Een volle databank levert nog geen volle cellen

In 2013 moest het er maar eens van komen: een dna-databank voor iedereen. Hoe kijken we daar anno 2033 tegenaan? Een terugblik uit de toekomst.

Hij deed het gewoon. Al zijn hele regeerperiode stond Ivo Opstelten, toenmalig minister van Justitie en Veiligheid, bekend als een hardliner als het ging om criminaliteitsbestrijding. Dit was zijn magnum opus, de kroon op zijn werk. Er moest en zou een dna-databank komen met daarin een profiel van alle Nederlanders - 17 miljoen destijds. Dat zou de criminaliteit verlagen, maar vooral: de pakkans voor misdadigers verhogen, zo hoopte hij.


Het waren de nadagen van de zaak-Marianne Vaatstra. Dertien jaar na de gruwelijke moord op het Friese meisje werd de zaak in 2012 door middel van dna-onderzoek eindelijk opgelost. Dat had veel sneller gekund als iedereen zijn dna in een landelijke databank had gehad - zoveel was duidelijk. En dus gingen er stemmen op om invoering ervan. De omstandigheden waren nog nooit zo gunstig voor Opstelten om zijn plan door te voeren.


Natuurlijk, er was ook wat tegenstand. Maar het aantal voorstanders was aanzienlijk groter. Dit was het ultieme middel om de beroerde cijfers van de politie eens op te krikken.


Van de ruim 1 miljoen geregistreerde misdrijven in 2012 werd er maar 25 procent opgelost. Een dna-databank zou dat aanzienlijk verhogen, dat kon niet anders. En zo werd in de lente van 2014 het plan door de Tweede Kamer geloodst en kon er een begin worden gemaakt met de databank.


Nu, een paar decennia later, is Nederland halverwege met het project. Negen miljoen burgers hebben hun dna afgestaan. Maar tot teleurstelling van velen is de criminaliteit niets gedaald en de pakkans nauwelijks verhoogd. Hoe is dat mogelijk?


Ate Kloosterman herinnert zich de periode rond 2013 nog goed. Hij was destijds als dna-expert werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). 'De techniek was toen net zo ver gevorderd dat we überhaupt konden nadenken over zo'n nationale dna-databank', zegt hij terugblikkend. 'Een paar jaar eerder was het technisch onmogelijk geweest.'


Maar dat het een lastige klus zou worden, was direct duidelijk. 'Met de toenmalige bezetting van het NFI - zowel wat betreft personeel als apparatuur - zou het meer dan 300 jaar duren voordat iedereen in de databank zat. We verwerkten destijds 40.000 monsters per jaar', weet de toenmalige beheerder van de dna-databank Kees van der Beek nog. 'Er was een gigantische uitbreiding van het forensisch instituut nodig.'


Om over de kosten nog maar te zwijgen. Met een prijs van 50 tot 100 euro per opgemaakt dna-profiel kostte alleen al het technische gedeelte van het invoeren van een dna-databank voor 17 miljoen mensen rond een miljard euro. Ter vergelijking: de begroting van het NFI destijds was circa 70 miljoen, en de rijksbegroting voor het departement Justitie en Veiligheid besloeg zo'n 12 miljard euro. 'En dat gaat alleen nog maar om de analyse. Het coördineren van een project om iedereen zijn wangslijm te laten inleveren, was nog vele malen duurder', zegt van der Beek. Om de rijksbegroting rond te krijgen, moest er op allerlei andere gebieden hard bezuinigd worden.


De grote vraag is: was het dit allemaal waard? Wat heeft de databank tot nu toe opgeleverd? Bar weinig, zo blijkt uit een tussentijdse evaluatie die onlangs is uitgevoerd. Natuurlijk, er waren een paar spraakmakende positieve resultaten. De moord op 10-jarige Purmerendse Petertje Oort uit de zomer 1982, bijvoorbeeld, is eindelijk opgelost. En ook voor de dubbele moord op Leon Rombouts en Manita Koenen in Kaatsheuvel is een dader opgepakt op basis van een dna-spoor.


Teleurstellingen

Maar er waren ook veel grote teleurstellingen. Zo is de moord op de 11-jarige Nicky Verstappen nog steeds onopgelost. Zijn lichaam werd in 1998 in het Limburgse Brunssum gevonden. De dader kan bij de nog te bemonsteren Nederlanders zitten, maar het is ook heel goed mogelijk dat hij zijn wattenstaafje simpelweg niet ingeleverd heeft.


'Het is bijna onmogelijk om iedereen te dwingen zijn speeksel in te leveren', zegt Pim Volkers van Verilabs, de private concurrent van het NFI. 'Juist mensen met een crimineel verleden gaan er niet aan mee doen. Daar moet je dan allemaal achteraan. Het is bovendien niet heel moeilijk om van de radar te verdwijnen, bijvoorbeeld door te verhuizen naar het buitenland.'


Kloosterman voegt toe: 'Alle toeristen, zakenlui en moderne gastarbeiders bevinden zich sowieso niet in de databank, terwijl misdaadtoerisme een reëel probleem is.' De moord op Verstappen gebeurde dichtbij de grens en de dader zou zo maar eens een Duitser kunnen zijn. Nederland heeft door de jaren heen zijn databank wel gekoppeld aan die van de VS en Engeland, maar niet aan Duitsland. Daar was tot dusver nooit een politieke meerderheid om er een in te voeren.


De grootste teleurstelling is echter het feit dat de dna-databank maar tot een paar procent meer opgeloste misdrijven heeft geleid. Rechtspsycholoog Peter van Koppen van de Universiteit Maastricht had niet anders verwacht: 'We hadden destijds een minister die niet naar onderzoek luisterde. Hij en velen met hem, overschatten het nut van dna als bewijsmateriaal schromelijk', zegt hij.


'In niet meer dan een enkele procent van de zaken is dna-bewijs behulpzaam. Bij het overgrote deel van de zware misdrijven is het direct duidelijk wie het gedaan heeft en wordt de dader snel gevonden in relationele of familiare sfeer. Er hoeft helemaal geen dna aan te pas te komen.'


In 2013 werd zonder databank al 80 procent van de moorden in Nederland opgelost, op een totaal van 150 zaken per jaar. Bij het overige onopgeloste deel werd lang niet altijd een goed dna-spoor gevonden. 'Zaken zoals die van Vaatstra zijn zeer zeldzaam', zegt rechtbankverslaggever Chris Klomp, destijds werkzaam voor verschillende kranten, die toen nog op papier verschenen. 'Dat maakt een dna-databank veel minder krachtig dan vaak gedacht.'


Als preventief middel was de databank helemaal een deceptie. Het aantal moorden, verkrachtingen en overvallen is niet gedaald sinds de invoering van de dna-databank.


'Bijna alle zware delicten worden in een opwelling gepleegd', zegt Klomp. Daar helpt een databank dus niets tegen. En bij misdaden die wel voorbedacht zijn - zoals afrekeningen in de criminele wereld - gaan de daders vaak professioneler te werk en zorgen ze er wel voor dat ze geen bruikbare sporen achterlaten. Ook zij laten zich niet afschrikken door een databank. Ongetwijfeld zijn er een paar draaideurcriminelen eerder in hun kraag gevat, maar daar blijft het wel bij.


Weemoed

Met weemoed denken de experts nog weleens aan de databank van vóór 2013. 'Er zaten toen 160 duizend profielen in, ongeveer 1 procent van de bevolking', weet van der Beek nog. Die waren heel specifiek: iedereen die opgepakt werd voor een misdrijf waarbij voorlopige hechtenis toegestaan was, moest zijn dna afgeven.


De databank bevatte daardoor bijna alleen maar criminelen. En dat was efficiënt: destijds leverde 40 tot 50 procent van alle sporen die op een plaats delict gevonden werden, een match op met een persoon in de databank. 'De meeste criminaliteit wordt gepleegd door mensen die eerder al iets op hun kerfstok hadden. Die zaten dus al in de databank', zegt Klomp.


Het opvullen van de databank met alle Nederlanders betekende daardoor vooral een vervuiling van een goed werkende databank vol criminelen met de profielen van hoofdzakelijk onschuldigen. Dat dat weinig effect zou hebben op de criminaliteitscijfers had Opstelten kunnen weten, zegt Maarten Blom, dna-deskundige bij Verilabs. 'In 2013 bevatte de Britse dna-databank procentueel gezien tien keer zoveel profielen als de Nederlandse, omdat daar al bij veel lichtere vergrijpen dna werd afgenomen. Het aantal matches was echter vergelijkbaar. Een vollere databank levert geen vollere cellen op.'


De landelijke dna-databank leverde bovendien een aantal vervelende situaties op. Zo was er die misbruikzaak op een kinderboerderij in Almere in 2021. Er werd geen bloed, sperma of speeksel gevonden en dus verzamelde de politie contactsporen, zoals huidschilfers en haren. Dat leverde het dna-profiel op van wel veertig personen en dus ook veertig matches in de databank. Eén voor één werden tientallen jonge vaders ontboden op het politiebureau.


'De databank zorgt in sommige gevallen voor een omkering van de bewijslast,' zegt van der Beek. 'Opeens moeten mensen hun onschuld bewijzen en een alibi aanleveren, in plaats van dat ze in de basis onschuldig zijn.' Dat gaat tegen de basisprincipes van de rechtstaat in, en leverde Nederland meerdere malen een tik op de vingers op van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en van Amnesty International. Nederland staat er wat betreft mensenrechten de laatste jaren niet goed op.


De conclusie van de evaluatie is dan ook vernietigend: De databank is verschrikkelijk duur, niet effectief en zelfs riskant voor de rechtstaat. Maar wat nu? Al het geld als verloren beschouwen en de databank weer opschonen van onschuldigen? Of toch maar gewoon het project afmaken nu we zo ver zijn gekomen? De Nederlandse politiek is er nog niet helemaal uit.


Dit artikel is tot stand gekomen door gesprekken met de genoemde deskundigen. De situaties zijn fictief, de citaten echt.


HET BEGINT MET WANGSLIJM

Het opnemen van een dna-profiel in de databank begint bij het verzamelen van wangslijm. In een forensisch laboratorium wordt daar vervolgens met moleculaire technieken dna uit geïsoleerd, waarna de analyse kan beginnen.


Om een profiel te verkrijgen dat geschikt is voor de databank, hoeven de laboranten niet het volledige dna te analyseren. Er wordt alleen naar heel specifieke delen gekeken, de zogenaamde hypervariabele regio's .


Dat zijn kleine stukjes dna van 4 tot 6 letters achter elkaar, die zichzelf steeds herhalen: TCAT TCAT TCAT bijvoorbeeld. Het aantal keer dat zo'n klein stukje zich herhaalt, verschilt sterk van persoon tot persoon; het varieert van twee tot wel tientallen.


Bij een dna-analyse worden vijftien van zulke hypervariabele regio's geanalyseerd. Het levert een profiel waarbij voor elke regio het aantal zich herhalende stukjes is geturfd.


Als er op een plaats delict sporen worden gevonden die een volmaakt profiel opleveren van alle vijftien dna-regio's, dan is dat volstrekt uniek en levert het maar één match op in de databank. Er is niemand anders die bij alle vijftien regio's precies evenveel repeterende stukjes code heeft.


Hoe onvollediger, hoe hoger de kans dat er wel een identiek profiel is. Bij acht regio's is de kans 1 op 3,4 miljard, bij vier ongeveer 1 op de 100 duizend.


In een databank met alle Nederlanders zou zo'n onvolledig profiel dus enkele duizenden matches opleveren.


Uit de variabele regio's is geen enkele medische informatie te halen van de persoon. Ook zegt het niets over uiterlijk of karakter. De regio's zijn voor zover bekend zonder biologische functie. Het NFI slaat wel het celmateriaal uit de wang op, voor eventuele verdere analyse op een later tijdstip. Bijvoorbeeld als er door nieuwe technische mogelijkheden nog betere informatie uit het dna gehaald van worden.


BIJ CSI IS HET ZO MAKKELIJK

Even door de database en klaar? De werkelijkheid is anders. Britse onderzoekers van de ethische waakhond Genewatch berekenden dat het maar bij 1 procent van alle misdrijven lukt om een dna-profiel op te maken. En wat CSI ook lijkt te vergeten: het is vaak helemaal niet duidelijk of een spoor wel een daderspoor is. Haren of schilfers kunnen zomaar van een jongen zijn die toevallig in dezelfde kroeg zat.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden