Een verloren eiland bij Sumatra

Het Indonesische Siberut was geheel bedekt met tropisch regenwoud. Sinds een jaar of tien zijn houtkapmaatschappijen bezig het eiland kaal te scheren....

WIECHER HULST

Bij de ingang van mijn hotel in Padang stond een jongeman folders uit te delen. Hij deed het schielijk, want het mocht niet van de directie. 'Hello miester, you want see primitive peoples?'

Ik schoot in de lach. 'Dat hangt ervan af', zei ik. 'Primitive people, waar vind ik die?'

Hij stopte me een folder in de hand en zei: 'Siberut Island, miester. Individual tour, very special! Niet zoals die groepen uit Bukittinggi. Dat is commercieel. Maar deze gids Naruku is anders. Hij kent de taal en de cultuur! He shows you daily life of Siberut peoples.'

Naruku woonde in een achteraf-straatje dicht bij het oude havenkwartier. Maar hij was niet thuis. Zijn vrouw deed open. Ze was groot, blank en blond en droeg een klein kind op haar arm. 'Hello', zei ze. 'Are you looking for Naruku? He is already two days back on Siberut.' Haar accent en zinsbouw verrieden haar afkomst.

'Zullen we Duits spreken?', zei ik.

Ze heette Monica en ze was afkomstig uit Dortmund. Vijf jaar geleden was ze als antropologe naar Sumatra gekomen om onderzoek te doen en les te geven aan de universiteit van Padang. Zo had ze Naruku ontmoet, 'een briljante student uit Simeulue', en ze was met hem getrouwd. Ze had nu twee kinderen, van wie de jongste nog in de wieg lag. 'Daarom ben ik niet meegegaan, want ons jongste kind is nog te klein. Maar er is nog een mogelijkheid om met mijn man mee te gaan. Morgenochtend gaat een snelle ferry naar het eiland. Als je geluk hebt, dan tref je mijn man nog in Muara Siberut, want daar moet hij met de politie en de camat (het subdistrictshoofd) praten.'

De nieuwe ferry naar Siberut was een moderne draagvleugelboot, die heel toepasselijk Kuda Laut (Zeepaard) heette. Als een paard galoppeerde zij over de golven, en briesend wierp zij fonteinen van schuim op, die de ruiten van het passagiersverblijf bedekten met een ondoorzichtige laag zout. Na het nemen van een hoge golf zweefde zij steeds een ondeelbaar moment sierlijk door de lucht en kwam dan met zo'n harde klap neer, dat er een siddering door haar lendenen voer. Koffers vielen uit het bagagerek, flessen en kopjes rolden door het gangpad, stoelen kreunden en de plafondverlichting ging voortdurend aan en uit.

Ik verwachtte dat de Kuda Laut ieder ogenblik in tweeën kon breken, maar dat gebeurde niet. Wel waren binnen tien minuten bijna alle passagiers zeeziek. Papieren zakken werden doorgegeven en overal om mij heen werd gekotst. Ik probeerde er niet op te letten en las een rapport van SOS Siberut, een Engelse werkgroep van antropologen, biologen en andere wetenschappers, die zich had verdiept in de plannen van de Indonesische regering voor het eiland.

Die waren ingrijpend. Siberut is bijna zo groot als de provincie Noord-Brabant, maar wel geheel bedekt met tropisch regenwoud. Of liever was, want sinds een jaar of tien waren vier grote houtkapmaatschappijen bezig het eiland kaal te scheren. Op het vrijgekomen terrein zouden palmolieplantages komen, die op den duur ruim de helft van het eiland moesten beslaan. En dat zou wel doorgaan, omdat de jongste zoon van president Suharto daar een belang in had.

Om arbeiders voor die plantages te krijgen, wilde de regering veertigduizend Javaanse transmigranten naar Siberut overbrengen. Het departement van Sociale Zaken had zelfs laten weten dat daar tweeduizend vrijgezellen bij moesten wezen 'die kunnen assimileren met de vrouwen van Siberut'. Het Mentaweise bloed moest dus van overheidswege worden verdund.

Terwijl ik mij zat te verdiepen in het treurige lot van de Mentaweiers, werd ik ineens op mijn schouder getikt. Ik keek om en zag een mooie, blanke vrouw van een jaar of vijfendertig met bruin haar en lichtgroene ogen. 'Sorry dat ik zag wat u las', zei ze in het Engels met een zwaar Latijns accent, 'maar het lijkt me erg interessant. Gaat het over de ecologie van Siberut?'

Ik hoorde een mannenstem in het Frans zachtjes protesteren: 'Chérie! Dat kun je niet doen, die man is aan het lezen. Hij vindt dat misschien niet prettig.' Pas nu zag ik dat ze niet alleen was.

Ze heetten Marie-Louise en Jean-Luc, waren allebei bioloog en sinds een jaar getrouwd. Voor we in Muara Siberut waren, hadden ze het rapport van SOS Siberut bijna geheel uitgelezen, en hadden we besloten met ons drieën Naruku te benaderen om hem te vragen ons te begeleiden naar het binnenland.

Muara Siberut was een piepkleine nederzetting van lage kamponghuizen waar twee kerken, een moskee en een radiozendmast bovenuit staken. Ze lag aan een halfronde baai die zo ondiep was, dat schepen niet aan de wal konden afmeren.

We werden van boord gehaald door een boomstamkano met buitenboordmotor, die ons afzette aan een morsige kade. Daar lag het enige losmen van Muara Siberut, dat op palen half boven het water stond. Het werd gedreven door een dikke Minangkabauer die Syahruddin heette, maar door iedereen pak Uddin werd genoemd. Tegenover het losmen had hij een toko waar leeftocht voor de tocht naar het binnenland kon worden ingeslagen. Er hing een bord aan, waar 'Restoran' op stond.

Blijkens zijn menukaart had pak Uddin uitsluitend westerlingen onder zijn klanten, want ook hier bleek het pancake- en fruitsalad-wezen onverbiddellijk te zijn opgerukt. Binnen een uur had hij mij een helder beeld van de plaatselijke verhoudingen gegeven.

In Muara Siberut was het Gezag gevestigd. Er woonden ongeveer vijfhonderd mensen, voornamelijk christelijke Bataks en islamitische Minangkabauers. De meesten van hen werkten bij het plaatselijk bestuur, leger en politie. Verder zaten er wat handelaren en plantagehouders, en een handvol onderwijzers. Mentaweiers lieten zich er niet zien, want het was verboden om er in een lendendoek rond te lopen, laat staan naakt. Als zij naar deze voorpost van de Indonesische beschaving gingen, dienden zij een broek of jurk aan te trekken en hun bovenlichaam te bedekken.

'Dat is belachelijk', zei Marie-Louise. 'Discriminatie! Het is toch de cultuur van die mensen om alleen in lendendoek te lopen? En het is nog praktischer ook in het bos.'

'Dan moet je naar het bos gaan', zei pak Uddin terughoudend. 'Daar kun je ze bekijken.'

'Dat willen we ook', zei Marie-Louise. 'Maar we zoeken een gids, Naruku heet hij. Weet u waar hij is?'

'Ik ken hem goed', zei pak Uddin. 'Hij is met een Duits meisje naar het strand van Katurei gegaan, om te snorkelen en te zwemmen. Ik denk dat hij morgen terugkomt.'

Het was twee uur in de middag en onbedaarlijk heet. Marie-Louise en Jean-Luc trokken zich terug in hun kamer. Ik ontvouwde mijn paraplu en ging op pad om mijn nieuwe omgeving te besnuffelen. Muara Siberut was een kampong zoals er in Indonesië dertien in een dozijn gaan. In tien minuten was ik er doorheen.

Pas aan de rand van het dorp zag ik de eerste twee Mentaweiers. Ze waren op een lendendoek na naakt en droegen allebei een peddel voor een boomstamkano. Hun lichamen waren van top tot teen getatoeëerd. Ze liepen veerkrachtig maar gehaast, alsof zij zo snel mogelijk de veilige beschutting van het bos wilden opzoeken. Toen ze mij zagen, hielden ze even in. Een van de twee bracht twee vingers naar zijn mond en maakte een gebaar alsof hij rookte.

Daar had ik rekening mee gehouden. Volgens pak Uddin waren alle Mentaweiers verslaafd aan nicotine. Op zijn aanraden had ik in zijn toko een paar pakjes van het obscure merk Kaiser gekocht. Ik haalde een pakje tevoorschijn, maakte het open, en hield het de man voor. 'Alstublieft, neemt u maar', zei ik in het Indonesisch.

Met een bliksemsnel gebaar griste hij het pakje uit mijn vingers, haalde de helft eruit en gaf de rest aan mij terug. Meteen daarna liepen de twee Mentaweiers door. Ze hadden geen woord gezegd en ook niet geglimlacht. Het hele voorval had nauwelijk tien seconden geduurd.

'Selamat sore, pak', hoorde ik ineens. Ik keek op en zag een forse man in een batikhemd over een tuinhek leunen.

'Ook goeienavond', antwoordde ik.

Hij gebaarde met zijn hoofd naar de twee weglopende Mentaweiers en zei: 'Ik zag dat u die lui sigaretten gaf. Dat moet u niet doen, pak! Daar worden ze nog luier van. Zo leren ze nooit om te werken.'

'Werken ze dan niet?', vroeg ik.

'Nee! Dat zijn primitieve mensen, die houden daar niet van. Dus komen zij naar Muara om te stelen. U mag wel goed op uw portemonnee letten! Maar waar komt u vandaan, pak?'

'Nederland.'

'Ah, Nederland! Gullit, Van Basten, Koeman! Hoe heet u?'

'Hulst. En u?'

'Hanafi. Ik werk bij de politie hier. Hebt u zich al gemeld?'

'Nee, is dat dan nodig?'

'Iedereen moet zich bij ons melden. Gaat u ook het bos in?'

'Dat ben ik wel van plan, ja.'

'Hebt u al een gids?'

'Nee, nog niet. Maar ik zoek er één.'

'Als u die hebt, moet u met hem bij de politie komen. Zonder officiële gids mag u nergens heen. Mag ik uw paspoort even zien?'

'Dat heb ik niet bij me', loog ik. 'Het is bij pak Uddin, in het hotel.'

'Komt u dan morgen naar het bureau. Dan kunnen wij u registreren. Dat is voor uw eigen veiligheid. Als u het bos ingaat, moeten we weten waar u bent. Wij willen niet graag dat u iets overkomt op Siberut, pak.'

De Nieuwe Orde van Suharto en zijn generaals was ook in de periferie van het rijk aanwezig.

De volgende ochtend was er groot kabaal in losmen Syahruddin. Twee groepen primitivity watchers waren met hun Bukittinggi-gidsen uit het oerwoud teruggekeerd en in het restaurant neergestreken. Pak Uddin en zijn vrouw renden heen en weer met pancakes, bananen, chips and eggs en nasi goreng. Jean-Luc en Marie-Louise bestudeerden mijn kaart van Siberut. Ik ging bij hen zitten.

Er waren een stuk of zes gidsen in het eethuis. Een van hen was duidelijk de populaire drol van het stel. Hij liep parmantig als een gebraden haan in het rond, maakte geintjes met de jongens, kneep de meisjes in hun wangen en was voor een Indonesiër ongewoon luidruchtig. Een skileraar in de tropen. Een van de meisjes scheen bij hem te horen. Ze was een klein blond propje met een vuurrood verbrand hoofd en ze keek naar hem op met een blik vol amechtige adoratie.

Pak Uddin kwam naar ons toe en wees met zijn hoofd in de richting van de gebraden haan. 'Dat is Naruku', zei hij. 'Hij is net terug uit Katurei met zijn Duitse vriendin.'

Marie-Louise sprong op en was in vijf stappen bij Naruku. We zagen haar druk gesticuleren en met de kaart zwaaien. Binnen vijf minuten had hij haar twee keer in de wang en één keer in de kont geknepen. Daarna liep hij op ons toe en zei:

'Hello friends. Ik ben Naruku. En wie zijn jullie?'

We stelden ons voor en vroegen hem te gaan zitten.

'Ik hoor dat jullie geïnteresseerd zijn in de cultuur van de Siberut people', zei Naruku, 'en dat jullie het binnenland in willen.'

We knikten.

'Dat is niet zo eenvoudig', zei hij. 'Je moet de weg weten en de taal spreken. Well, I am the only guide here who can do that. Ik ben wel van een ander eiland, maar ik spreek hun taal en zij beschouwen mij als familie. Ze weten dat ik alles voor hen doe om ze te beschermen.'

Hij zweeg even, nam een stuk banaan van het bord van Jean-Luc en stak dat in zijn mond. 'You see', vervolgde hij, 'deze mensen hebben een kwetsbare cultuur, en wij willen niet graag dat die verstoord wordt. Als jullie met mij meegaan, dan moet je net als die mensen gewoon op de grond slapen en hun voedsel eten. Dat is alleen maar sago en taro, en nu en dan een visje. Drie dagen lang! Jij moet je aanpassen aan hen en niet omgekeerd, weet je wel. Denken jullie dat je dat kunt?'

Jij onbeschaamde kleine blaaskaak, dacht ik. Maar ik zei: 'Dat zal wel lukken. Maar kan en wil je ons meenemen?'

'Wat mij betreft geen probleem', zei Naruku luchtig. 'Maar je moet het aan Barbara vragen. Ik zou eigenlijk alleen met haar gaan, weet je. Als zij geen bezwaar heeft, vind ik het goed.'

'Fantastisch', zei Jean-Luc. 'Dankjewel! Wij hebben namelijk gehoord dat je een hele goede gids bent.'

Marie-Louise keek hem aan met een blik die zowel affectie als ergernis verried. Daarop vroeg ze: 'En hoeveel moet dat kosten?'

Naruku zweeg even. Toen zei hij glimlachend: 'Normaal is het vierhonderd dollar. Maar omdat jullie hier al op eigen gelegenheid naar toe bent gekomen, zal ik er honderd afdoen.'

Marie-Louise stoof op. 'Driehonderd dollar', riep ze. 'Dat is honderd per persoon'

Naruku keek haar donker aan. Zijn glimlach was geheel verdwenen toen hij zei: 'Niet driehonderd samen, maar per persoon. Maar jullie zijn kennelijk arme mensen. De mensen hier denken dat alle westerlingen schatrijk zijn, maar ik ken het westen, ik ben in Duitsland geweest, en ik weet dat het niet waar is. Jullie hebben een hoog salaris, maar ook hoge kosten. Dus vooruit, tweehonderd per persoon. Think it over. Ik hoor het straks wel van jullie.' Hij stond op en liep terug naar het tafeltje van Barbara.

Pak Uddin kwam er bij zitten. 'Waren er problemen?', vroeg hij.

'Naruku wil tweehonderd dollar per persoon voor drie dagen', zei Jean-Luc. 'Dat is samen zeshonderd. Belachelijk'

'Dat vragen alle gidsen', zei pak Uddin. 'Ook die van Bukittinggi. Alleen hebben die grotere groepen, zodat je per persoon minder hoeft te betalen. Maar zelf kennen die lui het eiland niet, en daarom hebben ze weer orang asli (inboorlingen) in dienst die ze de weg wijzen en vertalen. Naruku spreekt de taal wel. Maar die gaat altijd naar hetzelfde dorp, die maakt nooit trektochten.'

'Hoeveel betalen die gidsen aan hun Mentaweise tolken?', vroeg ik.

'Vier- of vijfduizend rupiah per dag', zei pak Uddin.

'Wat?', riep Marie-Louise. 'Dat is twee dollar'

Pak Uddin grijnsde. 'Die lui hebben ook niet veel nodig', zei hij, 'Die eten alleen sago. Maar deze gidsen, zij eten nasi Padang! En zij gaan in Bukittinggi en Padang naar de meisjes, dat is duur toch? En misschien moeten zij daarna wel naar de dokter, dat is nog duurder.'

Op dat moment kwam Barbara naar ons toe. Ze zei: 'Ik hoorde dat jullie met Naruku mee willen. We hebben daarover nagedacht en ik hoop dat jullie het niet erg vinden, maar we willen toch maar liever met ons tweeën gaan. Dat hadden we nou eenmaal afgesproken, en met zoveel vreemden tegelijk is het misschien ook te verstorend voor de cultuur van die mensen.'

Wat nu? Marie-Louise zei: 'Laten we naar de kerk gaan. Daar zit een Italiaanse priester, die we aan boord al hebben ontmoet. Misschien weet hij een oplossing.'

De priester heette Daniele. Hij had juist bezoek van een schoolmeester uit het dorp Madobak, die Fernando heette en bereid was om ons in zijn boot mee te nemen voor de somma van honderdduizend rupiah, ongeveer honderd gulden. In Madobak zouden we dan een plaatselijke gids kunnen huren, die ons verder het binnenland in zou voeren. Na enig tawarren wist Marie-Louise er tachtigduizend van te maken.

'Ga wel eerst naar de politie', zei padre Daniele. 'Anders krijg je grote moeilijkheden.'

Op het politiebureau trof ik pak Hanafi weer. Hij liet ons zitten op vier ongemakkelijke stoelen tegenover zijn bureau, vroeg onze paspoorten en begon een langdurig verhoor waarbij hij een reeks irrelevante vragen stelde. Ik had al snel door wat deze vertragingstaktiek betekende en guru Fernando wist dat ook, want toen pak Hanafi zich even had verwijderd, zei hij: 'Hij wil geld hebben! Betaal hem nou maar 25 dollar of zo, dan zijn we ervan af.'

Maar daar wilde Marie-Louise niets van weten.

'Smeergeld? Ik peins er niet over! Liever ga ik terug naar Padang! Zij behandelen die mensen hier als oud vuil, en dan zal ik ze ook nog betalen? Never'

Fernando haalde zijn schouders op. 'Alle gidsen betalen de politie', zei hij. 'Die van Bukittinggi en van Padang, allemaal. Anders kunnen zij niet hier werken.'

Maar Marie-Louise bleef op haar stuk staan. Terwijl Jean-Luc haar probeerde te sussen en Fernando met een agent zat te praten, zocht ik Hanafi op. Hij stond voor het bureau een glas limonade te drinken. Ik drukte hem onopvallend 25 dollar in handen en zei: 'Zullen we naar binnen gaan, pak?'

Vijf minuten later stonden we weer buiten. Onze paspoorten waren in het politiebureau achtergebleven. Maar we waren in het bezit van een officieel papier, waarop pak Hanafi had aangetekend, dat wij toestemming hadden om voor vijf dagen Muara Siberut te verlaten. De 'cultuur van die mensen' lag voor ons open.

Wordt vervolgd

Een vriend aan het Tobameer verschijnt in september bij Nijgh & Van Ditmar.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden