Een vitale pessimist

Verwarring stichten onder zijn lezers, dat was wat Gerrit Komrij graag deed. Een gelukkige schizo was hij, een oprechte poseur. En een ambassadeur van de poëzie. Donderdag overleed de schrijver.

Poëzie is de moeder en bron van alles, vond schrijver Gerrit Komrij, die na een ziekte van enige maanden afgelopen donderdag op 68-jarige leeftijd in Amsterdam is overleden. Onder de titel 'Schrikbeeld' schreef hij in 2005 deze regels: 'Neem de poëzie me af/ En ik ben een brievenbesteller/ Een defecte toerenteller/ Een man zonder toverstaf.' Op andere plaatsen noemde hij poëzie echter subliem bedrog en nobele zwendel.


Zo kon hij er ook over spreken. 'Een gedicht is ook niks hè, het begint boven aan de pagina en onderaan is het alweer afgelopen.' Met zulke ogenschijnlijke tegenspraken wist Komrij veel lezers in verwarring te brengen, en dat deed hij graag.


'Elk interview is een mystificatie', zei hij - in een interview. Een bloemlezing uit zijn werk noemde Komrij Alles onecht (1984): een paradox die inhoudt dat ook die titel onecht is. In een beroemd gedicht uit 1972 ging het zo: 'Eer plant men bomen op de weg,/ Eer zal men kakken in zijn hoed,/ Dan dat ik u mijn ziel blootleg/ En zeg wat ik thans lijden moet.'


Archaïsch, humoristisch, vormvast - iets heel anders dan de gevoelsuitstorting die sommigen met poëzie verwarren - en ook totaal afwijkend van wat er in de post-experimentele jaren zeventig onder poëzie werd verstaan. Veel later lichtte Komrij in een interview toe: 'Zeggen dat men eerder in zijn hoed zal kakken dan dat ik mijn ziel blootleg, kan een literaire formulering zijn voor: Hoor, hoor mijn ziel! Luister er alstublieft naar. Ik sta hier, zonder potsierlijk te willen lijken, een beetje eerlijk te wezen! 't Is een zelfbeschermingsmechanisme. Ondertussen leg je je hele binnenste bloot.'


Een spel, een maskerade, maar met een serieuze inzet. Zijn autobiografie Verwoest Arcadië (1980) verscheen in de reeks Privé-domein met egodocumenten, maar ging over iemand die Jacob Witsen heette, en de eerste zin ervan luidt: 'Hij heeft geen verleden.' Eerlijk betekent met je billen bloot gaan, zo eindigt hij de proloog. 'Als hij er maar steeds voor zorgde een paar onechte billen op zak te hebben. Die moest hij de mensen zo oprecht mogelijk toesteken.'


In de essaybundel Averechts (1980) verbindt hij deze drang om de lezer op een dwaalspoor te zetten met zijn homoseksualiteit, niet alleen een geaardheid maar ook een 'houding, een temperament', waardoor hij zich als vanzelf aangetrokken voelde tot maskerade en toneelspel, travestie, labyrinten en spiegels, en door omkeringen van wat voor normaal en natuurlijk doorgaat.


Vandaar ook deze regels uit 'Liefde', uit de bundel De os op de klokketoren (1982): 'Ze liggen op elkaar, schurft op eczeem./ Je hoort de schilfers knappen. Roos stuift op./ Hun schedels glimmen als een diadeem./ Ze liefkoost teder zijn gezwollen krop./ (...) Dan gaan zijn sleetse lendenen tekeer./ Het is een machtig knarsen. Het gesop/ Van kwijl in etter kent geen einde meer./ Zij braakt. Gods wonder in een notedop.'


En vandaar ook zijn afkeer van nichterigheid ('Ik houd van de nicht die als een man op me afkomt') en van de Gay Parade, nog op een lezing in 2010: 'Alle homo's op een bootje over het water, in een nadrukkelijke manifestatie van blije grijns en gymnastiekoefeningen. Een schriele geest in een gezond lichaam.' Doodgeknuffeld worden ze door politici en gezagsdragers.


Op de Gay Parade ervoer Komrij de verontrustende afwezigheid van elk element van tegendraadsheid. De homo wil meedoen met de normale wereld, tot en met de 'gruwelijke lachspiegel' van het homohuwelijk. Verraders zijn het, vond Komrij, onwillig 'om te staan voor je eigen lot'. In zijn gedragen toneelstuk Het chemisch huwelijk (1982), geheel uit jambische verzen opgetrokken, werd het aantrekken en afstoten tussen vier mannen beschreven als een chemisch proces, een dodelijke liefde, als homoseksuele variant van de roman Die Wahlverwandtschaften van Goethe.


Een vitale pessimist was Komrij, een gelukkige schizo, een oprechte poseur. En een ambassadeur van de poëzie, dat toevluchtsoord voor de verlegen jongen uit Winterswijk die in Amsterdam tussen 1963 en 1984 naam maakte. Als virtuoos dichter die de ironie en het rijm uit de 19de eeuw van Heinrich Heine en Piet Paaltjens terughaalde, en die zijn eigen ernst en gevoeligheden onder die vormen kon verstoppen. Als vertaler van onder anderen Oscar Wilde, veel stukken van Shakespeare en ook van T.S. Eliots Old Possum's Book of Practical Cats. Komrijs vertaling Kobus Kruls parmantige kattenboek (1985, naar eigen zeggen een hondse taak) werd gebruikt voor de Nederlandse versie van de musical Cats. Zo klonk bij hem Kat Kazemier: 'Je ziet amme kop veel piratenleed af,/ En die stem vamme heb dan wel mooi bibberasie;/ Maar menige meid, ik lieg niet, staat nog paf/ Als het gaat om de kapassiteiten van Kaassie.'


Zijn grootste roem vergaarde Komrij als gevreesd columnist van NRC Handelsblad, waarin hij onder de titel 'Een en ander' schreef over televisie, politici, feministen, de Scientology Church ('De stankbel van de Nieuwezijds'), architectuur ('Het boze oog'), literatuur. En als bloemlezer vanaf de instant-klassieker De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten (eerste druk 1979), een reeks die later terugging tot de Middeleeuwen, en nog werd aangevuld met bloemlezingen uit Afrikaanse poëzie en uit Kinderpoëzie. Laatste wapenfeit in dit genre: Komrijs scheurkalender voor 2012, met 365 gedichten die alle consciëntieus, geestig en vrij van elk academisch-literair jargon worden toegelicht.


Niets leek te ontkomen aan de spotlust van de geboren polemist. Zo zat hij in elkaar. 'Zet mij neer op een eiland in de Stille Zuidzee en ik begin te mopperen over de boomgroei.' Bovendien, schelden houdt maagzweren op een afstand. Komrij wekte de woede van feministen die hij als 'de onwelriekende gleuvenbrigade' omschreef, met hun eigen bedroevende maandblad: 'Vergeleken met Opzij is Donald Duck een tijdschrift voor intellectuelen geworden.'


Hij keek in 1976 een jaar naar de tv en schreef het boek Horen, Zien en Zwijgen over zijn ervaringen met de treurbuis, vol typeringen over spelletjes, BN'ers (over de kleurloosheid van Maartje van Weegen: 'Ze laat ongeveer net zoveel indruk na als een schelvis vingerafdrukken, of als een paling voetstappen') en over talkshows. Zijn verbale zweepslagen hebben aforistische eeuwigheidswaarde: 'Wanneer Nederlandse toneelspelers verzen zeggen, heeft daar alleen een doof speenvarken schik in.'


Op zijn 40ste verhuisde Komrij met zijn vriend Charles Hofman naar Portugal, eerst naar een afgelegen paleis in Trás-os-Montes, Alvites, waar de enorme ruimte uiteindelijk een gevangenis werd (zie de roman Over de bergen uit 1990, het verslag van een claustrofobische ervaring), mede door strubbelingen met een dorpsclan. Vanaf 1988 in de kleinere, maar immer nog zeer riante Casa Branca in het landelijke gehucht van 86 zielen Vila Pouca da Beira, gemeente Oliveira do Hospital: drie verdiepingen, wenteltrappen, een bibliotheek met 40 duizend titels, een vijver met theehuisje. 'Ik voel me zo langzamerhand zélf iemand met ezelsoren, een geknakte rug, een bol achterplat en een beduimelde inhoud. Ik wandel als het ware in een gekreukt stofomslag op straat.'


Daar hoorde hij in 1993 dat hem de P.C. Hooftprijs voor zijn beschouwende werk werd toegekend, en in 2000 dat hem een eredoctoraat in de geesteswetenschappen aan de Leidse universiteit werd verleend. Daar ook ontpopte hij zich tot de gemoedelijke ambassadeur van de poëzie die bij nader inzien iedereen toeliet tot zijn bloemlezingen. Tijdens zijn geregelde visites aan Nederland werd hij vrienden met bijna iedereen, ook bijvoorbeeld kunstpaus Rudi Fuchs, die hij eerder nog had toegedicht 'evenveel hersens te hebben als het kleedje voor zijn open haard'.


Al veel eerder was Komrij toegetreden tot de Herenclub van Mulisch, die in Papieren tijgers (1978) nog een gezworen vijand was: 'Als de eerste bazuinen opklinken voor het Laatste Oordeel, zal een Mulisch nog kans zien een kam door zijn haar te halen.'


In 1999 schreef hij onder het pseudoniem Patrick Demompere bijtend bedoelde recensies (ook de roman Dubbelster van de verwaten Gerrit Komrij ging eraan), die evenwel het vitriool en het stilistische vuurwerk misten dat de geduchte criticus van Daar is gat van de deur (1974) nog wel bezat.


Tussen 2000 en 2004 was Komrij Dichter des Vaderlands, gekozen dus hij kon er niet onderuit. De gelegenheidsverzen die hij in die periode schreef rammelden deerlijk; reden waarom hij ermee kapte, een jaar voordat de ambtstermijn afliep. 'Ik ben het zat, ik heb er tabak van, ik vertik het nog langer.' Liever trok hij zich weer terug, om de laatste jaren op Facebook (tot juni van dit jaar) en een blog (tot april) geregeld plaagstootjes aan politici en andere praatjesmakers uit te delen. En hij schreef weer betere gedichten: 'In dromen martelde ik verwoed,/ Maar had van niets berouw./ Nu ben ik menselijk en goed/ En heb het Spaans benauwd.'


Dit voorjaar werd een scholengemeenschap in Winterswijk omgedoopt in Gerrit Komrij College en verscheen zijn korte roman De loopjongen, over de vriendschap van een bevlogen goedzak met een oplichter. Een modale Komrij, geen gemeen stekende, zoals zijn vroegere boeken die zijn geschreven 'met het bloed dat drukinkt heet'.


Op het Boekenbal van 13 maart deed de jonge dichteres Ellen Deckwitz hem vanaf het podium van de Amsterdamse Stadsschouwburg een vriendschapsverzoek, dat Komrij met zijn kenmerkende slepende keelstem allerminzaamst toezegde, waarna de zaal geroerd applaudisseerde.


Dat was zijn laatste openbare optreden. Kort daarna werd Komrij opgenomen in het ziekenhuis, waar kanker werd geconstateerd. 'Mijn stoffelijke resten mogen ze met de vuilnisman meegeven', zei hij ooit in een interview. En Jacob in Verwoest Arcadië, die als jongeling komische grafschriften verzamelde, had deze tekst voor zichzelf bedacht: 'Loop snel verder, lezer! Verknoei je tijd hier niet met het lezen van stompzinnig proza en beroerde verzen. Wat mij betreft: aan mijn graf kun je zien wat ik ben, en wat of wie ik was, dat gaat je geen donder aan.'


Deze regels komen uit 'Residu' (opgenomen in de bundel Gesloten circuit, uit 1982): 'De dichter, heden, is een zonderling./ Hij hangt de paljas uit voor zijn publiek./ Wat blijft: bezetenheid om één, één ding./ De wonden die hij likt. En de muziek.'


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden