Een vriendenclub met heldere lijnen; BAKER EN FITZWATER OVER VEELBEWOGEN REGEERPERIODE-BUSH

BIJ MEMOIRES van buitenlandse staatslieden is het altijd verleidelijk meteen in het register op te zoeken of Nederland wordt genoemd, en zo ja in welk verband....

PAUL BRILL

Ere wie ere toekomt: deze royale behandeling hebben we voornamelijk te danken aan Bakers toenmalige ambtgenoot in Den Haag: Hans van den Broek. In februari 1989 - hij had nog geen drie weken tevoren zijn intrek genomen in het State Department reisde Baker in acht dagen alle hoofdsteden van de vijftien NAVO-bondgenoten af. Met deze bliksemreis wilde de regering-Bush allereerst onderstrepen dat ze het grootste belang hechtte aan de Atlantische samenwerking; tevens hoopte ze de bondgenoten op één lijn te krijgen inzake de door sommigen bepleite en door anderen juist weer ontraden modernisering van tactische kernwapens.

'Van alle ontmoetingen was mijn gesprek in Nederland met minister van Buitenlandse Zaken Hans van den Broek wellicht het vruchtbaarst', schrijft Baker. Van den Broek suggereerde een twee-sporenbeleid, dat zowel modernisering als wapenbeheersing omvatte. Hij had daarover enkele gedachten op een papiertje gezet, dat hij aan zijn Amerikaanse gast meegaf. 'Het was de eerste, maar zeker niet de laatste keer dat deze scherpzinnige staatsman de oplossing voor een diplomatieke impasse aandroeg', aldus Baker.

Het compliment is extra opmerkelijk omdat de auteur verder tamelijk zuinig is met persoonlijke kanttekeningen. In de inleiding verkondigt hij met nadruk dat de lezer in de navolgende bladzijden niet het kiss-and-tell-verslag hoeft te verwachten waarmee de laatste jaren zoveel hoge functionarissen uit de regeringen van Ronald Reagan en George Bush publicitaire sier hebben gemaakt. Baker laat trouwens het Reagan-tijdperk - waarin hij achtereenvolgens stafchef van het Witte Huis en minister van Financiën was - buiten beschouwing en concentreert zich op zijn lotgevallen als minister van Buitenlandse Zaken onder zijn vriend en politieke mentor Bush.

Het zou misplaatst zijn dit een 'beperking' te noemen. Baker leidde het State Department in een cruciale periode (1989-'92), waarin de historische gebeurtenissen en internationale crises als het ware over elkaar heen buitelden: de ontbinding van het Sovjet-imperium, de val van de Berlijnse Muur, de Duitse vereniging, de onderdrukking van de Chinese democratiseringsbeweging, de Amerikaanse interventie in Panama, de Golfoorlog, de Arabisch-Israëlische toenadering, de ontmanteling van het Zuidafrikaanse apartheidssysteem. De energieke Baker zat er letterlijk met zijn neus op, en het was niet in de laatste plaats aan zijn diplomatieke behendigheid te danken dat de Verenigde Staten, tegen de verwachtingen in, een behoorlijke greep hielden op de ontwikkelingen.

Wat daarbij onmiskenbaar hielp, was dat de buitenland-sectie in de regering-Bush bestond uit mensen die elkaar goed kenden en een identieke visie op de internationale politiek hadden. Ze vormden welhaast een vriendenclub. De interne schermutselingen die zich binnen de regering-Reagan zo veelvuldig afspeelden tussen State Department, Pentagon en de Nationale Veiligheidsraad, kwamen niet voor.

Of de geestverwantschap ook betekende dat men opereerde op basis van een uitgewerkte strategie, valt uit The Politics of Diplomacy niet op te maken. Baker vertelt minder over de besluitvorming in Washington dan over zijn beraadslagingen met allerhande buitenlandse leiders. Het is evenwel niet waarschijnlijk dat er een grand strategy was. Baker zelf is meer een doener dan een denker - evenals Bush trouwens - en een van de sleutels tot zijn succes is een flinke dosis pragmatisme.

Geen grote strategie dus, wel een aantal heldere lijnen. Een van die lijnen was het betrachten van terughoudendheid bij de geleidelijke desintegratie van het Sovjet-rijk. Dat dit een welbewuste keuze was, komt ook tot uiting in een boek dat haast gelijktijdig met dat van Baker is verschenen: de memoires van Witte Huis-woordvoerder Marlin Fitzwater, getiteld Call the Briefing!.

Fitzwater beschrijft uitvoerig de eerste topontmoeting van president Bush met Sovjet-leider Michail Gorbatsjov op Malta, december 1989. Hij memoreert dat Bush op een gegeven moment zijn gesprekspartner voorhoudt: 'Ik hoop dat u heeft gemerkt dat we de afgelopen maanden hebben gewaakt voor elke vorm van provocatie. Ik ben behoedzaam, maar niet timide. Ik heb me bewust onthouden van een vreugdedans op de brokstukken van de Berlijnse Muur.' Op dat moment gaan Fitzwaters gedachten terug naar de negende november, toen het perscorps van het Witte Huis stond te trappelen om van de president zelf een reactie te krijgen op de omwenteling in Berlijn. Bush was er niet happig op geweest meteen voor de camera te verschijnen. 'Het laatste dat ik wil, is dat we hier gaan opscheppen over het winnen van de Koude Oorlog. Oost-Europa is niet gebaat bij triomfantelijkheid aan onze kant', had hij gezegd. Fitzwater had geantwoord dat hij dat begreep, maar dat de president van de VS op zo'n historisch moment toch acte de présence moest geven. Uiteindelijk had Bush ermee ingestemd dat hij een aantal verslaggevers, onder wie een cameraploeg, 'op waardige en presidentiële wijze' in zijn werkkamer te woord zou staan.

'Maar het perscorps van het Witte Huis is nu eenmaal niet waardig', schrijft Fitzwater, en van de serene setting waarop Bush had gehoopt, kwam niets terecht. De camera stond pal op Bush' lip en de verslaggevers dromden eromheen. De president helde van de weeromstuit achterover en was duidelijk niet op zijn gemak. Zijn commentaar was navenant vlak en kwam hem in de VS op veel kritiek te staan.

Maar ruim een maand later, op Malta, kon Bush deze slechte beurt alsnog omzetten in een pluspunt. Hij kon Gorbatsjov ervan overtuigen dat Washington er niet op uit was het leven nog moeilijker voor hem te maken en strategisch voordeel te halen uit de verschuivingen in Oost-Europa. De top in Malta, schrijft Baker, leverde geen concrete overeenkomsten op, maar smeedde een stevige vertrouwensband tussen Bush en Gorbatsjov en moet daarom als de belangrijkste van hun ontmoetingen worden beschouwd.

Aan het Malta-verhaal wordt een sappig detail toegevoegd door Fitzwater. De amateur-schipper Bush had bedacht dat de gesprekken beurtelings zouden plaatsvinden op een Amerikaans en een Russisch marine-vaartuig, die voor de gelegenheid zouden afmeren in de haven van Malta. Alles was grondig voorbereid, maar het weer werkte niet mee: uitgerekend tijdens de top woedde er een hevige storm, die tot in de haven tot problemen leidde.

Aan het eind van de eerste dag was het water zo ruw dat de kapitein van de USS Belknap het niet verantwoord achtte de sloep de laten uitvaren die Bush naar de Gorky zou brengen voor het diner met Gorbatsjov. Voor Fitzwater was dit ook een ernstige tegenslag: hij kon niet aan wal om de pers te briefen en moest via een gebrekkige telefoonlijn zijn verschillende medewerkers instrueren wat er wel en niet gezegd kon worden. Maar er viel niets aan te doen en het gezelschap besloot van de nood een deugd kon maken. In de hut van de kapitein werd een geïmproviseerd diner geserveerd, er bleken nog enige uitstekende wijnen aan boord te zijn, en vier uur lang bespraken Bush, Baker, veiligheidsadviseur Brent Scowcroft, Witte-Huis-stafchef John Sununu en Fitzwater in een genoeglijke sfeer de toestand van de wereld, met inbegrip van de laatste roddels in Washington. 'Het mooie ervan was dat niemand ons kon bereiken. Buiten woedde de storm. We were exquisitely alone.'

Dit verhaal tekent het verschil tussen Fitzwaters memoires en Bakers relaas. Het laatste heeft een monumentale inslag: vier jaar turbulente wereldgeschiedenis passeren de revue. De ex-minister citeert veelvuldig uit de notulen van zijn besprekingen, en hoewel hij geen schokkende onthullingen doet, geeft hij wel de nodige verrassende inkijkjes. Om nog maar weer eens dicht bij huis te blijven: we leren dat dat de conferentie van Madrid, die het startpunt vormde van het Arabisch-Israëlische vredesproces, aanvankelijk de conferentie van Den Haag had moeten worden. Maar ondanks hevig aandringen van Baker, die in het geheim al een team had afgevaardigd naar Den Haag, ging president Assad van Syrië niet akkoord met een Nederlandse locatie.

Fitzwater, die zijn hele periode in het Witte Huis (zes jaar) behandelt, schrijft losser en brengt de personages in zijn verhaal meer tot leven. Met de pers verveelde hij zich nooit en de pers verveelde zich nooit met hem. 'Het perscorps van het Witte Huis verzamelt zich elke ochtend als een troep leeuwen. Het gromt en grauwt, gluipt en kruipt, is af en toe aanminnig, maar heeft altijd honger', luidt de opening van Call the Briefing!.

Fraai is ook het verhaal over het afscheid van Reagan na de inauguratie van Bush. Het echtpaar Reagan wordt uitgeleide gedaan door de nieuwe president en First Lady, de Bakers en Fitzwater. Als de helikopter is opgestegen en het gezelschap de trappen van het Capitool weer opgaat, schieten Bush, Baker en Fitzwater vol en barsten gelijktijdig in huilen uit. Ze moeten echt even bijkomen voordat ze weer naar binnen kunnen. Baker slaat een arm om Fitzwater en zegt: 'We hebben zoveel met hem meegemaakt.'

Tot zo'n bekentenis zal Baker zelf niet snel overgaan.

Paul Brill

James A. Baker III: The Politics of Diplomacy - Revolution, War & Peace, 1989-1992.

Putnam, import Van Ditmar; ¿ 65,60.

ISBN 0 399 14087 5.

Marlin Fitzwater: Call the Briefing! - Reagan and Bush, Sam and Helen: A Decade with Presidents and the Press.

Random House, import Van Ditmar; ¿ 50,50.

ISBN 0 8129 2296 4.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden