wel degelijk concurreert met de hoofdstad. 'De onze is hoger', zeggen ze in Lyon, maar dat komt doordat hij op een heuvel staat. In le vieux Lyon, het hoge deel van de stad, dat oprijst achter het semi-eiland tussen Rhone en Saone.

Op die heuvel aan de rivier is de stad begonnen, als gehucht van Galliërs, en opgestuwd in de vaart der volkeren door de Romeinen. Die laatsten lieten de stad een amfitheater na, waarin iedere zomer voorstellingen gegeven worden. De kabeltram naar Fourvière, de wijk op de heuvel, leidt nu onder andere naar een uitkijkpost waar de opeenvolgende uitbreidingen van Lugdunum goed te overzien zijn. Tot aan de walmende toverketels van de chemische industrie, in 1885 door de familie Gillet begonnen als verffabriek voor het kleuren van zijde. De zijde-industrie, vanaf de late middeleeuwen belangrijk middel van bestaan voor Lyon, heeft de geschiedenis van de stad grotendeels bepaald.

Rond de tijd dat Christus geboren werd, was Lugdunum (oud-Gallisch voor 'heuvel van de kraaien') op weg de hoofdstad te worden van de Romeinse provincie Gallië. De zijderups, het beestje dat Lyon zeventien eeuwen later de eerste industriestad van Frankrijk zou maken, was toen nog het fameuze geheim van de Chinezen. Het langst bewaarde geheim van de geschiedenis, wordt wel gezegd. Door het afkondigen van de doodstraf voor iedereen die de grens durfde oversteken met één eitje van de zijderups, slaagden de Chinese keizers erin hun monopolie te houden, vermoedelijk tot de zevende eeuw na Christus.

De Romeinen kenden wel het eindprodukt, de geweven stof, maar wisten niet hoe die tot stand kwam. 'De Seres zijn beroemd voor het dons uit hun wouden', schrijft Plinius. 'Ze maken het witte dons van de bladeren los door ze te overgieten met water, waarna de vrouwen zowel de draad afwinden als ze opnieuw weven. Dank zij deze ingewikkelde arbeid bereikte ons uit die verre streken datgene wat een dame toelaat om in een doorzichtig kleed te verschijnen.'

Rond de tijd dat Lyon de hoofdstad van een Romeinse provincie werd, begon de keizer in Rome zich zorgen te maken over het gat dat de invoer van zijde in zijn schatkist sloeg. 'Bij het begin van onze jaartelling kon een Indische handelaar de waarde van een bundel zijde meteen omrekenen in Romeinse sestertiën', schrijven Edith en François-Bernard Huyghe, die in opdracht van de Unesco onderzoek deden naar de 'zijderoutes'. 'Er waren zelfs periodes dat zijde werd verkocht tegen haar gewicht in goud. Dit sloeg meteen een diep gat in de Romeinse schatkist.'

Het was dus van groot belang om de grondstof van het felbegeerde textiel in handen te krijgen, maar niemand in de landen rond de Middellandse Zee wist dat er een rups bestond die een draad uitspuugt om zich in te rollen. De best geïnformeerde verslaggevers, zoals Plinius, wisten te vertellen dat zijde 'aan de bomen groeit'. Niet zo'n gekke gedachte want een zijderups zet zich vast op een takje om een cocon te maken en uit de verte ziet het resultaat er uit als een soort katoenpluis. In het textielmuseum van Lyon wordt de zijdeteelt uitgelegd en in een aantal rupsenkwekerijen en eco-musea in de Ardèche zijn alle facetten van het fameuze geheim 's zomers nog in levenden lijve te zien.

Volgens een van de bronnen waaruit de zijderoute-beschrijvers putten, kwamen de eerste eitjes buiten het Chinese rijk door toedoen van een uitgehuwde prinses, die ze in haar kapsel verstopte. Een minder romantische bron houdt het op Byzantijnse monniken, die in de zesde eeuw door hun keizer Justinianus als spionnen werden uitgestuurd. Ze zouden de eitjes van de zijdevlinder in hun holle pelgrimsstaf naar Byzantium hebben gesmokkeld. In die tijd had het weven van de geïmporteerde zijdedraden Byzantium al een internationale faam opgeleverd.

Hoe dan ook: de zijderups reisde vanaf de zevende eeuw rond de Middellandse Zee en was al geruime tijd bekend in Lyon toen koning François I in 1538 het privilege om zijde te weven verleende aan twee Lyonese kooplieden, Etienne Turquet en Barthélémy Naris. Vier jaar later ontstond in Lyon het gilde van de makers van 'gouden, zilveren en zijden stoffen'.

Dat zilver en goud mag letterlijk genomen worden. Nog steeds bestaat er een atelier in Lyon waar bezoekers getoond wordt hoe verzilverde en vergulde draden via een weefgetouw in smalle stroken stof veranderen.

Sinds in de katholieke kerk eenvoud de mode is en onder hoge militairen het camouflagepak, valt er niet veel goudgalon meer te slijten. Alleen nog een beetje aan de orthodoxe kerken en ministeries van Oorlog, voor de tressen en epauletten van een gala-uniform. Net genoeg om de indrukwekkende getouwen van de 84-jarige Jeanne Letourneau nog in beweging te houden, met steun van de gemeente.

Onder de portretten van haar grootouders vertelt de oude mevrouw hoe het leven was in de negentiende-eeuwse weverswijk Croix Rousse (ooit een dorp buiten de poorten van de stad, beschermd door een rood kruis). Behalve elektrisch licht staat in haar atelier niets de fantasie in de weg om zich te verplaatsen in de vorige eeuw. De toegang is een donker stenen trappenhuis, zoals in alle woonkazernes die speciaal voor de wevers gebouwd werden toen de hoogte van de getouwen verhuizing uit le vieux Lyon noodzakelijk maakte. De weefgetouwen stonden voor de ramen; het leven van de weversgezinnen speelde zich af in dezelfde ruimte. Kinderen werkten van jongs af aan mee. Zodra ze sterk genoeg waren om volle emmers te dragen, kregen ze de taak de familie dagelijks van water te voorzien. De stem van de oude Jeanne schiet omhoog: 'Helemaal vanaf het plein van Croix Rousse moesten ze het hierheen sjouwen.' Die boodschap komt hard aan: de rondleiding begon bij de uitgang van de metro op dat centrale plein en inmiddels weten we hoe steil de straten in de weverswijk oplopen.

Als Jeanne Letourneau er niet meer is, zullen jongere wevers de fabricage van goud- en zilvergalon blijven demonstreren, want de gemeente Lyon maakt werk van haar textielgeschiedenis. Van de driehonderdduizend canuts die rond het midden van de vorige eeuw met weven hun brood verdienden, zijn er nu nog vijftien over. Toch is er nauwelijks een straat in oud Lyon waar je niet tegen een canut aanloopt. Restaurants zijn naar hen genoemd en is het 't restaurant niet, dan wel een paar gerechten op de kaart. Traditionele gerechten die smaken naar wat ze zijn: kip uit Bresse, vis uit de Alpenmeren, fruit uit de Drome en al die andere ingrediënten die dagelijks vers aangevoerd worden uit de omgeving van de stad waar de beroemdste kok van deze eeuw, Bocuse, zijn carrière begon.

Het wemelt van die degelijke, goed betaalbare restaurants in de verkeersvrije straten rond het historisch museum. Straten die in de jaren zestig als vervallen achterbuurt door cultuurminister André Malraux gered werden uit de handen van de voortvarende stadsvernieuwer Louis ('Zizi') Pradel, bijgenaamd 'de koning van het beton', die twintig jaar burgemeester van Lyon was. Pradel deed aanzienlijk meer dan een tunnel graven voor de Autoroute du Sud: hij was de wegbereider voor de inmiddels beroemde architecten, die in de jaren zeventig en tachtig toonaangevende gebouwen toevoegden aan de skyline van Lyon. De koosnaam Zizi dankte deze populaire Lyonese burgemeester aan een uitspraak voor de tv over prostitutie: 'Als u de meisjes van de straat wilt krijgen, moet eerst de zizi van alle Franse mannen afgesneden worden.'

De combinatie van oude en nieuwe architectuur is nu een van de geneugten van Lyon. Vaak omstreden binnen de stad zelf, zoals het hoort. Bezoekers van de opera klagen dat ze er niet naar de wc durven, omdat alles daar zwart is en slecht verlicht, zoals het hele interieur van het gebouw. Inderdaad: het is of je een stereotoren binnenstapt, achter de automatisch openende schuifdeuren in de achttiende-eeuwse gevel. 'Het ene zwart is het andere niet', zeggen de voorstanders en dat valt niet te ontkennen. Architect Jean Nouvel combineerde zwart marmer, zwart rubber, zwarte kokosmatten en nog het een en ander met spannende rode neonlichtjes tot een zeer bijzonder high tech-gebouw binnen de oude muren met Dorische zuilen en neo-klassieke beelden uit 1830.

Wie naar het restaurant met prachtig uitzicht wil, moet de 'zwarte' barrière nemen want het is alleen toegankelijk via een zwarte lift vanuit de zwarte hal, waar het onverwachte bonjour uit een donkere hoek - overmaat van styling - uit de mond van een zwarte portier blijkt te komen.

In het Historisch Museum stuiten we op een zaaltje vol knutselende kinderen, bezig met het maken van poppenkastpoppen. Ook dat blijkt onderdeel van de traditie: de Jan Klaassen van Frankrijk, Guignol, is een karikatuur van de Lyonese zijdewever die de wereldlijke en kerkelijke autoriteiten de waarheid zei. Hij heeft zijn eigen museum, het Musée de la Marionette, annex aan het Historisch. (Leuk voor kinderen, maar dat geldt voor veel meer dingen in Lyon).

Er viel heel wat onrecht aan de kaak te stellen door de honderdduizenden die van jongs af aan in huisindustrie en later in fabrieken de opdrachten uitvoerden die de soieurs binnenhaalden bij vorsten, pausen en rijke kooplieden.

Kort na zijn oprichting, in het midden van de zestiende eeuw, had het gilde der gouden, zilveren en zijden stoffen-makers al vele duizenden Lyonezen aan het werk en bijna een eeuw lang hielden alle spinners, wevers en kooplui van zijde zich bij dat ene gilde. Daarna werd de rol van de kooplieden en hun onderlinge concurrentie bepalend voor de verdere ontwikkeling. De weefgetouwen werden groter en sneller; iedere technische vernieuwing bracht de angst mee dat ze 'de dood van het vak' zou worden.

De soieurs speelden ateliers tegen elkaar uit en bouwden van hun winsten kleine renaissance-paleizen, waarvan ze meestal ook een aantal verdiepingen verhuurden, want zakelijk bleven ze. Hun voorkeur ging uit naar stevige gebouwen, dus kozen ze uit alle stijlen van de oudheid meestal de Dorische. Het Historisch Museum van Lyon is gevestigd in twee van zulke huizen, door twee broers gebouwd rond een gemeenschappelijk binnenplein.

Lyon was de eerste Franse industriestad, in de achttiende eeuw, en 40 procent van de bevolking verdiende er zijn brood in de textiel. De grote bloei van de stad in die eeuw, tot aan de Franse revolutie, is nog steeds op veel plekken te zien. Na de revolutie kwam de zijde-industrie bij gebrek aan opdrachten een jaar of tien stil te liggen. Aan het begin van de volgende eeuw kreeg Lyon een nieuwe impuls van Napoleon, die Versailles en andere paleizen opnieuw liet stofferen, in de nieuwe stijl die de geschiedenis zou ingaan als empire.

De sociale omwentelingen volgden elkaar op in die eeuw van industrialisatie. De Lyonese wevers waren van oudsher gewend zich te organiseren en onderhielden geheime contacten met de Italiaanse mijnwerkers in Savoie, een kleine honderd kilometer verderop. De gidsen van het Bureau du tourisme, gevestigd op vijf plekken in de binnenstad, wijzen u het huis waar uit de samenzwering van wevers en mijnwerkers in 1848 de eerste consumentenorganisatie ontstond: les Voraces (de vraatzuchtigen). Zij eisten invloed op de steeds stijgende prijzen van brood en wijn.

Het huis is er een met veel traboules, overdekte doorgangen tussen verschillende woningen. Een bouwstijl die voortkwam uit de behoefte van de kooplui om hun woningbezit uit te breiden en tevens snel hun materialen van het ene wevershuis naar het andere over te brengen. Die onoverzichtelijke wirwar van verbindingen tussen huizen kwamen niet alleen de Voraces goed van pas, maar ook de verzetsgroepen tegen de Duitsers, bijna honderd jaar later.

Toen de Lyonese opstandigheid een bodem kreeg door de klassestrijd-leer van Marx, plaatsten de fabrikanten hun spinnerijen en weverijen zo veel mogelijk naar het omringende platteland. De boeren in de Ardèche en de Cevennen waren niet welvarend en al snel bereid een deel van hun dochters voor een paar centen het werk van de lastige Lyonezen over te laten nemen. Er werden slaapzalen gebouwd naast de fabrieken en ook kapellen, want er moesten nonnenkloosters ingeschakeld worden voor de verzorging van de kinderen. Het ouderlijk dorp was vaak te ver om dagelijks te voet heen en weer te gaan. 'Métro, boulot, dodo (metro, werken, slapen) maar dan zonder métro', zegt de toeristengids, een doctor in de kunstgeschiedenis, gepromoveerd op de historie van het weven. Van acht tot twaalf jaar mochten de meisjes slechts acht van de 24 uur werken, stelde een kinderwetje in 1870. Boven de twaalf maakte de fabrikant het zelf uit.

Het meest verfijnde weefwerk bleef in Lyon, tot de dag van vandaag. Een paar ateliers zijn nog in bedrijf en voorzien in een behoefte door antiek zijdeweefsel te restaureren en aan te vullen, met dezelfde apparatuur en hetzelfde materiaal als in de tijd dat de oorspronkelijke stof gemaakt werd. De wevers van Maison Canut, in Croix Rousse, hebben altijd werk op het getouw staan voor een of ander kasteel en zij zijn erop ingesteld groepjes belangstellenden toe te laten kijken en uitleg te geven.

Niet ver van de oude ateliers staat het standbeeld van de man die rayon uitvond, de eerste kunstzijde. Hij zorgde voor de schakel naar de fabricage van kunststoffen, nog steeds een belangrijke bron van inkomsten voor de stad waar Zuid-Frankrijk begint.

Nationaal Frans Verkeersbureau, Prinsengracht 670, 1017 KX Amsterdam, 020-620.31.41.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.