Een volkstuin ontleed

Eindeloos lang tuurde fotografiestudent Anne Geene in haar volkstuintje door de lens van haar camera. Om alles erin vast te leggen voor haar afstudeerproject. Het monnikenwerk werd bijna een obsessie. 'Ik heb mezelf een tijdje verboden hier te komen.'

'Kijk, dit heb ik laatst nog gevonden!', zegt Anne Geene (27) enthousiast terwijl ze naar een ingelijste streng bladeren van de haagwinde wijst. 'De bladeren zijn gelijkmatig aangevreten door rupsen', licht ze toe. 'Dat vind ik zo mooi.'


De roodharige Geene staat in bloemenjurkje en pumps in haar tuinhuisje in het Rotterdamse volkstuinencomplex Eigen Hof. De tuinen lijken in niets op de kleine volkstuintjes die je weleens langs het spoor ziet. Met de groene struiken, grote bomen, kabbelende beekjes en idyllische bruggetjes lijkt het leven in de grote stad even ver weg. Op het complex bevinden zich 271 percelen, waar Rotterdammers met groene vingers ('rasechte, maar ook yuppen') hun vrije tijd doorbrengen.


Op een van die percelen werkte Geene een jaar lang aan haar minutieuze afstudeerproject voor de opleiding fotografie aan de Bredase kunstacademie Sint Joost: het in kaart brengen van al het leven in haar volkstuin. En dat terwijl ze wit wegtrok toen haar toenmalige vriend drie jaar geleden voorstelde samen een volkstuin te nemen: 'Hij had de tuin van een vriend gezien, was dolenthousiast en zei resoluut: 'Ik wil een volkstuin.' Daarop antwoordde ik: 'Dan ga ik bij je weg.' Voor de grap natuurlijk, maar ik vond het zo suf.'


Toch gingen ze samen kijken en nog dezelfde dag kochten ze het tuinhuisje op perceel nr. 235. De grond wordt gehuurd. Op de tuinen van Eigen Hof heerst orde en discipline. Zo moeten borders een bepaalde hoogte hebben (40 centimeter) en komt één keer per jaar de tuinkeuring langs. Geene: 'Dit jaar heb ik het blijkbaar goed gedaan, want ik heb geen onvoldoendes. Dat is wel eens anders geweest.'


Geene mag dan als klein kind veel bezig geweest zijn met planten en insecten, het onderhouden van een volkstuin is wel even wat anders: 'In het begin deed ik alles op intuïtie, maar dat bleek vaak verkeerd te zijn. Zo had ik ooit het idee om sla te zaaien. Sla schijnt het goed te doen op kleigrond, maar dat wist ik toen nog niet. Dus ik groef een geul van twee meter en gooide daar, in de veronderstelling dat niet alle zaadjes uit zouden komen, het hele zakje in. Binnen korte tijd had ik een twee meter lange heg van sla. Buurman Ben keek er hoofdschuddend naar en zei met Rotterdams accent: 'Dat moet je verplaatsen, joh, anders krijg je nooit kroppies.'


Voor haar afstuderen wilde Geene iets doen met fotografie en wetenschap: 'Aan wetenschap kleeft het idee van volledigheid. Als je een flora en fauna-encyclopedie in je handen hebt, krijg je het idee dat alles in dat boek staat. Terwijl dat natuurlijk niet waar is: er staat alles in wat door de auteurs gevonden is. Ik wilde kijken hoe compleet ík een kleine omgeving in kaart kon brengen. Vanwege mijn liefde voor planten en dieren dacht ik meteen aan de volkstuin.'


En compleet is haar Perceel nr. 235 - Encyclopedie van een volkstuin zeker. Bijna alle soorten flora en fauna die ze in haar tuin tegenkwam, staan in het boek. Van de hoogst voorkomende diersoort (mantelmeeuw) tot de laagst voorkomende (pop van de wilgenpijlstaart), van bacteriën in slakkenslijm tot parende bladhaantjes, van dwaalgasten (het hondje van buurvrouw Lucy) tot herfstbladeren gesorteerd op kleur. Toch moet ze bekennen dat één soort ontbreekt, en dat is de spin: 'Die vind ik ontzettend smerig. Ik heb een keer geprobeerd een klein spinnetje te fotograferen, maar toen ik scherp stelde moest ik kokhalzen.'


Voor het project struinde ze vijf dagen per week door haar tuin. De ene dag met een netje om insecten van de planten te halen (die na bewezen diensten weer vrijgelaten werden), de andere dag gravend in de grond. Soms tuurde ze urenlang naar de klimop om bladeren te verzamelen met een perfect rond gat. Om het leven in de lucht in kaart te brengen lag ze half maart een paar dagen met het fototoestel in de aanslag in het gras: 'Best koud.' Op sommige dagen overnachtte Geene zelfs in haar tuinhuisje (uitgerust met bed, keuken en toilet) waarna ze 's ochtends onder de tuinslang douchte.


Toen haar afstudeerdatum dichterbij kwam moest ze zichzelf een halt toeroepen. 'Elke keer dat ik hier was, maakte ik honderden foto's. Dat was veel extra werk, want ik moest de foto's laden in mijn computer en de inhoud van het boek weer aanpassen. Toen heb ik mezelf een tijdje verboden hier te komen.'


Geenes mooiste vondst was de cocon van de zeldzame doodshoofdvlinder. Althans, dat dacht ze: 'Ik vond de pop tijdens het graven. Om te achterhalen van welke vlinder de cocon was, ben ik dagenlang gaan zoeken, op internet, in encyclopedieën en in de bibliotheek. Ik was helemaal in de ban van het ding.' Nog enthousiaster werd ze toen de pop het meest op die van de doodshoofdvlinder leek. 'Maar toen de pop uitkwam bleek het een wilgenpijlstaart te zijn. Dat was wel een deceptie.' Ze lacht. 'Ik ben en blijf een amateur.'


De Hef Publishers, 28,90 euroISBN 9789081551519


Vanaf 22 oktober verkrijgbaar bij diverse boekhandels of via: www.dehefpublishers.nl


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden