Een wonderbaarlijk fenomeen

John Updike was een verbazingwekkend productief schrijver, maar zijn essays maakten hem tot een fenomeen.

Van Susan Sontag is de uitspraak: 'My idea of a writer: someone interested in everything.' Als weinig anderen in de Amerikaanse literatuur beantwoordde John Up- dike (1932-2009) aan dit credo.


Vanaf 1965 verrichtte Updike zo grofweg elke tien jaar een daad waarvoor het woord 'indrukwekkend' een eufemisme is, en die hij zélf bijna laconiek aan de wereld presenteerde: dan bundelde hij een ruime keuze uit de essays, artikelen en beschouwingen die hij in die tien jaar had geschreven.


Updike was een verbazingwekkend productief schrijver van romans en verhalen, maar dat hij daarnaast nog in staat (én bereid) was zo veel essays en kritieken te schrijven, maakt hem in één keer, ook in internationaal opzicht, tot een wonderbaarlijk fenomeen. De enige Nederlandse schrijver met wie hij op het gebied van die onnavolgbare (en bijna onbegrijpelijke) productiviteit valt te vergelijken, is Simon Vestdijk, over wie de dichter Adriaan Roland Holst ooit in een gelegenheidsgedicht de stelling poneerde: Vestdijk schrijft sneller dan God kan lezen.


Even afgezien van het feit dat God op mij niet de indruk maakt van een lezer (getuige het Oude Testament was hij toch meer een - vaak toornige - doener dan een denker) begrijpen we ook nu nog wat Roland Holst met die typering bedoelde: Vestdijk was de atletische duivelskunstenaar pur sang.


Enigszins vergelijkbaar met die typering is de terloopse mededeling die Updike in één van zijn non-fictie collecties, Picked-Up Pieces (1975) over zijn 'lees- en schrijfgedrag' deed: 'I read slower than I write.' De meeste van Updikes gebundelde non-fictie-verzamelingen tellen zo rond de achthonderd - zeer dichtbedrukte - bladzijden. Veel van die honderden bladzijden worden gevuld met essays over boeken. Aan Updikes honderden essays over literatuur is onvermijdelijk een ontzagwekkende leestijd voorafgegaan.


De schrijver die beweert 'trager' te lezen dan te schrijven, zegt tegelijkertijd sneller te schrijven dan te lezen - en die ontboezeming wekt misschien de verdenking dat hier een bij uitstek slordige stilist zichzelf onbedoeld te kijk zet. Maar John Updike was nu juist, óók in zijn non-fictie, een even secuur als joyeus stilist. Hij schreef titanisch veel, maar nergens ademt zijn non-fictie de sfeer van haastklus en achteloze veelschrijverij.


Joyce Carol Oates, die andere productieve Amerikaanse auteur, beweerde eens over Updikes essays dat het eigenlijk niet uitmaakte waar hij, Updike, over schreef, omdat je ook van zijn non-fictie kon genieten vanwege de 'zwierige en gulle schoonheid' van zijn zinnen. Updike was voorbeeldig in zijn precisie, en aanstekelijk in zijn goede moed en frisse zin.


Gul was Updike ook in zijn tot op hoge leeftijd ongebroken nieuwsgierigheid naar het werk van schrijvers uit taalgebieden die voor de meeste Amerikanen obscuur en perifeer zijn. Slechts een heel klein deel van de fictie die in Amerika verschijnt is vertaalde fictie, en een al even klein deel van de Amerikaanse lezers nam kennis van die vertaalde fictie - maar Updike leek 'alles' te lezen, niet alleen de Groten en Gecanoniseerden uit de wereldliteratuur, maar ook de schrijvers die sommige lezers in ons land misschien wél, maar die de meeste Amerikaanse lezers niet kennen: van Wole Soyinka en Ben Okri tot Péter Esterházy en Sony Labou Tansi. Van laatstgenoemde schrijver is nooit iets in het Nederlands vertaald, maar de immer alerte Updike schreef niet alleen een enthousiasmerend essay over het werk van deze Congolese schrijver, maar plaatste diens oeuvre óók nog eens in één moeite door in de traditie van de eigentijdse literatuur uit Centraal-Afrika. En dat nooit op een toon die autoriteit wil afdwingen of nadrukkelijk gezaghebbend wil zijn, maar meer als een verbaal begiftigde vriend die graag als leesgids voor ons wil optreden.


Kom daar eens om bij andere schrijvers van zijn portee en staat van dienst... Zouden in ons land de Grote Drie - Reve, Hermans, Mulisch - zich ooit hebben verwaardigd zich te verdiepen in de oeuvres van tijdgenoten uit, zeg, Denemarken, Noorwegen en, bien étonnée, Nigeria of Venezuela? Lijkt me niet. Gerard Reve schreef ooit een bewonderend essay over Louis Couperus. Mulisch essayeerde terdege - maar zelden over werk van andere schrijvers, of het moet Anne Frank zijn. W.F. Hermans was van de drie nog het meest veelvormig in zijn literair-essayistieke belangstelling: hij schreef over een variëteit aan schrijvers, van De Sade en Appolinaire tot Melville en Multatuli. Maar voor alle drie geldt: het waren Groten die over andere Groten schreven. In vergelijking met hen was Updike vrij van de nuffige neiging onder schrijvers tot het aanbrengen van hiërarchie.


Niet dat de Groten bij Updike werden overgeslagen. In een recensie in Vrij Nederland van de vuistdikke collectie Hugging The Shore (1983) constateerde Doeschka Meijsing nu bijna dertig jaar geleden: 'Noem een naam die in dit boek niet te vinden zou zijn: Proust, Melville, Kafka, Henry James, Nabokov, Brecht, Grass, Handke, (...) Roland Barthes, Anne Tyler (...), Milan Kundera (...). Ik kan wel aan de gang blijven met namen noemen: ze staan er allemaal in.'


Uit dit citaat blijkt naar ik hoop dat Meijsing destijds bevangen was door de bewonderende verbazing die zo veel lezers van Updikes non-fictie wel moeten ervaren. In 1915 publiceerde Louis Couperus het non-fictieboek Van en over alles en iedereen. Die titel had prachtig gepast als subtitel bij John Updikes zes monumentale mammoet-essaybundels, waarin de schrijver met een onnavolgbare lenigheid van geest een slalom aflegt van het ene onderwerp naar het andere: van het golfspel via de etsen van Rembrandt via een Dickens-biografie via Amerikaanse portretfotografie via Goya en Turner en Warhol tot - vaak de meest saillante, want secuur geformuleerde - stukken over zijn generatiegenoten en, tot op zekere hoogte, 'rivalen' als Tom Wolfe, Philip Roth en Saul Bellow.


Doeschka Meijsing benadrukte in haar recensie van dertig jaar geleden hoe gesteld zij was op Updike-de-essayist: 'Hij is zo vitaal en 'honest'. Hij heeft zo veel plezier in zijn werk. Hij is intelligent, nieuwsgierig en warm.' Het is een fragment uit de slotalinea van Meijsings bespreking, die destijds gerust drie pagina's in Vrij Nederland mocht beslaan. Niet alleen waren boekbesprekingen toen van een lengte die tegenwoordig verboden lijkt te zijn in de krant, maar ook ruimden kwaliteitskranten en opinieweekbladen nog relatief veel ruimte in voor besprekingen van essaybundels. Hugging the shore kon en mocht van VN nog door Meijsing worden geanalyseerd in een artikel van een lengte die anno 2012 moeilijk meer ergens te publiceren valt. In onze tijd overheerst de recensie van postzegelformaat, als er al aandacht aan het essay als literaire vorm wordt besteed.


Veelzeggend in dat verband is dat een kleine twintig jaar later, in 1999, in de Volkskrant Updikes bijna duizend pagina's tellende collectie More Matter het moest doen met een zogeheten 'stapel-recensie': een stuk waarin meerdere boeken (soms van een en dezelfde schrijver) worden besproken. In dat stuk stond gelukkig nog wel dat niet alleen Philip Roth in aanmerking zou moeten komen voor de Nobelprijs, maar ook Updike - en dan vooral vanwege zijn non-fictie.


Dat was 1999. Een paar maanden geleden verscheen, postuum, Updikes zevende vuistdikke essaybundel Higher Gossip. Afgezien van een klein artikel in Het Parool door schrijver Herman Stevens, is Higher Gossip in Nederland onthaald op een geruisloosheid die een tikje moedeloos stemt. In NRC Handelsblad en ook in deze krant kon er zelfs geen postzegelrecensie van af. En dat terwijl het overlijden van Updike in 2009 tevens het verlies en de verdwijning markeerde van het soort literator dat niet meer bestaat - simpelweg omdat geen schrijver in Amerika er nog naar taalt om non-fictie te schrijven met de inzet die Updike typeerde: interested in everything.


Zelf omschreef Updike die veelvormige interesse bij wijze van credo als volgt: 'A fervent relation to the world.' Met nadruk voegde Updike eraan toe dat die 'fervente relatie' tot de wereld óók de kleine fenomenen en alledaagse elementen moest omvatten. Het stemt droevig dat zo'n onnavolgbare, getalenteerde, nieuwsgierige geest nog geen drie jaar na zijn dood en bij de postume publicatie van alweer zo'n zeldzaam encyclopedische collectie essays in Nederland wordt onthaald op een stilte die misschien typerend is voor het huidige literaire klimaat. Want wat voor soort literatuur wordt dan wél gesignaleerd en gewaardeerd? De literatuur die naadloos aansluit bij heersende culturele tijdgeest, geschreven door schrijvers die doorgaans óók een fervente relatie onderhouden, niet met de wereld, wel met zichzelf. Zeven van de tien Nederlandse romans kun je anno 2012 samenvatten met: me, myself and I.


Laten dat nou net de woorden zijn die John Updike in al zijn duizenden bladzijden non-fictie uiterst spaarzaam gebruikte.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden